Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/3.2.1
3.2.1 Leerstuk van interpretatieve terughoudendheid
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS457609:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vermeulen, R&R 1992-21, p. 35.
HR 15 februari 1957, NJ 1957, 201. Zie hierover Santing-Wubs 2002.
Tahzib-Lie 2008, p. 51. Zie ook annotatie Boon, ARRS 7 April 1983, AB 1983, 430 (Antroposofische arts).
Het is bijvoorbeeld onacceptabel wanneer een rechter de Koran raadpleegt om uit te zoeken of het verplichte gemengde schoolzwemmen in strijd is met de islam. Zie Conclusie A.G. Fokkens bij HR 26 mei 1992, NJ 1992, 568, m.nt. A.C. ’t Hart. De rechtbank in eerste aanleg maakte zich in dit geval wel schuldig aan de schending van het leerstuk van interpretatieve terughoudendheid. Zie uitgebreid noot 38 in 18.4.
EHRM 3 december 2009 (ontv.), nr. 40010/04 (Skugar e.a. v Rusland), gedeelte D.
EHRM 15 januari 2013, nr. 48420/10, EHRC 2013/67 (Eweida and Others v United Kingdom). Het EHRM verwijst naar: Manoussakis and Others v Greece, judgment of 26 September 1996, Reports 1996-IV, p. 1365, § 47; Hasan and Chaush v Bulgaria [GC], no. 30985/96, § 78, ECHR 2000-XI; Refah Partisi (the Welfare Party) and Others v Turkey [GC], nos. 41340/98, 41342/98, 41343/98 and 41344/98, § 1, ECHR 2003-II).
In de Amerikaanse rechtspraktijk wordt het leerstuk de ‘Religious Question Doctrine’ genoemd. Zie hierover: Gedicks, The George Washington Law Review 2017, p. 94-151.
In EHRM-context ook wel Arrowsmith-test genoemd. Zie 2.2.4-2.2.5.
Zie reeds annotatie Boon, ARRvS 7 April 1983, AB 1983, 430 (Antroposofische arts); Murdoch 2012, p. 23; Brems 2003, p. 1-19, op p. 8; Cumper 2001, p. 311-328, op p. 320-325; Cumper 2007, p. 195-210, op p. 207-208; Evans 2009, p. 12; Martínez-Torrón& NavarroValls 2004, p. 207-238, op p. 229-230; Ahdar & Leigh 2005, p. 164-165; en Vickers 2008, p. 98.
Het juridische begrip van godsdienst en van levensbeschouwing wordt gecompliceerd door het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat. Dit beginsel heeft in Nederland geleid tot het leerstuk van interpretatieve terughoudendheid.1 Het is voor het eerst geformuleerd in het arrest van de kerkscheuring te Hasselt.2 Hierin werd door de oude (synodale) gereformeerde kerk gevorderd dat door de afgescheiden (vrijgemaakte) kerk afstand werd gedaan van de kerkgoederen zoals het kerk- en schoolgebouw. De afgescheiden kerk stelde echter als verweer dat zij de voortzetting was van de oorspronkelijke kerk omdat de oude kerk qua religieuze leer was afgedwaald. Dit leverde de vraag op naar de theologische gebondenheid van de afgescheiden kerk aan de oude kerk. De rechter overwoog in dit kader dat het hem niet vrijstaat om over dogmatische en theologische leerstellingen te oordelen. Uit deze zaak volgde het algemene uitgangspunt dat de rechter geen supertheoloog is en zich in geloofskwesties terughoudend moet opstellen.3 Dit uitgangspunt heeft brede toepassing gekregen binnen het recht.4
Het leerstuk van de interpretatieve terughoudendheid heeft ook betrekking op levensovertuiging. Hoewel er niet zoiets bestaat als een beginsel van ‘scheiding tussen levensovertuiging en staat’ vergt de gelijkstelling van godsdienst en levensovertuiging dat de staat zich ook terughoudend opstelt ten aanzien van inhoudelijke levensbeschouwelijke kwesties. De rechter moet bijvoorbeeld in het geval van een antroposofische levensovertuiging terughoudend zijn in het interpreteren van het werk van Rudolf Steiner.
In de jurisprudentie van het EHRM komen we het leerstuk van interpretatieve terughoudendheid in andere bewoordingen ook tegen. In Tamara Skugar e.a. v Rusland legde het EHRM uit dat het niet zijn taak is:
‘(...) to evaluate the legitimacy of religious claims or to question the validity of relative merits of interpretation of particular aspects of beliefs or practices. It is ill-equipped to delve into discussions about the nature and importance of religious beliefs, for what one person holds as sacred may be absurd or anathema to another and no legal or logical argument can be invoked to challenge a believer’s assertion that a particular belief or practice is an important element of his religious duty.’5
Het EHRM koppelt deze terughoudende benadering aan de vereiste neutraliteit van de staat. Met regelmaat overweegt het dat:
‘(…) the State’s duty of neutrality and impartiality is incompatible with any power on the State’s part to assess the legitimacy of religious beliefs or the ways in which those beliefs are expressed’.6
Met andere woorden, de neutraliteit van de staat vereist dat de staat zich niet waarderend mag uitlaten over de legitimiteit van godsdienst in het algemeen en in het bijzonder over de legitimiteit van een specifieke godsdienst en de daarbij behorende manifestaties.7
Overigens hebben het EHRM en de nationale rechter in het leerstuk van interpretatieve terughoudendheid geen beletsel gezien voor de ontwikkeling van de (in 2.2.5 besproken) regel die stelt dat de uitoefening van levensovertuiging of het belijden van godsdienst slechts dan wordt beschermd indien sprake is van een directe expressie van godsdienst of levensovertuiging.8 Dat is problematisch aangezien men, voordat men in staat kan zijn te bepalen of een uiting of gedraging een directe expressie is van de betreffende godsdienst of levensovertuiging, de godsdienst of de levensovertuiging zal moeten duiden. Het is maar de vraag of dit kan geschieden zonder dat men in strijd komt met het leerstuk van interpretatieve terughoudendheid. Men zal zich toch een beeld moeten vormen van de betreffende godsdienst of levensovertuiging om vervolgens te kunnen beoordelen of de betreffende uiting of gedraging kan worden gekwalificeerd als een directe expressie daarvan.9