Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.2.1:16.2.1 De financiering bij oprichting
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.2.1
16.2.1 De financiering bij oprichting
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS405767:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een uitbereide analyse van de ontwikkeling van de NV voor de codificatie het proefschrift van Van der Heijden 1908. Zie ook Kist/Visser 1914, p. 391. Zie voor een recentere historische analyse De Jongh 2014.
Harris 2009, p. 18.
Frentrop 2002, p. 62.
Art. X Octrooi.
Den Heijer 2005, p. 58.
Van Schilfgaarde 1976, p. 24.
Art. XI Octrooi.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De problematiek die in het onderhavige onderzoek centraal staat, is van alle tijden. Reeds in de Gouden Eeuw zag de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC), niet zelden aangemerkt als de voorloper van de huidige kapitaalvennootschap, zich geconfronteerd met de negatieve consequenties van een onevenwichtig dividendbeleid en financiering met te veel vreemd vermogen.1 De VOC werd in 1602 bij octrooi door de Staten-Generaal van de Nederlandse Republiek opgericht om de expansie van de vaart op Indië te financieren. De door de VOC te drijven onderneming was met onzekerheden en risico’s omgeven zodat het aanvankelijk niet mogelijk was om haar activiteiten met vreemd vermogen te bekostigen.2 De VOC was daarom genoodzaakt zich hoofdzakelijk te financieren met eigen vermogen, dat door het beleggende publiek ter beschikking werd gesteld.
Het door de Nederlandse overheid verleende octrooi was niet alleen de vergunning die de VOC verwierf om als monopolist werkzaam te zijn, maar regelde tevens haar bestuurlijke inrichting en de wijze waarop zij in haar vermogensbehoefte voorzag.3 In het octrooi was vastgelegd dat alle ingezetenen van de Republiek “met soe weynige ende veel penningen al het hen sal believen” in de VOC mochten deelnemen.4 Hoewel niet bekend is hoeveel vermogen de VOC beoogde op te halen, blijkt uit het octrooi dat de oprichters een bepaald financieel plafond in gedachten moeten hebben gehad; als het benodigde kapitaal werd overschreden, dienden de participanten die voor meer dan dertigduizend gulden hadden ingeschreven het door hen ingeschreven bedrag te verminderen, “omme anderen plaats te geven”.5 In het octrooi werd geen vaste nominale waarde aan de participaties toegekend. De bedragen die in de VOC werden geïnvesteerd, varieerden van 50 tot 36.000 gulden. In 1602 bedroeg de totale inleg 6.449.688 gulden en 4 stuivers.6 Er werden kwitanties van storting afgegeven en de inleg van de participanten werd ingeschreven in de boeken. Het was de participanten toegestaan hun inbrengverplichting in drie termijnen te voldoen.7 Met het door de participanten bijeengebrachte kapitaal werd geïnvesteerd in de uitreding van de eerste vier vloten naar Azië. De participanten ontvingen over de eerste storting acht procent rente tijdens de periode voorafgaande aan het uitvaren van de vloot.