Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/11.11
11.11 De Gedragscode transparantie online politieke advertenties
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS949743:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Gedragscode is opgenomen als bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 30821, nr. 126.
Kamerstukken II 2020/21, 35570 VII, nr. 10.
Punt 5 en 6 van de Gedragscode.
Punt 9, 10 en 11 van de Gedragscode.
Punt 22 en 23 van de Gedragscode.
Punt 7 van de Gedragscode. Zie ook punt 8, dat geen betrekking heeft op transparantie, maar wel de verspreiding van advertenties normeert. Partijen verplichten zich ertoe om de aankoop en financiering van politieke advertenties door buitenlandse actoren te weigeren.
Punt 14-17 en 19 van de Gedragscode. Punt 18 van de Code ziet op het weren van advertenties van buiten de EU (zie ook de vorige voetnoot).
De eerdergenoemde motie-Middendorp/Kuiken (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VII, nr. 10) drong er bij de regering overigens wel op aan om tot een definitie van het begrip te komen.
Wettelijke regulering van microtargeting is dus aanstaande, maar op dit moment nog afwezig. Dit betekent dat de praktijk op nationaal niveau alleen wordt genormeerd door de bepalingen van de Gedragscode transparantie online politieke advertenties (hierna: de Gedragscode of de Code), die in de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van 2021 tot stand kwam op initiatief van de minister van BZK.1 De minister gaf daarmee gehoor aan een Kamerbreed gesteunde motie-Middendorp/Kuiken, waarin de initiatiefnemers wezen op het gevaar van ‘digitale inmenging bij electorale processen via sociale media of andere digitale middelen’ en de regering verzochten om een regeling omtrent transparantie van online politieke advertenties tot stand te brengen.2 De Gedragscode bevatte een aantal gedragsregels waaraan zowel politieke partijen als online platforms zich op vrijwillige basis konden committeren. De Gedragscode werd door de meeste, op dat moment in de Tweede Kamer vertegenwoordigde partijen ondertekend (uitzonderingen waren FvD en PVV), alsmede door vier grote internetdiensten (Snap, Facebook, Google en TikTok).
De bepalingen van de Code kunnen in drie categorieën worden verdeeld. Ten eerste bevat de Code bepalingen die betrekking hebben op het verzamelen van persoonsgegevens ten behoeve van microtargeting. In dat kader verplichten partijen zich ertoe om ‘ethische grenzen’ aan te houden bij het gebruiken van persoonsgegevens en om geen gebruik te maken van ‘psychologische profiling’ ten behoeve van microtargeting. 3Ten tweede zijn er voorschriften die de inhoud van de advertenties betreffen. Partijen committeren zich om geen misleidende advertenties te verspreiden en geen berichten te plaatsen die aanzetten tot haat of geweld. Ook beloven zij zich niet schuldig te maken aan ‘online onethisch gedrag’, zoals het verspreiden van desinformatie, informatie die kiezers ontmoedigt te gaan stemmen en ongefundeerde aantijgingen. 4Van de online platforms wordt verwacht dat zij dergelijke advertenties verwijderen en onjuiste informatie over het verkiezingsproces tegengaan.5 Ten derde normeert de Gedragscode de verspreiding van advertenties. De transparantie waar de naam van de Code de nadruk op legt, komt in feite slechts hier tot uitdrukking. Zo verplichten partijen zich ertoe om af te zien van verspreiding van advertenties via tussenpersonen zonder verwijzing naar de partij.6 Het merendeel van de transparantieverplichtingen geldt echter niet voor de partijen, maar voor de online platforms die de Code ondertekend hebben. Zij geven onder andere aan ‘relevante transparantiemechanismen’ te ontwikkelen en toe te passen, gegevens over advertenties op te nemen in advertentiebibliotheken, registratie en verificatie van adverteerders te vereisen en inzage te geven in het bereik en de kosten van politieke advertenties. 7
Met het betrekken van de online platforms bij het normeren van de online verkiezingscampagnes onderscheidt de aanpak van de Gedragscode zich van de visie van de Staatscommissie-Remkes. De commissie wilde transparantieverplichtingen immers slechts opleggen aan politieke partijen, waar de Gedragscode aansluit bij de benadering van de Uniewetgever in de aanstaande Transparantieverordening. In de vorige paragraaf, waar de insteek van het concept voor de Wpp werd vergeleken met die van de aanstaande Transparantieverordening, kwamen de voor- en nadelen van beide benaderingen voorbij.
De Gedragscode kent een tweetal belangrijke beperkingen. Ten eerste ontbreekt een definitie van het begrip ‘online politieke advertenties’. 8Men kan beargumenteren dat iedere advertentie die door een politieke partij wordt verspreid, geacht moet worden te vallen binnen het bereik van de Code. De Code zelf geeft daarover echter geen uitsluitsel. Net zomin geeft zij aan wanneer door anderen verspreide advertenties als ‘politieke advertentie’ te gelden hebben. Bij gebrek aan een nadere afbakening van het begrip is het toepassingsbereik van de Code onduidelijk. Zij lijkt in de praktijk daardoor lastig hanteerbaar. Ten tweede zij gewezen op het feit dat de Gedragscode een instrument ter zelfregulering is, hetgeen afbreuk doet aan haar effectiviteit. Niet alle politieke partijen hebben de Code ondertekend, er wordt geen toezicht gehouden op de naleving en aan het overtreden van de bepalingen van de Code zijn geen sancties verbonden. Dit betekent dat op zichzelf al betrekkelijk vage begrippen als ‘online onethisch gedrag’, ‘ethische grenzen’ en ‘relevante transparantiemechanismen’ ter interpretatie aan de partijen en platforms zijn gelaten. Als daadwerkelijke waarborg tegen de schadelijke effecten van microtargeting schiet de Gedragscode dus tekort. Op lange termijn is zij dan ook onhoudbaar. Het is dan ook een goede zaak dat de bepalingen van de Wpp, welke gebreken daar dan ook aan kleven, de Gedragscode moeten gaan vervangen.