Einde inhoudsopgave
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/5.4.1
5.4.1 Beschouwing – Scheme of Arrangement
mr. drs. S.W. van den Berg, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
mr. drs. S.W. van den Berg
- JCDI
JCDI:ADS620495:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Re United Provident Assurance Company Ltd [1910] 2 Ch 477; Sea Assets Ltd v Perusahaan Perseroan (Persero) PT Perusahaan Penerbanguan Garuda Indonesia [2001] EWCA Civ 1696.
Een klasse heeft vóór gestemd indien i) een gewone meerderheid van de crediteuren die een stem hebben uitgebracht vóór heeft gestemd (head count) en ii) deze meerderheid gezamenlijk 75% van het bedrag vertegenwoordigt van de vorderingen van de crediteuren van de desbetreffende klasse die een stem hebben uit-gebracht.
Voor voorbeelden verwijs ik naar McCarthy & Stone, Wind Hellas, My Travel, en IMO Car Wash. Zie: K. Asimacopoulos e.a., European Debt Restructuring Handbook, Globe Business Publishing Ltd 2013.
Re Bluebrook Ltd (IMO Car Wash) [2009] EWHC 2114 (Ch), § 7 (vi): “The schemes do not themselves provide for the transfer of assets. As was pointed out, it would technically have been possible to have achieved the same result as that achieved by the schemes and the overall arrangements without the necessity for a scheme of arrangement had all the Senior Lenders been in agreement and participated. However, because a small minority does not agree, a scheme becomes necessary.”
Re Bluebrook Ltd (IMO Car Wash) [2009] EWHC 2114 (Ch), § 10: “They say that the schemes are unfair because they unfairly prejudice them. (…) Further, they say that the Schemes should not be sanctioned because the overall arrangements shut out the Mezzanine Lenders from any prospect of benefiting from the assets, and there are sufficient prospects of their having an economic value in them as to lead to their not being ignored in this way.” Zie ook: J. Payne, Schemes of Arrangement, Cambridge University Press, 2014, p. 43-45 en p. 190.
Re Bluebrook Ltd (IMO Car Wash) [2009] EWHC 2114 (Ch), § 26: “The schemes do not involve the Mezzanine Lenders (…) their legal rights are unaffected. The Mezzanine Lenders therefore cannot, and do not, complain as persons whose legal rights are being altered by the schemes in some unfair way. However, they are still entitled to object as creditors on grounds of unfairness if the schemes unfairly affect them in ways other than altering their strict rights.”; G. O’Dea, Schemes of Arrangement, Oxford University press, 2012, p. 144.
Re Mytravel Group Plc [2004] EWHC 2741, § 55.
Vgl. Re Tea Corporation [1904] 1; In re Oceanic Steam Navigation Company Ltd. [1939] Ch 41; E.W. Purcell, A. Boyce, ‘The Courts Speak on Valuation in Restructurings: IMO Car Wash, SAS and Wind Hellas Lessons’, International Corporate Rescue, Volume 7, Issue 2, 2010, p. 129.
Re Bluebrook Ltd (IMO Car Wash) [2009] EWHC 2114 (Ch), § 13.
Re Bluebrook Ltd (IMO Car Wash) [2009] EWHC 2114 (Ch), § 30.
Re Bluebrook Ltd [2009] EWHC 2114, § 40 (“(...) for the purposes of this case, and in order to assess the fairness of the schemes, a going concern value is appropriate (...) none of the valuations produced for the scheme companies is in fact a liquidation value in the sense of a break-up valuation. All of the valuations seek to answer the question of what a purchaser would be likely to pay now for the business, and they adopt different techniques for that purpose.”).
Re Bluebrook Ltd [2009] EWHC 2114, § 43.
Re Bluebrook Ltd [2009] EWHC 2114 (Ch), § 49.
G. O’Dea, Schemes of Arrangement, Oxford University press, 2012, p. 144;R. Olivares-Caminal e.a., Debt Restructuring, 2011, p. 166.
De Scheme is een gerechtelijk dwangakkoord dat buiten een formele insolventieprocedure tot stand kan komen. De regeling is niet ondergebracht in de Engelse Faillissementswet maar in de Companies Act 2006 (art. 895-899). Daardoor kan de Scheme ook voor solvabele ondernemingen worden gebruikt. Ten opzichte van Chapter 11 is de Scheme niet slechts gericht op ondernemingen in financiële moeilijkheden.
