Voor risico van de ondernemer
Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/5.1:5.1 Inleiding
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/5.1
5.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS714033:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Par. 1.6.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit hoofdstuk behandelt de vraag wat de betekenis is van de hoedanigheid van ondernemer voor de beoordeling en de inkleuring van het daads- en daderschapscriterium. Deze vraag valt uiteen in drie deelvragen. Ten eerste is het de vraag welke ruimte de rechter heeft om de hoedanigheid van ondernemer mee te wegen bij het vaststellen van daad en daderschap (paragraaf 5.2). Voor vestiging van de aansprakelijkheid op grond van de kwalitatieve aansprakelijkheden hoeft geen sprake te zijn van een daad of van daderschap. De aansprakelijkheden sluiten aan bij een onrechtmatige toestand. Dit is anders voor de vestiging van de aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad. De hoedanigheid van ondernemer zorgt ervoor dat het criterium voor de vaststelling van het daderschap (de verkeersopvattingen) onder omstandigheden een andere invulling krijgt als de laedens een rechtspersoon is. Ten tweede is het de vraag wat het effect is van het meewegen van de hoedanigheid van ondernemer bij het vaststellen van daad en daderschap (paragraaf 5.3). Ik betoog dat de hoedanigheid van ondernemer in het kader van art. 6:162 BW leidt tot een relativering van het daderschapsvereiste. Ten derde is het de vraag wat de rechtvaardiging is voor deze relativering (paragraaf 5.4). Ik introduceer het ondernemersrisicobeginsel als grondslag. In het vorige hoofdstuk is voornamelijk de term ‘rechtspersoon’ gehanteerd, in dit hoofdstuk wordt deze term afgewisseld met de term ‘ondernemer’.1