De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring
Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/7.9:7.9 Conclusie
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/7.9
7.9 Conclusie
Documentgegevens:
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250268:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk heb ik de intrekking van de 403-verklaring door de moedermaatschappij onderzocht. Ten eerste heb ik een algemene uiteenzetting gegeven van de intrekking van een 403-verklaring en het moment dat de moedermaatschappij hierop een beroep kan doen (§ 7.2). Als de 403-maatschappij nog niet een jaarrekening openbaar heeft gemaakt die voldoet aan de voorschriften van titel 9 van Boek 2 BW voordat de moedermaatschappij een beroep kan doen op de intrekking van de 403-verklaring, zal er een periode zijn dat crediteuren de jaarrekening van de 403-maatschappij niet kunnen inzien maar daarvoor niet worden gecompenseerd. De crediteuren van wie de vordering voortvloeit uit een rechtshandeling die de 403-maatschappij in deze periode heeft verricht, worden niet gecompenseerd voor het feit dat zij de jaarrekening van de 403-maatschappij niet kunnen inzien. Om deze lacune in de compensatie van de crediteuren te verhelpen, is het mijns inziens gewenst dat art. 2:404 BW wordt gewijzigd. Aan lid 1 van deze bepaling kan worden toegevoegd dat de intrekking van de 403-verklaring slechts of eerst effect heeft als de 403-maatschappij een jaarrekening openbaar heeft gemaakt die aan de voorschriften van titel 9 van Boek 2 BW voldoet, of als er een nieuwe 403-verklaring is gedeponeerd ten aanzien van de 403-maatschappij (§ 7.3).
De moedermaatschappij kan in de intrekkingsverklaring opnemen dat de 403-verklaring op een bepaalde datum in de toekomst wordt ingetrokken (§ 7.4). Maar zij kan haar 403-verklaring niet zo vormgeven, dat deze tevens geldt als intrekkingsverklaring (§ 7.5).
Voorts ben ik ingegaan op de situatie dat een 403-maatschappij niet meer gebruikmaakt van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime, maar de moedermaatschappij is vergeten de 403-verklaring in te trekken. Het uitgangspunt is dat een crediteur moet kunnen vertrouwen op een bij het handelsregister gedeponeerde 403-verklaring en hier een beroep op kan doen. Een dergelijk beroep is mijns inziens slechts onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid als de crediteur weet, of behoort te weten, dat de moedermaatschappij is vergeten de 403-verklaring in te trekken (§ 7.6). Ik heb vervolgens verschillende mogelijkheden onderzocht hoe een moedermaatschappij preventief de aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring kan limiteren voor het geval zij vergeet deze verklaring in te trekken. De meest effectieve manier hiervoor is om in de 403-verklaring op te nemen dat zij zich slechts aansprakelijk stelt voor de schulden die voortvloeien uit de rechtshandelingen die de 403-maatschappij tot een bepaalde datum verricht, of door een intrekkingsverklaring te deponeren, op grond waarvan de 403-verklaring op een bepaalde datum wordt ingetrokken (§ 7.7).
Tot slot ben ik ingegaan op de vraag of het intrekken van een 403-verklaring door de moedermaatschappij onder omstandigheden misbruik van recht kan zijn. Ik heb geconcludeerd dat hiervan slechts onder bijzondere omstandigheden sprake zal zijn. Het uitgangspunt is dat de moedermaatschappij de 403-verklaring op ieder moment kan intrekken. Degene die een relatie met de 403-maatschappij aangaat, heeft een eigen verantwoordelijkheid om vooraf na te gaan of de 403-verklaring al of niet is ingetrokken (§ 7.8).