Samengevat is de procedure voor de totstandkoming van een Scheme als volgt. De schuldenaar dient bij de rechter een verzoek in om een vergadering bijeen te roepen waarin op een voorstel voor een akkoord kan worden gestemd. Indien de rechter dit verzoek toewijst, vindt vervolgens tijdens de daartoe bijeengeroepen vergadering een stemming plaats.1 Voor de stemming worden klassen van verschillende vermogensverschaffers ingericht. Als de Scheme geen wijzigingen aanbrengt in de rechten van een vermogensverschaffer, hoeft deze ook niet bij de stemming te worden betrokken.2 Indien de rechter het akkoord tijdens een tweede zitting goedkeurt, treedt het akkoord (na deponering bij de Engelse Kamer van Koophandel) in werking. Een Scheme kan alleen worden aangenomen als iedere stemgerechtigde klasse (waarvan de rechten worden gewijzigd) vóór heeft gestemd.3 Hiermee worden de tegenstemmende minderheden binnen iedere klasse gebonden.
Dat een Scheme slechts kan worden aangenomen als iedere klasse voor stemt heeft belangrijke gevolgen. Zo kan de Engelse rechter het akkoord niet homologeren als één of meer klassen het voorgestelde akkoord hebben verworpen. De Scheme kent dus geen cram down van een tegenstemmende klasse van vermogensverschaffers.
Toch wordt de Scheme wel toegepast als onderdeel van een herstructureringsstrategie met de facto hetzelfde resultaat. De Scheme wordt dan gecombineerd met een executietraject of een “pre-packaged administration”, ookwel een “transfer scheme” genoemd.4 Door de pre-pack worden de activa van de vennootschap overgedragen aan een andere vennootschap, “newco”, waarin slechts vermogensverschaffers een belang krijgen (aandelen of schuldinstrumenten) die daartoe op grond van de waarde van de onderneming gerechtigd zijn (de “in the money” vermogensverschaffers). Zoals ik hierna toelicht gaat het in het Engelse systeem bij de waarde om de ondernemingswaarde gebaseerd op de verkoopopbrengst: de “Business Realisation Proceeds”.
Hoewel de Engelse rechter niet de term reorganisation value hanteert, speelt de reorganisatiewaarde naar mijn idee wel een rol bij de financiële herstructurering. De vermogensverschaffers die de onderneming continueren zullen deze analyse namelijk zelf hebben uitgevoerd om te zien welk rendement zij kunnen verwachten. De kopende vennootschap continueert de onderneming immers met een gereorganiseerde vermogensstructuur, lagere disconteringsvoet en verbeterd toekomstperspectief (en bijbehorende geschatte kasstromen). De vermogensverschaffers die op grond van hun juridische rang en de waardering van de onderneming geen aanspraak maken op de (reorganisatie)waarde van de onderneming (en dus “out the money” zijn; zie paragraaf 3.2.6) houden hun ongewijzigde vermogensrechten op een entiteit zonder activa. Een Scheme is bij deze transactie niet noodzakelijk maar kan, voorafgaand aan de pre-pack, worden toegepast als een minderheid (van een bepaalde klasse in the money vermogensverschaffers) niet bereid is om mee te werken aan het akkoord.5
In een Scheme procedure wordt waardering voor de behandelende rechter relevant als vermogensverschaffers die niet mogen stemmen (omdat hun vermogenspositie onder de Scheme onaangetast blijft) wel tegen de Scheme bezwaar maken. Dit bezwaar kan inhouden dat de Scheme op “unfair grounds” wordt doorgevoerd en hun rechten worden aangetast.6 De schuldeiser moet dan aantonen dat hoewel zijn rechten niet worden gewijzigd op grond van de Scheme zelf (hij houdt immers een ongewijzigde vordering op de debiteur), er toch redenen zijn dat de Scheme zijn vermogenspositie nadelig beïnvloedt en dat de rechter niet over moet gaan tot homologatie.7 Een reden kan zijn dat de met de Scheme gecombineerde pre-pack er uiteindelijk toe leidt dat de betreffende crediteur slechts een vordering houdt op een vennootschap zonder activa.
De rechter dient vervolgens te beoordelen of de betreffende crediteur een “economic interest” heeft in de onderneming:
“The next question is the question of the hypothesis on which it has to be calculated whether the bondholders have an economic interest.”8
Ik heb in paragraaf 3.2.6 uiteengezet waarom het spreken van “economic interest” of een “economisch belang” vanuit financieel-economisch perspectief niet mijn voorkeur heeft. Het gaat er volgens mij om te beoordelen of een vermogensverschaffer op grond van de voor de herstructurering gemaakte waardering aanspraak maakt op de ondernemingswaarde.9 In paragraaf 5.3 heb ik betoogd dat de waardering moet uitgaan van de reorganisatiewaarde. Als de vermogensverschaffer op grond van de waardering geen waarde (vermogenspositie) toekomt, dan verklaart de rechter het bezwaar ongegrond. Als dat wel zo is, zal de rechter niet tot homologatie overgaan. Aangezien de betrokken partijen hierbij tegengestelde belangen hebben (namelijk het voorkomen van de Scheme versus de implementatie ervan) leidt dit tot een waarderingsdiscussie, een zogenoemde “valuation fight”. Op grond van welke waarde dient over dit gevecht te worden geoordeeld?
