Einde inhoudsopgave
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/7.2.2
7.2.2 Toepassing van de WOR
mr. F.G. Laagland, datum 15-07-2013
- Datum
15-07-2013
- Auteur
mr. F.G. Laagland
- JCDI
JCDI:ADS389780:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bartman & Dorresteijn (2009), p. 195; Verburg (2007a), p. 88.
Kamerstukken II 2003/04, 29 364, nr. 3, p. 3.
Kamerstukken II 2003/04, 29 364, nr. 5, p. 2.
Indien de ondernemer één onderneming in stand houdt met meer dan 20 en minder dan 50 werknemers is een richtlijnconforme interpretatie overbodig omdat Richtlijn 2002/14/EG dan niet tot instelling van een ondernemingsraad verplicht. In dat geval heeft ook de rechtspersoon (de onderneming) geen 50 werknemers in dienst.
Kamerstukken II 1975/76, 13 954, nr. 2, p. 1.
HR 14 maart 2008, NJ 2008/167, JOR 2008/94 m.nt. Holtzer (COR TNT-TNT).
Holtzer in zijn annotatie bij de beschikking in JOR 2008/94.
Kamerstukken II 1969/70, 10 335, nr. 3, p. 25. Zie ook Hof Amsterdam (OK) 11 maart 1982 bij HR 7 juli 1982, ROR 1971-1984, nr. 84 (Enka) en Hof Amsterdam (OK) 10 mei 1990, NJ 1992/126, ROR 1990, 20 (HSA).
HR 7 oktober 1998, NJ 1999/778, JAR 1998/251, ROR 2000, 4 (NS Reizigers).
Wel is het mogelijk voor de voormalige ondernemingen op grond van art. 15 lid 3 WOR een onderdeelcommissie in te stellen. De positie van een onderdeelcommissie is niet gelijk aan die van een ondernemingsraad. De onderdeelcommissie ontbeert procesbevoegdheid en de individuele leden hebben niet dezelfde faciliteiten als de ondernemingsraadsleden. Bovendien bepaalt de gemeenschappelijke ondernemingsraad welke bevoegdheden worden gedelegeerd zonder dat het personeel van de onderdelen hierop invloed heeft. Deze consequenties zijn overigens hetzelfde indien de onderdeelcommissie is ingesteld bij een ondernemingraad
Beschikking van de Minister van Sociale Zaken 4 juli 1974, nr. 21336, SMA 1974, p. 50 en Beschikking van de Minister van Sociale Zaken 27 november 1975, nr. 108607, SMA 1976, p. 258.
Beschikking van de Minister van Sociale Zaken 30 juni 1980, nr. 20351.
Ktr. Rotterdam 3 maart 2011, JAR 2011/233 m.nt. Zaal (Stichting Hefgroep).
Ktr. Haarlem 8 april 2013, JAR 2013/151 (Baker Hughes).
De Nederlandse ondernemingsraad ontleent bevoegdheden aan de WOR. De toepassing van de WOR is gekoppeld aan het ondernemingsbegrip. Art. 1 lid 1 (c) WOR definieert de onderneming als een ‘in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin krachtens arbeidsovereenkomst of krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht’. De reikwijdte van de WOR is territoriaal bepaald tot Nederland en daarom alleen van toepassing indien het als zelfstandige eenheid optredende organisatorische verband in Nederland is gelegen. Het ondernemingsbegrip moet worden onderscheiden van het ondernemersbegrip. De ondernemer betreft ingevolge art. 1 lid 1 (d) WOR ‘de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de onderneming in stand houdt’. De ondernemer kan zowel een Nederlandse als een buitenlandse (rechts)persoon zijn.1
De ondernemer is verplicht een ondernemingsraad in te stellen indien hij een onderneming in stand houdt waarin in de regel ten minste 50 personen werkzaam zijn (art. 2 WOR). Deze plicht geldt ten behoeve van het overleg met en de vertegenwoordiging van de in de onderneming werkzame personen. Met de wetswijziging van 1998 is de aanvankelijk geldende tewerkstellingsdrempel van 35 verhoogd tot 50. De tewerkstellingsdrempel van 50 heeft geen wijziging ondergaan als gevolg van Richtlijn 2002/14/EG. De Nederlandse wetgever achtte dit niet nodig omdat de WOR aansluit bij het niveau van de onderneming en ook Richtlijn 2002/ 14/EG voor de onderneming een tewerkstellingsdrempel van 50 werknemers hanteert.2 Deze redenering is gebaseerd op een puur tekstuele uitleg. Het feit dat de WOR net als Richtlijn 2002/14/EG de term onderneming hanteert, betekent echter niet dat beide begrippen een gelijke betekenis hebben. Bij de totstandkoming van een richtlijn zijn meerdere lidstaten betrokken waardoor de begrippen niet vanuit een puur nationaal perspectief kunnen worden uitgelegd.
