Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/11.3
11.3 Uitgangspunten in de recentere jurisprudentie over beledigende religieus geïnspireerde uitlatingen
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS458843:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bijv. EHRM 14 december 1999, 3817/97 (Serif v Griekenland); EHRM 2 december 2014, 31706/10 (Guler v Turkije).
Bijv. EHRM 25 mei 1993, 14307/88 (Kokkinakis v Griekenland).
Zie ECRM 16 mei 1977, 7050/75 (Arrowsmith v Verenigd Koninkrijk); EHRM 4 december 2003, 35071/97 (Muslum Gunduz v Turkijke); EHRM 18 januari 2001, 41615/98 (Zaoui v Zwitserland).
Nieuwenhuis, TvRRB 2015-6, p. 9.
HR 9 januari 2001, NJ 2001, 203, AB 2001, 303 (Van Dijke), m.nt. B.P. Vermeulen.
HR 16 december 2014, NJ 2015/108, m.nt. M. Rozemond.
Zie HR 16 december 2014, NJ 2015/108, r.o. 4.4.4 (Felter). Daarin bepaalde de Hoge Raad dat uitlatingen van een politicus onnodig grievend kunnen zijn indien hij ‘… uitlatingen verspreidt die strijdig zijn met de wet en met de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat. Daarbij gaat het niet uitsluitend om uitlatingen die aanzetten tot haat of geweld of discriminatie maar ook om uitlatingen die aanzetten tot onverdraagzaamheid.’
Nieuwenhuis, TvRRB 2015-6, p. 14.
Uit de rechtspraak van het EHRM komt naar voren dat de godsdienstvrijheid in het bijzonder van toepassing is bij uitlatingen tijdens een religieuze bijeenkomst1 of bij het verkondigen en evangeliseren in eigenlijke zin.2 Dan is er sprake van een directe expressie van godsdienst of levensovertuiging. In veel gevallen heeft het EHRM godsdienstig geïnspireerde uitlatingen echter niet beoordeeld op grond van artikel 9 EVRM maar op grond van 10 EVRM, de vrijheid van meningsuiting.3 In die gevallen beoordeelt het EHRM een religieuze uitlating primair als een meningsuiting (en niet als godsdienstige uiting). Volgens Nieuwenhuis worden religieuze uitlatingen in het publieke domein in toenemende mate begrepen als een inmenging in het maatschappelijk debat en daarom benaderd vanuit artikel 10 EVRM.4
In Nederland beoordeelt de rechter sinds de Van Dijke-zaak uit 20015 beledigende uitlatingen in het kader van artikel 137c op grond van een contextbenadering:
‘Bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens groepsbelediging en/of aanzetten tot discriminatie […], dient acht te worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan. […] Tevens dient onder ogen te worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is.’6
In de literatuur duidt men deze benadering ook wel als een drietrapstoets: Ten eerste moet worden vastgesteld of bepaalde bewoordingen op zichzelf grievend zijn; als dit zo is, dan moet ten tweede onderzocht worden of de context het beledigende karakter aan de uitlatingen kan doen ontvallen. Daarbij dient gedacht te worden aan de context van het maatschappelijke debat of aan de context van de geloofsovertuiging. Indien dit zo is, moet ten derde bekeken worden of de uitlatingen niet onnodig grievend zijn.7 Wanneer dit niet het geval is, dan is de uitlating niet strafbaar.8
In de jurisprudentie over artikel 137c Sr wordt het religieuze karakter van een uitlating meegenomen in de contextbenadering. Het religieuze karakter van een uitlating kan het strafwaardige karakter ontnemen. Niet duidelijk is of in de contextbenadering de vrijheid van godsdienst het beledigende karakter van de uitlating wegneemt of de vrijheid van meningsuiting, of beide grondrechten. Daarmee is ook niet duidelijk of een door godsdienst ingegeven uitlating kan worden gekwalificeerd als godsdienstige uiting (of als meningsuiting met religieuze basis). Dit blijkt ook niet uit de in de jurisprudentie ontwikkelde eis dat de uitlating ‘kenbaar in direct verband [moet] staan met de geloofsopvatting of levensovertuiging’ van verdachte wil de strafbaarheid van de uitlating komen te ontvallen. Vloeit deze eis voort uit de vrijheid van godsdienst of uit de vrijheid van meningsuiting? Vanwege deze onduidelijkheid laat ik in onderstaande analyse de kwalificatievraag of een uitlating die is ingegeven door godsdienst een godsdienstige uiting is (in de zin van de godsdienstvrijheid) achterwege en concentreer ik mij enkel op de hieraan voorafgaande vraag, namelijk of de grond waarop de uitlating is gedaan, dus de leer (niet de uitlating zelf) erachter, kan worden gekwalificeerd als godsdienst.