Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/12.3.2:12.3.2 Inschakeling deskundigen ten behoeve van de toetsing
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/12.3.2
12.3.2 Inschakeling deskundigen ten behoeve van de toetsing
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dat rechters moeite hebben met het beoordelen van het waarheidsgehalte van verklaringen manifesteert zich in zedenzaken waarin bij twijfel over de verklaring van een mogelijk slachtoffer in toenemende mate deskundigen worden ingeschakeld ten behoeve van de beoordeling van de geloofwaardigheid.1 Of rechters dat doen omdat zij zelf de noodzakelijke kennis ontberen of omdat het deskundigenonderzoek een potentieel extra bewijsmiddel kan opleveren (opdat bij bewijsnood het wettelijk bewijsminimum kan worden gehaald), is niet duidelijk. Wel is duidelijk dat er in dit opzicht een behoefte bestaat. In de literatuur wordt ook wel het belang benadrukt van inschakeling van deskundigen bij de beoordeling van getuigenverklaringen.2 Volgens Jelicic en Merckelbach is een van de fouten die rechters in dit verband kunnen maken dat zij denken voldoende kennis te bezitten en derhalve nalaten een beroep te doen op een deskundige. Jelicic en Merckelbach verwijzen daarbij naar Noors onderzoek waaruit blijkt dat ook rechters slechts beperkte kennis hebben voor wat betreft de factoren die de accuratesse van het geheugen ondermijnen. Zij stellen daarom dat het in zaken waarin het geheugen van getuigen ter discussie staat, het verstandig is om deskundigen te benoemen. Zij merken op:
‘dat (...) rechtspsychologen heel wat te melden hebben over hoe goed ooggetuigen zich frequenties (hoe vaak is het gebeurd?), de snelheid van voertuigen, de toedracht van ongevallen, of het tijdsverloop (hoeveel tijd zat er tussen X en Y?) kunnen herinneren. Die kennis kan in voorkomende gevallen informatief zijn voor rechters’.3
Het probleem bij de inschakeling van deskundigen ten behoeve van de beoordeling van de geloofwaardigheid van getuigenverklaringen is dat een sluitende methode voor het vaststellen van de waarheidsgetrouwheid van een verklaring ontbreekt. Daardoor kunnen deskundigen veelal niet de mate van zekerheid bieden die de rechter verlangt. Wel kan de deskundige een oordeel geven over de wijze waarop de getuige is gehoord en signaleren als er fouten zijn gemaakt. Er is immers het nodige bekend over de gevolgen van sommige fouten voor de diagnostische waarde. Voor de inschatting van de geloofwaardigheid van door slachtoffers afgelegde belastende verklaringen wordt soms wel gebruikgemaakt van de criteria based content analysis. Echter, zoals in het zesde hoofdstuk duidelijk werd, kleven er ook nadelen aan deze methode. Zo is de diagnostische waarde van de methode laag en bestaat er geen overeenstemming onder vakgenoten in hoeverre deze methode ook bij volwassenen kan worden gehanteerd.
Indien de bewijsconstructie staat of valt met de waarheidsgetrouwheid van een verklaring van een getuige (veelal het slachtoffer) en de rechter vraagt de deskundige hier een oordeel over te geven, dan komt de zogenaamde ultimate issue problematiek om de hoek kijken. De ultimate issue rule is afkomstig uit het Amerikaanse recht en houdt in dat deskundigen zich niet op het terrein van de rechter mogen begeven en zich moeten onthouden van (indirecte of directe) uitspraken over de vraag of de verdachte schuldig is aan hetgeen hem wordt verweten, de ultimate issue. Nu kent het Nederlandse recht niet uitdrukkelijk een dergelijke regel, maar algemeen wordt aangenomen dat de deskundige niet op de stoel van de rechter mag gaan zitten. En omgekeerd wordt aangenomen dat de rechter op zijn beurt de beslissing over de schuldvraag niet aan de deskundige mag delegeren. Dit gevaar ligt echter wel op de loer, met name in zedenzaken waar ander bewijs ontbreekt. Praktisch bezien wordt – in gevallen waarin het belastend bewijs hoofdzakelijk bestaat uit de verklaring van het slachtoffer – met de beoordeling van de geloofwaardigheid van de desbetreffende verklaring een oordeel gegeven over de schuld of onschuld van verdachte. Dit is bij dit type onderzoek in zekere zin onvermijdelijk, maar daarmee niet minder problematisch.
De ultimate issue problematiek wordt versterkt in de gevallen waarin de deskundige ter beoordeling van de verklaring het hele dossier krijgt aangeleverd. Dit geschiedt veelal opdat de deskundige zich een oordeel kan vormen over de totstandkoming van de verklaring, hetgeen van groot belang is voor het uiteindelijke resultaat. In zijn afscheidsrede in 2000 heeft Crombag reeds aangegeven dat de opdracht aan de deskundige vaak te eenzijdig is en dat hem gevraagd zou moeten worden om in gevallen waarin verschillende getuigen elkaar tegenspreken, deze verklaringen tegen elkaar af te wegen. Zelf neemt hij in zijn rapporten de vrijheid ‘om een te beperkte onderzoeksopdracht van de rechter eigenzinnig te verruimen tot al die onderdelen van het dossier waarvan “mijn wetenschap mij leert” dat zij voor de rechterlijke afweging van belang zouden kunnen zijn’.4 Van Koppen stelt in dit verband dat het in sommige zaken welhaast onvermijdelijk is om het gehele dossier in de beschouwingen te betrekken en vooruit te lopen op de beslissing van de rechter.5 De wijze van rapporteren (en de stelligheid van de conclusies) speelt ook een rol als het gaat om de ultimate issue problematiek. Sommige deskundigen stellen uitsluitend dat er geen indicaties zijn dat de verklaring niet klopt, anderen gaan verder en verbinden daaraan de conclusie dat de verklaring juist (betrouwbaar) moet zijn.6 Dit laatste is echter een gevolgtrekking die dient te worden overgelaten aan de rechter zelf (en waarvan men zich kan afvragen of die – in het licht van eerder besproken onderzoeksresultaten – wel valt te trekken).