Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.2.1
4.2.1 Inleiding
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291244:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In de Nederlandse taalversie van art. 14 lid 1 Btw-richtlijn wordt niet alleen de overdracht, maar ook de overgang van de macht om als een eigenaar over een goed te beschikken als een levering van een goed aanmerkt. Andere taalversies van art. 14 lid 1 Btw-richtlijn gebruiken echter maar één woord dat een equivalent vormt van het Nederlandse woord overdracht: ‘Übertragung’ (Duitse taalversie), ‘transfer’ (Engelse taalversie), ‘transfert’ (Franse taalversie) en ‘trasferimento’ (Italiaanse taalversie). Ook in de Nederlandse taalversie van de voorloper van art. 14 lid 1 Btw-richtlijn, art. 5 lid 1 Tweede Richtlijn, en de Nederlandse taalversie van art. 5 lid 1 van het Voorstel voor een Zesde Richtlijn ontbreekt het woord ‘overgang’. Omdat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Zesde Richtlijn niet blijkt dat met de toevoeging van het woord ‘overgang’ in de Nederlandse taalversie van art. 5 lid 1 Zesde Richtlijn (thans: art. 14 lid 1 Btw-richtlijn) een materiële wijziging van de leveringsdefinitie is beoogd, komt aan het gebruik van de term ‘overgang’ in de Nederlandse taalversie naar mijn mening geen betekenis toe (in gelijke zin: G.J. van Norden, Het concern in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2007, p. 265-266).
Dit is af te leiden uit het gebruik van het woord ‘naast’ (Nederlandse taalversie), ‘neben’ (Duitse taalversie), ‘in addition’ (Engelse taalversie) respectievelijk ‘outre l’opération (Franse taalversie) respectievelijk ‘oltre’ (Italiaanse taalversie).
HvJ EU 13 juni 2018, zaak C-665/16, V-N 2018/35.20, r.o. 35 en 36 (Gmina Wrocław II).
HvJ EU 13 juni 2018, zaak C-665/16, V-N 2018/35.20, r.o. 36 (Gmina Wrocław II).
HvJ EU 13 juni 2018, zaak C-665/16, V-N 2018/35.20, r.o. 36 (Gmina Wrocław II).
Hoewel de oplevering van bepaalde werken in onroerende staat geen vastgoedtransactie is, acht ik het wel wenselijk om aan deze optionele leveringsgelijkstelling en de implementatie daarvan in Nederland aandacht te besteden. In de eerste plaats, omdat de behandeling van deze optionele leveringsgelijkstelling licht werpt op de structuur van het leveringsbegrip in de Europese btw. En in de tweede plaats, omdat de behandeling van deze leveringsgelijkstelling van belang is voor het antwoord op de vraag wanneer de levering van vastgoed door de verkoper op grond van een koop-/aannemingsovereenkomst plaatsvindt (zie paragraaf 5.7).
Op grond van art. 2 lid 1, onderdeel a Btw-richtlijn is de levering van een onroerend goed die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht een belastbaar feit. Wanneer sprake is van een levering van een goed, is uitgewerkt in art. 14 Btw-richtlijn. Deze bepaling is opgebouwd uit drie leden. Het eerste lid definieert de levering van een goed: de overdracht1 van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken. Het tweede lid beschrijft drie handelingen die niet kwalificeren als de overdracht van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken2, maar toch als een levering moeten worden beschouwd, namelijk:
de eigendomsovergang van een goed tegen betaling van een vergoeding, ingevolge een vordering door of namens de overheid dan wel krachtens de wet;
de afgifte van een goed ingevolge een overeenkomst volgens welke een goed gedurende een bepaalde periode in huur wordt gegeven of ingevolge een overeenkomst tot koop en verkoop op afbetaling, in beide gevallen onder het beding dat normaal het goed uiterlijk bij de betaling van de laatste termijn in eigendom wordt verkregen;
de overdracht van een goed ingevolge een overeenkomst tot koop of verkoop in commissie.3
Deze handelingen betreffen verplichte gelijkstellingen met de overdracht van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken. Het derde en laatste lid van art. 14 Btw-richtlijn beschrijft een handeling die niet valt onder de eerste twee leden, maar die door de lidstaten als een levering kan worden aangemerkt: de oplevering van bepaalde werken in onroerende staat. Dit betreft een optionele gelijkstelling met de in art. 14 lid 1 Btw-richtlijn bedoelde levering van een goed.
Uit de bewoordingen en de opzet van art. 14 Btw-richtlijn volgt dus dat de in het tweede en derde lid genoemde handelingen niet kwalificeren als ‘de overdracht van de macht om als eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken’, maar hiermee worden gelijkgesteld.4 Hierdoor is respectievelijk kan worden voorkomen dat deze handelingen op grond van art. 24 lid 1 Btw-richtlijn als diensten kwalificeren. Het bepaalde in art. 14 leden 2 en 3 Btw-richtlijn vormt dan ook een lex specialis ten opzichte van art. 14 lid 1 Btw-richtlijn.5 Dat geldt ook voor art. 15 lid 2 Btw-richtlijn. Uit art. 14 lid 1 Btw-richtlijn volgt dat het begrip ‘goed’ moet worden uitgelegd als lichamelijke zaak. Op grond van art. 15 lid 2 Btw-richtlijn mogen lidstaten – het betreffen optionele gelijkstellingen – ook als (onroerende) lichamelijke zaken beschouwen:
`bepaalde rechten op onroerende goederen;
de zakelijke rechten die de rechthebbende de bevoegdheid verschaffen een onroerend goed te gebruiken;
de deelbewijzen en aandelen waarvan het bezit rechtens of in feite recht geven op de eigendom of het genot van een onroerend goed of een deel daarvan.
De opbouw van deze paragraaf is als volgt. In paragraaf 4.2.2 wordt ingegaan op de inhoud van het (unie)begrip ‘onroerend goed’. Vervolgens komt in paragraaf 4.2.3 aan bod wanneer een vastgoedtransactie op grond van art. 14 lid 1 Btw-richtlijn kwalificeert als een levering. In paragrafen 4.2.4 en 4.2.5 wordt ingegaan op de vastgoedtransacties die op grond van art. 14 leden 2 en 3 gelijkgesteld moeten respectievelijk kunnen worden met een levering. Omdat lidstaten bij de implementatie van de optionele gelijkstelling van de oplevering van bepaalde werken in onroerende staat met een levering beschikken over beoordelingsruimte, wordt in paragraaf 4.2.5 ook aandacht besteed aan de Nederlandse implementatie.6 In paragraaf 4.2.6 wordt ten slotte aandacht besteed aan de in art. 15 lid 2 Btw-richtlijn genoemde rechten, deelbewijzen en aandelen die met (onroerende) lichamelijke zaken kunnen worden gelijkgesteld. In deze paragraaf zal ook worden ingegaan op de Nederlandse implementatie van deze bepaling.