In Bluebrook Ltd (IMO Car Wash) [2009] EWHC 2114 is een waarderingsrapport opgesteld voor de “insolvency practitioner in waiting”, die voor de pre-pack zou worden benoemd. De waarderingsopdracht luidde om de hiervoor genoemde “Business Realisation Proceeds” te schatten, een ondernemingswaarde gebaseerd op de verkoopopbrengst (“the amount that the business is expected to realise in a sale at the current time”).10 De rechter overwoog in dit verband dat hiervoor de “intrinsic value” van de onderneming moest worden gewaardeerd.11 In Bluebrook Ltd [2009] EWHC 2114 waren de belanghebbenden het erover eens dat voor de schatting van de intrinsic value moest worden uitgegaan van de going concern veronderstelling en niet van de veronderstelling dat de onderneming wordt geliquideerd.12
In Bluebrook Ltd [2009] EWHC 2114 overlegden de partijen die voor de Scheme waren waarderingsrapporten gebaseerd op de volgende waarderingsmethoden: Discounted Cash Flow analyse, Leveraged Buy Out analyse en een Multiples analyse. De schuldeiser die tegen de Scheme was overlegde een waarderingsrapport dat uitging van de Monte Carlo simulatie. De rechter overwoog – kort gezegd – dat de eerste drie waarderingsmethoden realistischer zijn:
“I have already observed that the three exercises conducted for the boards were intended to derive a present value in the sense of the sort of money that a purchaser would pay. They all have their drawbacks, but they are aimed to the same end. Where it is necessary to make assumptions for the purposes of the exercises, those conducting them tend to have made assumptions based on professional and expert judgments as to which are appropriate in the circumstances (those judgments sometimes encompassing a limited range). The LEK (SvdB: Monte Carlo) valuation is different. Its end result is a statistical analysis, conducted by a computer, in order to assess the statistically most likely outputs for variations in a range of inputs which can be quite wide. It does not involve the sort of judgments that a more traditional valuation requires. That is not to say that there is no judgment at all involved. Judgment is involved in selecting the ranges. Mr Chivers suggested that there was some judgment applied in selecting some weighting within the range, but I confess that I cannot see that in any of the supporting evidential material.”13[onderstreping SvdB]
De waarderingsmethode van de Monte Carlo simulatie is een variant van de DCF-methode. De kritiek van de Engelse rechter zag dus niet zozeer op de onderliggende systematiek van de DCF-methode, maar op de toepassing daarvan door middel van de Monte Carlo simulatie. Waar bij de DCF- methode een beperkte scenario-analyse plaatsvindt, vindt bij de Monte Carlo methode beknopt weergegeven op grond van een computersimulatie een veelvoud van scenario-analyses plaats. De kritiek ziet daarbij meer op de onderbouwing van de input en de transparantie van de uitkomst van een computersimulatie dan op het feit dat het een afgeleide van de DCF- methode is.
Zoals weergegeven hanteerde de rechter de “intrinsic value” als uitgangspunt. De genoemde methoden (DCF-waardering, LBO-waardering, Multiples analyse en de Monte Carlo simulatie) zijn allemaal een toepassing van dat begrip. Dit begrip houdt naar mijn idee de economische waarde in (zie paragraaf 3.2.3) en moet niet worden verward met het waardebegrip uit de financial accounting, de intrinsieke waarde. De Monte Carlo simulatie zou in andere situaties wellicht wel een juiste waarderingsmethode zijn:
“(…) Are the purchasers in fact getting too a good deal (too much unfair value) because in the present market sales are unlikely to take place, and when economic conditions change the same group will be perceived to be more valuable, and the purchasers will ultimately reap the benefit of that? This is not quite the way the case is put, but I can see that in some circumstances it might be. It is, I suppose, another analysis of the “intrinsic value” which is said to differ from current market value.” 14[onderstreping SvdB]
De Engelse rechter geeft volgens mij weer dat op het moment van beoordeling van de Scheme er sprake kan zijn van een (tijdelijke) onderwaardering van de onderneming. De Engelse rechter lijkt te overwegen dat onder omstandigheden kan worden uitgegaan van een ondernemingswaarde met een business case die gunstiger is dan de huidige schattingen (“and when economic conditions change the same group will be perceived to be more valuable”). Deze hogere waarde is een waarde die rekening houdt met een additioneel (speculatief) “upside potential” dat aan de vermogensverschaffers, die de onderneming continueren, kan toekomen. Dit upside potential houdt dus een extra stijging van de verwachte kasstroom in.Hoewel de Engelse rechter overwoog dat deze alternatieve waarde geen centrale rol speelde in Bluebrook Ltd [2009] EWHC 2114, sloot de rechter niet uit dat er gevallen zijn waarin dit begrip wel een rol kan spelen bij de beoordeling van de vraag of een bepaalde crediteur economisch belang heeft in de onderneming.