In hoofdstuk 2.6.2 heb ik vastgesteld dat de Europese wetgever met het ondernemingsbegrip in Richtlijn 2002/14/EG doelde op een publieke of private rechtspersoon. In zijn reactie op vragen van leden van de ChristenUnie onderkende de toenmalige Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dit overigens ook. Opmerkelijk genoeg gebruikt hij die redenering vervolgens ter rechtvaardiging van zijn stelling dat de Nederlandse WOR met Richtlijn 2002/14/EG in lijn is.3 Begrijp ik het goed, dan bedoelde de Minister te zeggen dat het lidstaten is toegestaan het ondernemingsbegrip uit Richtlijn 2002/14/EG ruimer uit te leggen dan is bedoeld. Dit standpunt van de Minister bevreemdt. Een dergelijke uitleg zou lidstaten de mogelijkheid bieden het toepassingsbereik van Richtlijn 2002/14/EG eenvoudig te beperken. De tewerkstellingsdrempel van 50 werknemers is doorgaans minder snel bereikt in een als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband dan in een rechtspersoon waarvan niet één maar meerdere zelfstandige eenheden onderdeel kunnen uitmaken. Bovendien ontneemt deze uitleg iedere betekenis aan het in Richtlijn 2002/14/EG genoemde vestigingsbegrip. Richtlijn 2002/14/EG biedt lidstaten de keuze de bepalingen toe te passen op ondernemingen met 50 of vestigingen met 20 werknemers. Zou men het ondernemingsbegrip inderdaad ruimer kunnen uitleggen, dan valt niet in te zien waarom met betrekking tot vestigingen een lagere tewerkstellingsdrempel is gehanteerd.
Het vestigingsbegrip onderscheidt zich van het ondernemingsbegrip als gehanteerd in de richtlijn doordat een vestiging geen rechtspersoonlijkheid heeft. Het ondernemingsbegrip in de WOR – dat rechtspersoonlijkheid ontbeert – sluit beter aan bij het vestigingsbegrip dan bij het ondernemingsbegrip uit Richtlijn 2002/ 14/EG. De WOR moet daarom geen tewerkstellingsdrempel van 50 maar van 20 werknemers hanteren. Aanpassing van de WOR is overigens niet noodzakelijk. Op basis van art. 3 WOR dient een ondernemer die twee of meer ondernemingen in stand houdt waarin tezamen ten minste 50 werknemers werkzaam zijn een gemeenschappelijke ondernemingsraad in te stellen indien dat bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR in de betrokken ondernemingen. Een richtlijnconforme interpretatie noopt tot toepassing van deze bepaling in de situatie dat een ondernemer diverse zelfstandige eenheden in stand houdt waarin per zelfstandige organisatorische eenheid meer dan 20 maar minder dan 50 werknemers werkzaam zijn.4
De WOR kent de verplichting tot het instellen van een centrale dan wel groepsondernemingsraad indien de ondernemer twee of meer ondernemingen in stand houdt én dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van de wet (art. 33 WOR). De verplichting geldt ook voor in een groep verbonden ondernemers die tezamen twee of meer ondernemingsraden hebben ingesteld. De WOR bevat geen definitie van ‘in een groep verbonden ondernemers’. Het wetsontwerp uit 1979 omschreef in art. 1 lid 1 (g) het begrip als ‘een groep van ondernemers die onderling door zodanige zeggenschapsverhoudingen zijn verbonden dat het handelen of nalaten van een of meer van hen door een of meer andere ondernemers van die groep duurzaam kan worden beheerst’.5 De definitie werd geschrapt met de mededeling dat het, mede ter voorkoming van verwarring, beter was geen definitie in de wet op te nemen. In 2008 oordeelde de Hoge Raad dat een deelneming van meer dan 50% in het geplaatste kapitaal in beginsel leidt tot groepsverbondenheid omdat in dat geval de zeggenschap naar eigen inzicht door de meerderheidsaandeelhouder kan worden bepaald.6 De Hoge Raad sluit evenwel niet uit dat ook bij een belang van 51% de omstandigheden van het geval kunnen maken dat een onvoldoende mate van overwegende zeggenschap bestaat. De beschikking maakt duidelijk dat art. 2:24a BW noch art. 2:24b BW maatgevend is voor de uitleg van het groepsbegrip in de WOR. In zijn noot bij de beschikking merkt Holtzer op dat de invulling van het groepsbegrip in het medezeggenschapsrecht is overgelaten aan de omstandigheden van het geval, waarbij de power to control de doorslag geeft.7 Ik sluit mij bij hem aan.
