Voor risico van de ondernemer
Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/5.3:5.3 Effect: relativering van de criteria daad en daderschap
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/5.3
5.3 Effect: relativering van de criteria daad en daderschap
Documentgegevens:
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS714025:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Klaassen 2000, p. 12, die eerder al schreef dat er een tendens is om kennis en gedrag van functionarissen die namens een organisatie optreden vrij snel aan de organisatie toe te rekenen. Vgl. De Valk 2009, p. 534.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 5.2 is uiteengezet dat het daads- en daderschapscriterium afwezig is bij de kwalitatieve aansprakelijkheden. In plaats van een dader, is wel sprake van een normadressaat. Ten aanzien van verscheidene kwalitatieve aansprakelijkheden is de normadressaat een ondernemer. De vraag rijst wat het effect is van de afwezigheid van het daads- en daderschapscriterium. De gedachte kan opkomen dat de lat voor aansprakelijkheid lager ligt. De benadeelde hoeft immers niet te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat de aangesproken partij een onrechtmatige gedraging heeft verricht. Ook vormt de toerekenbaarheid geen obstakel voor de vestiging van aansprakelijkheid. Het voorgaande moet echter genuanceerd worden. Het partijdebat wordt namelijk verschoven naar de kwaliteit van de laedens en, in het geval van de aansprakelijkheden voor gebrekkige zaken (art. 6:173, 6:174 en 6:185 BW) de toestand van de zaak of, in het geval van de aansprakelijkheid voor anderen (art. 6:170 BW) de relatie met de schadeveroorzakende persoon. Het is niet in algemene zin te zeggen of dit een makkelijker debat is.
Voor de vestiging van aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW moet, zoals gezegd, wel zijn voldaan aan het daads- en het daderschapscriterium. In paragraaf 5.2 is betoogd dat de hoedanigheid van rechtspersoon-ondernemer meeweegt bij de concretisering van de verkeersopvattingen (het Babbel-criterium). De vraag is wat het effect hiervan is. Mijns inziens leidt dit tot een relativering van de daads- en daderschapscriteria. Bij de vaststelling van het daderschap, en daarmee de aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW, komt namelijk veel gewicht toe aan omstandigheden die weinig met de persoon van de fysiek verrichter te maken hebben. Het gaat dan om: het feit dat de gedraging past binnen de normale ondernemingsactiviteiten; de omstandigheid dat de rechtspersoon profijt heeft gehad van de gedraging; en de aard van de rechtspersoon, met name de interne structuur en omvang van de organisatie. Een relativering van het daderschapsvereiste is ook terug te zien bij de vaststelling van daderschap bij ‘structurele fouten’. Het is niet ondenkbaar dat met de relativering van de daads- en daderschapscriteria de lat voor aansprakelijkheid lager komt te liggen.1 Om deze conclusie te kunnen trekken is (meer) empirisch onderzoek nodig, die het bestek van dit proefschrift te buiten gaat.