Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.2.1:5.2.1 Inleiding
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.2.1
5.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946189:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de bespreking van de totstandkomingsgeschiedenis van klachtdelicten in de Nederlandse strafrechtspleging kwam de jaarvergadering van de Nederlandsche Juristen-Vereeniging van 1877 reeds uitgebreid aan bod.1 In die vergadering en in de daarvoor geschreven preadviezen is – voorafgaand aan de totstandkoming van het Wetboek van Strafrecht – uitgebreid stilgestaan bij de redengeving voor klachtdelicten. Kist erkende in zijn preadvies dat het slachtoffer van een misdrijf veel last kan ondervinden van een vervolging, met name als deze het aanzien van de betrokkene kan schaden of indien zijn naasten verantwoordelijk zijn voor het plegen van het delict. Kist stelde echter dat het desondanks niet is aangewezen om bij specifieke misdrijven het publieke belang dat is gediend met vervolging afhankelijk te maken van de enkele wil van het slachtoffer. Dat is zijns inziens niet in overeenstemming met het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht. Kist meent dat het soort feiten waarbij het publiek zo weinig is betrokken dat de vervolging steeds afhankelijk kan worden gemaakt van private belangen (en het publiekrechtelijke karakter bij die feiten daardoor dermate weinig op de voorgrond staat), helemaal niet strafbaar moet worden gesteld. Dit acht Kist in het algemeen juist en des te meer voor die misdrijven waarbij het klachtvereiste wordt ingegeven door de familieband tussen de verdachte en het slachtoffer. Kist stelt: “Ook hierbij verwart men hetgeen afgescheiden moet blijven: familieregt en publiekregt.”2 Die zienswijze geeft aanleiding te onderzoeken of het klachtvereiste een doorkruising van de publiekrechtelijke aard van het strafrecht oplevert.
Daartoe gaat hierna eerst nader aandacht uit naar de verhouding tussen het publiekrecht en privaatrecht in het algemeen en de verhouding tussen het strafrecht en het privaatrecht in het bijzonder. Daarop volgt de bespreking van de vraag waarom het straf(proces)recht als publiekrechtelijk wordt gekenschetst en wat hieronder precies wordt verstaan. De duiding van zowel de wijze waarop het strafrecht zich tot het privaatrecht verhoudt als het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht maakt het mogelijk om daaropvolgend te beoordelen of en in hoeverre de regeling van klachtdelicten – zoals Kist stelde – het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht doorkruist.