Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/VI.7.2
VI.7.2 Tweekringenleer – geen geldend recht
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178948:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor het eerst HR 25 oktober 1991, NJ 1992/149, m.nt. Maeijer (Leonhard Woltjer Stichting), rov. 4.2.
Asser/Maeijer & Kroeze (Beckman) 2-I* 2015/590.
Zie over de laatste twee procedures laatstelijk HR 12 oktober 2018, JOR 2018/ 296, m.nt. Berkhout (Stichting ANV Fondsen), rov. 4.1.2.
HR 31 mei 1996, NJ 1996/694, m.nt. Maeijer (Lampe/Videoworks), rov. 3.4.
Rb. Amsterdam 19 november 1997, JOR 1998/24 (Verzinkerij Johan Vis & Co), rov. 7.
Assink/Slagter 2013 (Deel 1), § 17, p. 323, Handboek 2013/224 en Asser/ Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/302 slot en 612.
In de meeste procedures binnen de rechtspersoon vindt de invulling van het belanghebbendebegrip plaats aan de hand van de zogeheten tweekringenleer. Wie tot belanghebbende is te rekenen, moet steeds per procedure worden bezien. Maar telkens geldt daarbij dat sommigen qualitate qua een belang hebben (of dat dat wordt verondersteld), terwijl anderen, zonder hoedanigheid, dat belang concreet en specifiek moeten aantonen.1 De tweekringenleer geldt in verzoekschriftprocedures, zoals die over de inrichting van de jaarrekening,2 de ontbinding of het ontslaan van stichtingbestuurders.3
Het redelijk belang van art. 2:15 lid 3 onder a BW is een vreemde eend in de bijt. De tweekringenleer geldt er niet. Ook de aandeelhouder, bestuurder of commissaris moet een redelijk belang stellen en zonodig aannemelijk maken. In Lampe/Videoworks wijst de Hoge Raad de tweekringenleer af, waar hij overweegt dat een aandeelhouder niet per definitie een redelijk belang heeft maar de aanwezigheid daarvan heeft te stellen.4 Ook de minister meent dat iemands hoedanigheid op zich geen redelijk belang kan meebrengen. Wel zal volgens hem ‘eerder worden aangenomen’ dat leden, aandeelhouders en bestuurders een redelijk belang hebben.5 Zie ik het goed, dan zijn in de rechtspraak nauwelijks gevallen te vinden waarin een van de genoemde insiders de vordering bij gebreke van redelijk belang wordt geweigerd. In het genoemde Lampe/Videoworks-arrest deed zich zoiets voor, maar de casus en de wijze van procederen is wat atypisch. De ontslagen bestuurder Lampe stelde dat hij als aandeelhouder een redelijk belang had om tegen het desbetreffende ontslagbesluit op te komen, maar verzuimde te stellen dat hij zo’n belang ook als gewezen bestuurder had. Zou hij dat wel hebben gedaan, dan zou het hof (en dus de Hoge Raad) waarschijnlijk anders hebben geoordeeld. Een ontslagen bestuurder heeft tenslotte meer dan wie ook belang bij het aanvechten van zijn ontslagbesluit. Een ander voorbeeld is een geval beslist door de Rechtbank Amsterdam. Daar komt een ontslagen bestuurder tegen het ontslagbesluit op met de stelling dat in strijd met art. 30 WOR geen advies is gevraagd aan de ondernemingsraad. De rechtbank acht geen redelijk belang aanwezig, omdat de WOR geschreven is ten behoeve van de ondernemingsraad en er niet toe strekt de bestuurder te beschermen.6 Onder de tweekringenleer zou de uitkomst geen andere zijn. Weliswaar zou het redelijk belang van de bestuurder vaststaan, de regels van de WOR gelden niet als totstandkomingsvoorschiften in de zin van art. 2:15 lid 1 onder a BW. Vernietiging van het besluit is op die grond sowieso uitgesloten.7