De centrale dan wel groepsondernemingsraad is bevoegd bij aangelegenheden van gemeenschappelijk belang voor alle of de meerderheid van de ondernemingen waarvoor hij is ingesteld. Daarnaast beschikt de centrale dan wel groepsondernemingsraad over eigen bevoegdheden met betrekking tot het concernbeleid respectievelijk het beleid van de ondernemingen waarvoor de groepsondernemingsraad is ingesteld. Gedacht kan worden aan een besluit van de moeder tot het aangaan van een grensoverschrijdende fusie (vgl. paragraaf 7.2.3.7). Op grond van art. 35 WOR is de centrale dan wel groepsondernemingsraad in plaats van de afzonderlijke ondernemingsraden bevoegd als het gaat om aangelegenheden die van gemeenschappelijk belang zijn voor alle – of voor de meerderheid van de – tot de groep behorende ondernemingen. Men spreekt wel van exclusieve werking.8 Dat neemt niet weg dat ondernemer(s) en ondernemingsraden in een ondernemingsovereenkomst kunnen afspreken dat bepaalde kwesties op centraal niveau én op afzonderlijk ondernemingsniveau worden behandeld (art. 32 WOR). Het wettelijke systeem laat bovendien ruimte voor advisering enerzijds door de centrale dan wel groepsondernemingsraad over aangelegenheden van gemeenschappelijk belang en advisering anderzijds door de afzonderlijke ondernemingsraad over het (uitvoerings) besluit dat slechts van belang is voor de afzonderlijke onderneming.9 Het adviesrecht van de afzonderlijke ondernemingsraad heeft dan betrekking op de uitwerking van het beginselbesluit op meer concrete onderdelen (zie nader paragraaf 7.2.3.4).
De ondernemer is verplicht tot het instellen van een gemeenschappelijke ondernemingsraad indien een dergelijke structuur de toepassing van de WOR bevordert (art. 3 WOR). De ondernemer voegt dan een aantal activiteiten voor de toepassing van de WOR samen tot één onderneming in de zin van de WOR en stelt voor die onderneming een gemeenschappelijke ondernemingsraad in. De samengevoegde ondernemingen worden voor de toepassing van de WOR beschouwd als één onderneming. De verplichting afzonderlijke ondernemingsraden in te stellen komt te vervallen.10 Een gemeenschappelijke ondernemingsraad kan een oplossing zijn voor de situatie dat één ondernemer of een groep van ondernemers meerdere ondernemingen in stand houdt die zo sterk met elkaar samenhangen dat instelling van afzonderlijke ondernemingsraden weinig zin heeft, omdat hetzij de omvang hetzij de werkzaamheden die deze ondernemingsraden verrichten te gering is.11 De ondernemer kan ook tot instelling gehouden zijn indien twee of meer ondernemingen afzonderlijk niet, maar gezamenlijk wel aan het getalscriterium van art. 2 WOR voldoen.12 Deze plicht kan voortvloeien uit een richtlijnconforme interpretatie van Richtlijn 2002/14/EG (zie hiervoor). Een voorbeeld van een situatie waarin de instelling van een gemeenschappelijke ondernemingsraad niet bevorderlijk werd geacht voor de toepassing van de WOR, biedt de uitspraak van de kantonrechter Rotterdam van 3 maart 2011.13 De ondernemer wilde vooruitlopend op de integratie van de activiteiten van verschillende ondernemingen een gemeenschappelijke ondernemingsraad instellen. De kantonrechter overwoog dat het centralisatieproces nog niet het stadium had bereikt dat instelling van een gemeenschappelijke ondernemingsraad bevorderlijk was voor de toepassing van de WOR. Vanwege de nauwe verbondenheid tussen de afzonderlijke ondernemingen achtte de kantonrechter Haarlem in zijn uitspraak van 8 april 2013 de instelling van een gemeenschappelijke ondernemingsraad wel bevorderlijk voor de toepassing van de WOR.14