Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/5.6.2
5.6.2 Procedurele omstandigheden bij de oneerlijkheidstoets
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS496026:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
McKendrick 2008, p. 472. Gelet op het onderhandelingscriterium (Reg. 5(1)) en zijn expliciete toepassing in de Engelse rechtspraak speelt het procedurele nadeel in de aanloop naar de toets, doch niet in het kader daarvan, sowieso altijd een rol.
Bright 2000, p. 347. Procedurele omstandigheden worden behalve bij de toetsing aan het goede trouw-criterium ook meegewogen i.h.k.v. de toetsing aan het eveneens in Reg. 5(1) opgenomen onderhandelingscriterium: WBC/Beckingham, r.o. 31, of de vraag of sprake is van een consument: Zealander/Laing Homes (de consument werd bijgestaan door een `solicitor' maar kon als 'consument' worden behandeld omdat hem geen advies was verschaft t.a.v. de bedingen). Zie ook Lovell/Legg, r.o. 30.
Brownsword en Howells 1995, p. 252; Sepe 1997, p. 122.
Interfoto/Stiletto [1988].
Lord Bingham in DGFT/FNB [2001], r.o. 17; Lovell/Legg, r.o. 29. Zie ook Brownsword en Howells 1995, p. 256. Macdonald betwijfelt of deze 'open and fair dealing' -maatstaf in 'procedureel' opzicht ver genoeg gaat, daar ov. 16 considerans handelt over het in aanmerking nemen van de legitieme belangen van de consument en daarmee volgens haar ook omstandigheden als 'de suf ficiency of notice of ferms (including the clarity of their drafiine op het oog lijkt te hebben: Macdonald 2002, p. 769.
Ondanks het feit dat Sch. 2 niet meer voorkomt in de UTCCR 1999.
Lord Steyn in DGFT/FNB [2001], r.o. 37.
Zie de door Willen genoemde gezichtspunten ter vaststelling van de `substantive unfairness' (par. 5.5.3). Het inhoudelijke karakter van de goede trouw blijkt ook uit de indicatieve lijst volgens Lord Steyn in DGFT/FNB [2001], r.o. 36.
Lord Steyn in DGFT/FNB [2001], r.o. 37.
Beale 1995, p. 245. DGFT/FNB [1999], r.o. 37. Zie ook OFT 2008b, p. 9: `good faith relates to the substance of ferms as wedel as the way they are expressed and used.'
Lord Bingham in DGFT/FNB [2001], r.o. 17, waarover Chen-Wishart 2008, p. 473. Deze rechtsoverweging blijft echter voornamelijk op de vaststelling van de procedural unfairness' gericht.
Sch. 1(1) bevat 'matters which relate to the substance and effect of a term' en Sch. 1(2) de 'matters relating to the circumstance existing when a contract is made'.
Deze lijst wordt aangehaald in Beale 2004, p. 296-297.
DGFT/FNB [2000], r.o. 29.
Munkenbeck/Harold, r.o. 15.
Twigg-Flesner 2006/07, p. 252; Picardi/Cuniberti, r.o. 131.
Munkenbeck/Harold, r.o. 15.
WBC/Beckingham, r.o. 31; Bryen/Boston [2005], r.o. 46.
Lord Steyn in DGFT/FNB [2001], r.o. 37; Lovell/Legg, r.o. 29. De `weak bargaining position' is op zichzelf volgens de High Court in OFT/Abbey National [2008], r.o. 441 geen procedureel gezichtspunt omdat de hoedanigheid van partijen niets zegt over het daadwerkelijke verloop van de totstandkomingsfase.
Munkenbeck/Harold, r.o. 15.
WBC/Beckingham, r.o. 31 e plain and intelligible language'); Lovell/Legg, r.o. 29 e the arbitration ferms are fully clearly and legibly set out in the contract and contain no concealed pitfalls or traps% Zie ook Bradgate 1999, p. 39: de grootte van het lettertype is bij dit gezichtspunt van belang.
Nebbia 2007, p. 159-160.
Munkenbeck/Harold, no. 15.
WBC/Beckingham, no. 31.
