Startinformatie in het strafproces
Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/13.4.3.2:13.4.3.2 Wetgeving voor het proces van datamining
Startinformatie in het strafproces 2014/13.4.3.2
13.4.3.2 Wetgeving voor het proces van datamining
Documentgegevens:
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ten tweede is zichtbaar geworden dat de controle op het proces van datamining niet voldoet. Het proces van dataming kan tot gevolg hebben dat op basis van verouderde en/of onjuiste gegevens een strafrechtelijk onderzoek wordt gestart en kan ook ertoe leiden dat ten onrechte conclusies worden verbonden aan (geautomatiseerd) samengebrachte informatie waardoor een onschuldige burger met (in de toekomst wellicht zelfs preventief) strafvorderlijk optreden wordt geconfronteerd. Het voorgaande dwingt ertoe dat altijd een menselijke toets plaatsvindt na afloop van het proces van datamining. Dat wil zeggen dat moet worden bekeken of daadwerkelijk strafvorderlijke consequenties behoren te worden verbonden aan de resultaten van datamining of anders geformuleerd datamining wel het vermoeden van strafbaar gedrag doet ontstaan. Er kleven echter ook bezwaren aan datamining die wat verder afstaan van een concrete strafzaak. Dit proces brengt immers met zich dat op grote schaal (privacygevoelige) gegevens van nietverdachte burgers worden doorgelicht door de politie en datamining krijgt nog een geheel andere dimensie als wordt bedacht dat dit proces zich (in de toekomst) ook zou kunnen uitstrekken tot het specifiek (geautomatiseerd) zoeken naar verbanden in geloofsovertuiging, politieke kleur en/of etniciteit en dat op basis hiervan strafrechtelijke onderzoeken worden gestart en strafvorderlijke dwangmiddelen worden ingezet.
Tot op heden wordt legitimatie voor het door de politie en een organisatie als FIU-Nederland uitvoeren van het proces van datamining in de regel gevonden in het algemeen taakstellende art. 3 Politiewet eventueel aangevuld met enkele bepalingen van de Wet Politiegegevens. Ten sterkste kan worden betwijfeld of deze bepalingen wel een voldoende grondslag voor het proces van datamining bieden als wordt bedacht dat uit het tweede lid van art. 8 EVRM de verplichting voortvloeit om privacyschendend overheidshandelen een grondslag te geven in een expliciete wettelijke bepaling. Bovendien is door het gebruikmaken van art. 3 Politiewet en bepalingen van de Wet Politiegegevens als basis voor datamining de iure aan de officier van justitie en/of de r-c geen voorafgaande controlerende rol toebedeeld op de wijze waarop de politie vorm geeft aan het proces van datamining. Het ontbreken van een formeel vastgelegde controlerende rol van de officier van justitie is opmerkelijk als wordt bedacht dat bij het verkennend onderzoek van art. 126gg Sv, dat veel overeenkomsten vertoont met het proces van datamining, wel een toetsende rol voor de officier van justitie is gecreëerd. Gedacht vanuit deze systematiek van de wet is het überhaupt merkwaardig dat datamining niet nader wettelijk is geregeld. Ten slotte is ook duidelijk geworden dat er nauwelijks externe controle op het (inkleden van het) proces van datamining bestaat door de zittingsrechter. Zijn controle is zaaksgerelateerd en versmalt zich bovendien door de toepassing van de Schutznorm tot eventuele, door de verdediging aangedragen, schendingen van de rechten van de verdachte.
De eerder geformuleerde bezwaren die kleven aan (de mogelijke reikwijdte van) het proces van datamining in combinatie met het gebrek aan externe controle roept op tot het opstellen van wetgeving, waarbij het van groot belang is dat de wetgever zich uitlaat over de wijze waarop datamining mag worden ingekleed, welke overheidsfunctionaris hiertoe kan beslissen en de voorwaarden waaronder het proces van datamining door de politie mag worden toegepast. De wetgever moet in dat verband oog hebben voor de integriteitsvraagstukken die datamining (in de toekomst) met zich kan brengen. In het wetgevingsproces kan aansluiting worden gezocht bij de bestaande regeling van het verkennend onderzoek van art. 126gg Sv eventueel in combinatie met de systematiek van art. 126nd e.v. Sv in die zin dat bij ingrijpende vormen van datamining het vereiste van een machtiging van de r-c kan worden gesteld.