Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/5.3.2.5
5.3.2.5 Mircom/Telenet
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955487:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 17 juni 2021, C-597/19, ECLI:EU:2021:492 (Mircom/Telenet), rov. 108-118.
Van belang zijn onder meer de bepalingen over vertrouwelijkheid van communicatie en daarmee verband houdende verkeersgegevens (art. 5, eerste en tweede lid e-Privacyrichtlijn), de verplichting om persoonsgegevens te wissen of te anonimiseren na afloop van de verwerking (art. 6 lid 1 Privacyrichtlijn) en uitzonderingen op deze verwijderingsplicht (art. 15 lid 1 e-Privacyrichtlijn); zie HvJ EU 17 juni 2021, C-597/19, ECLI:EU:2021:492 (Mircom/Telenet), rov. 115.
HvJ EU 17 juni 2021, C-597/19, ECLI:EU:2021:492 (Mircom/Telenet), rov. 119.
HvJ EG 29 januari 2008, C-275/06, ECLI:EU:C:2008:54 (Promusicae), rov. 70.
Zulke adressen zijn volgens vaste rechtspraak verkeersgegevens en vallen derhalve binnen de reikwijdte van het recht op bescherming van persoonsgegevens (art. 8 Handvest), dat nader is uitgewerkt in de AVG en de e-Privacyrichtlijn; zie HvJ EU 6 oktober 2020, C-511/18, C-512/18 en C-520/18, ECLI:EU:2020:791 (La Quadrature du Net e.a.), rov. 152.
HvJ EU 17 juni 2021, C-597/19, ECLI:EU:2021:492 (Mircom/Telenet), rov. 120-131. Uit art. 6, eerste en tweede lid e-Privacyrichtlijn volgt dat een partij verwerkte verkeersgegevens moet wissen – en dus niet mag doorgeven – wanneer zij niet langer nodig zijn voor het doel van de transmissie en communicatie, tenzij opslag noodzakelijk is voor factureringsdoeleinden. Art. 15 e-Privacyrichtlijn maakt vervolgens een uitzondering op de verwijderingsplicht door te bepalen dat lidstaten voor specifieke doeleinden wettelijke beperkingen op deze verwijderingsplicht kunnen introduceren. Een van die doeleinden is blijkens de (inmiddels ingetrokken) art. 13 Dataprotectierichtlijn de bescherming van rechten en vrijheden van anderen, hetgeen het Hof uitlegt als betrekking hebbend op het instellen van een rechtsvordering als gevolg van een inbreuk op het auteursrecht.
Concl. A-G M. Szpúnar, ECLI:EU:C:2020:1063, bij: HvJ EU 17 juni 2021, C-597/19 (Mircom), pt. 73.
Mircom & Golden Eye v Virgin Media [2019] EWHC 1827 (Ch).
Concl. A-G Szpúnar, ECLI:EU:C:2020:1063, bij: HvJ EU 17 juni 2021, C-597/19 (Mircom), pt. 76. Zie ook: Visser, Vrendenbarg & Bogaerts, AMI, afl. 5, p. 141-150.
HvJ EU 17 juni 2021, C-597/19, ECLI:EU:2021:492 (Mircom/Telenet), rov. 95.
In Mircom/Telenet boog het Hof van Justitie zich over de vraag in hoeverre persoonsgegevens mogen worden verwerkt in het kader van handhaving van auteursrechten. De kwestie concentreerde zich op twee verwerkingen: ten eerste het (in opdracht van Mircom) verzamelen van IP-adressen door Media Protector en ten tweede het verstrekken van aan IP-adressen gekoppelde NAW-gegevens door Telenet. Het Hof beoordeelde de toelaatbaarheid van beide verwerkingen aan de hand van art. 6 lid 1 sub fAVG. Volgens deze bepaling is verwerking van persoonsgegevens toegestaan als dit noodzakelijk is voor de behartiging van een gerechtvaardigd belang van de verwerkingsverantwoordelijke of een derde, mits de rechten en belangen van de betrokkene niet prevaleren. Het Hof overwoog dat beide verwerkingen inderdaad een gerechtvaardigd belang nastreefden, te weten het instellen van een vordering tot schadevergoeding. Bovendien achtte het Hof de combinatie van verwerkingen noodzakelijk, aangezien dit doorgaans de enige manier is om de inbreukmaker te identificeren.1
De rechtmatigheid van beide verwerkingen hing af van een belangenafweging, die in belangrijke mate is ingekleurd door de AVG en de e-Privacyrichtlijn. Het Hof concentreerde zich hoofdzakelijk op de laatstgenoemde richtlijn, die in deze zaak als lex specialis kon worden beschouwd.2 Ten aanzien van de verzameling van IP-adressen door Media Protector oordeelde het Hof dat de verwijzingsbeslissing onvoldoende informatie bevatte voor een oordeel over de toelaatbaarheid ervan.3 Met betrekking tot het gevorderde NAW-bevel herhaalde het Hof het principe dat een dergelijk bevel mogelijk is voor zover het nationale recht hierin voorziet.4 Het Hof benadrukte vervolgens dat het verzoek van Mircom niet alleen gericht was op het verstrekken van NAW-gegevens: om de identiteit van inbreukmakers te kunnen vaststellen, was het noodzakelijk deze gegevens op te slaan zodat zij konden worden gekoppeld aan dynamische IP-adressen van de gebruikers.5 Na een analyse van het regelgevend kader achtte het Hof dergelijke dataretentie toelaatbaar onder de voorwaarde van een wettelijke basis en naleving van een aantal andere vereisten.6
Het Hof wijdde ook enkele overwegingen aan de grenzen die de Handhavingsrichtlijn stelt aan excessieve rechtshandhaving. Het feitencomplex suggereerde namelijk dat Mircom het gevoelige karakter van de betrokken werken (porno) gebruikte als drukmiddel om (‘betrapte’) gebruikers te bewegen tot een schikking, zelfs als zij niet de eigenlijke inbreukmaker waren.7 Bovendien bleek uit een eerdere buitenlandse procedure dat Mircom niet daadwerkelijk van plan was om inbreukprocedures te starten.8 Deze omstandigheden wekten bij de verwijzend rechter – en overigens ook de advocaat-generaal – het vermoeden dat Mircom voldeed aan de omschrijving van een ‘auteursrechttrol’ (copyright troll).9 Hoewel het Hof deze kwestie niet direct adresseerde, wees het op de voorwaarden uit art. 3 lid 1 en 2 Handhavingsrichtlijn dat rechtsmiddelen eerlijk en billijk moeten zijn en zodanig moeten worden toegepast dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik daarvan. Hoewel de vaststelling van rechtsmisbruik voorbehouden is aan de nationale rechter, noemde het Hof enkele factoren die in het specifieke geval in overweging konden worden genomen. Van belang waren volgens het Hof onder meer de wijze waarop de schikking is voorgesteld, of na weigering door de gebruiker ook daadwerkelijk een rechtsvordering wordt ingesteld en, tot slot, of de eiser “in werkelijkheid blijkt te proberen om financieel voordeel te halen uit de aansluiting zelf van de betrokken gebruikers bij een peer-to-peernetwerk als het onderhavige, zonder specifiek te trachten de door dit netwerk veroorzaakte inbreuken op het auteursrecht te bestrijden”.10