313. `(...) It cannot be assumed that the courts will not have regard to procedural matters when deciding whether or not a term is unfair.'1 Procedurele omstandigheden worden meegewogen in het kader van de toetsing aan het goede trouwcriterium uit Reg. 5(1), 'the guide for procedural unfairness being the goodfaith' requirement' .2 De manier waarop invulling wordt gegeven aan het criterium wordt sterk beïnvloed door de common law en de UCTA 1977 (en de daaraan ten grondslag liggende `ideals of distributive justice').3 De goede trouw werd voorafgaand aan de richtlijn al gekoppeld aan aspecten van `procedural unfairness'. Lord Bingham stelde in de Interfoto-uitspraak de goede trouw gelijk met een 'open and fair dealing'-beginsel dat wordt geconcretiseerd aan de hand van gezichtspunten met betrekking tot de totstandkoming, aanvaarding en kennisneming van het beding.4 Deze koppeling wordt in de rechtspraak met betrekking tot Reg. 5(1) nog steeds, mede door Lord Bingham zelf, gemaakt:
The requirement of good faith in this context is one of fair and open dealing. Openness requires that the terras should be expressed fully, clearly and legibly, containing no concealed piijálls or traps. Appropriate prominence should be given to terras which might operate disadvantageously to the customer. Fair dealing requires that a supplier should not, whether deliberately or unconsciously, take advantage of the consumer 's necessity, indigence, lack of experience,
unfamiliarity with the subject matter of the contract, weak bargaining position or any other factor listed in or analogous to those listed in Sch. 2 of the regulations.'5
De in Sch. 2 UTCCR 1994 uit ov. 16 considerans overgenomen lijst gezichtspunten ter invulling van de goede trouw betreft overwegend procedurele omstandigheden afkomstig uit de UCTA 1977 en de Interfoto-uitspraak. Het type bij de rechterlijke toetsing aan Reg. 5(1) meegewogen procedurele omstandigheden is, en blijft, door deze lijst ingegeven.6
314. Dat de goede trouw uit Reg. 5(1) een procedurele dimensie heeft, neemt niet weg dat 'any purely procedural or even predominantly procedural interpretation of the requirement of good faith must be rejected' .7 De toetsing aan de goede trouw behelst zowel procedurele als inhoudelijke gezichtspunten.8 Het verstoringscriterium en de goede trouw overlappen elkaar deels volgens Lord Steyn.9 Er bestaat een redelijke consensus over het tweeledige karakter van de goede trouw.10 Zelfs de eerder aangehaalde overweging van Lord Bingham inDGFT/ FNB (par. 5.5.1) bevat inhoudelijke gezichtspunten: hij noemt een beding dat `operate(s)disadvantageously' en het feit dat de consument `unconsciously' wordt benadeeld.11 In het voorstel van de Law Commissions zijn twee lijsten gezichtspunten opgesteld.12 Opvallend is wel dat de categorie 'procedurele omstandigheden' beduidend langer is dan de categorie 'inhoudelijke omstandigheden'.13
315. Op grond van de literatuur en de rechtspraak heb ik een kleine — niet exhaustieve — inventaris gemaakt van het type in Engeland meegewogen procedurele omstandigheden. Van belang worden geacht:
het als consument wel of niet vrij aanvaarden van een beding;14
het wel of niet onder de aandacht brengen van bedingen;15
het wel of niet geven van uitleg over de bedingen aan de consument;16
het als consument wel of niet op de hoogte zijn van een beding;17
het als consument wel of niet beschikken over professioneel advies;18
het als gebruiker wel of niet (bewust) misbruik maken van de eigen machts
positie; 19
het als consument wel of niet beschikken over `bargaining power';20
de (on)duidelijke formulering van de voorwaarden en hun leesbaarheid.21
Procedurele omstandigheden kunnen op twee niveaus worden geobjectiveerd (waardoor zij ook in het kader van de collectieve toets kunnen worden gehanteerd, par. 5.7.3). Ten eerste kan bij deze omstandigheden worden geabstraheerd van de intenties van de gebruiker en het daadwerkelijk begripsvermogen van de consument. Ten tweede kan er bij sommige omstandigheden bij voorbaat van worden uitgegaan dat zij zich voordoen.22 Zo kan een verschil in onderhandelingsmacht of het misbruik maken van die macht worden verondersteld wanneer sprake is van een standaard B2C-contract, resp. een naar zijn inhoud oneerlijk beding.
316. Soms treft men in eenzelfde uitspraak zowel omstandigheden aan die duiden op `procedural unfairness' als omstandigheden die wijzen op `procedural faimess'. De rechter maakt dan een balans op die verschillend uit kan vallen. In de Munkenbeck/Harold-zaak beschikte de consument over `bargaining power' daar hij een korting had weten af te dingen. Deze omstandigheid woog echter niet op tegen het feit dat de ongebruikelijke bedingen `veere not drawn to the attention of Mr. Harold, who was unaware of them'23 In de WBC/Beckingham-zaak beschikte de consument over 'competent and objective advice' en hoewel de professionele partij hem niet op het niet onderhandelde `adjudication'-beding had gewezen werd de strijd met de goede trouw uitgesloten. Het feit dat de bedingen in `plain and intelligible language' waren opgesteld droeg bij aan de conclusie dat i.c. sprake was van `procedural faimess' .24
Nu duidelijk is dat procedurele omstandigheden in de praktijk een belangrijke rol spelen, rijst de vraag hoe doorslaggevend deze rol is. Hiertoe wordt de Engelse praktijk aan achtereenvolgens hypothesen 1 en 2 getoetst.