Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VI.5.2.2
VI.5.2.2 Tenuitvoerleggingswijze
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS602086:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Nowak 2005, p. 250-251.
General Comment 1992/21, par. 9.
Eén van de leden vond dit een schending van het onschuldvermoeden. Zie VN Doc. CCPR/C/SR. 198
Het Nederlandse voorbehoud luidt: “The Kingdom of the Netherlands subscribes to the principle set out in paragraph 1 of this article, but it takes the view that ideas about the treatment of prisoners are so liable to change that it does not wish to be bound by the obligations set out in paragraph 2 and paragraph 3 (second sentence) of this article.” Zie VN Doc. CCPR/ C/2/Rev. 1, 11 mei 1987, p. 26-27.
CRM 7 augustus 2003, nr. 1020/2001, par. 7.6 (Cabal en Pasini Bertran/Australië).
Verenigde Naties, Standard Minimum Rules for the treatment of prisoners, V.N. Doc. A/CONF/611 (30 augustus 1955).
Aanbeveling RvE 1987/3, art. 91.
Aanbeveling RvE 2006/2, art. 18.8.a.
Aanbeveling RvE 2006/2, art. 95.1.
Aanbeveling RvE 2006/2, art. 101.
EHRM 19 april 2001, nr. 28524/95, par. 78 (Peers/Griekenland).
Trechsel 2005, p. 181-182. Zie ook Goss 2014, p. 104-105 die de argumentatie van het Hof bekritiseert in het licht van de erkenning van implied rights. Nu het EHRM op een achttal gronden niet met zoveel woorden in het Verdrag neergelegde rechten toch als onderdeel van art. 6 EVRM beschouwt, is de enkele overweging dat art. 6 EVRM een bepaald recht niet noemt geen voldoende sluitende onderbouwing om de claim te weerleggen dat de verdachte dat recht op grond van sty. 6 toekomt .
EHRM 13 december 2011, nr. 31827/02 (Laduna/Slowakije); EHRM 9 juli 2013, nr. 42615/ 06, EHRC 2013, 195 (Varnas/Litouwen); EHRM 23 juni 2015, nr. 39633/10 (Costel Gaciu/ Roemenië).
EHRM 2 februari 2016, nr. 10662/15, dec. (Vrinds/Nederland).
Inachtneming van subsidiariteit betekent niet alleen dat naar het minst ingrijpende middel moet worden gezocht, maar ook dat dat middel op de minst ingrijpende wijze moet worden aangewend. Een verbod op bejegening als schuldige, lijkt dan ook consequenties te moeten hebben voor de wijze waarop de voorlopige hechtenis ten uitvoer wordt gelegd. Op die manier was de behandelingsdimensie bijvoorbeeld ook neergelegd in artikel 9 van de Franse DDHC van 1789.1 Zowel het IVBPR als meerdere soft law instrumenten kennen in dit verband aan de behandelingsdimensie inderdaad betekenis toe.
Artikel 10 lid 2 sub a van het IVBPR luidt:
“Accused persons shall, save in exceptional circumstances, be segregated from convicted persons and shall be subject to separate treatment appropriate to their status as unconvicted prisoners.”
Het Comité legt dit segregatie- en bejegeningsvoorschrift zo uit dat weliswaar niet noodzakelijk aparte gebouwen, maar toch op zijn minst aparte afdelingen binnen een penitentiaire inrichting dienen te worden aangewezen als huizen van bewaring.2 Voor het overige heeft het het voorschrift nauwelijks verduidelijkt, maar wel buiten twijfel gesteld dat de grondslag voor de regel moet worden gezocht in het vermoeden van onschuld: “such is required in order to emphasize their status as unconvicted persons who at the same time enjoy the right to be presumed innocent as stated in article 14, paragraph 2”.3 Het Comité was daarom ook kritisch op de Mongolische praktijk waarin voorlopig gehechten net als veroordeelden corrective labour measures ondergingen.4 In Cabal en Pasini/Australië kwam de vraag aan de orde of het Comité de normen uit artikel 10 lid 2 sub a IVBPR ook in artikel 14 lid 2 leest. Dat was van belang omdat Australië, net als Nederland,5 bij artikel 10 een voorbehoud heeft gemaakt. Aan een inhoudelijk antwoord kwam het Comité niet toe, aangezien de betrokkene in uitleveringsdetentie zat en dus in de ogen van het Comité niet charged with a criminal offence was.6
Al sinds 1955 bepalen daarnaast de niet-bindende Standard Minimum Rules for the treatment of prisoners van de VN dat “unconvicted prisoners are presumed to be innocent and shall be treated as such”.7In concreto betekent dat onder meer dat voorlopig gehechten afzonderlijk worden gedetineerd, in éénmanscellen de nacht dienen door te brengen, op eigen kosten over eigen voeding, kleding, dokter en tandarts moeten kunnen beschikken en dat hun kleding anders dient uit te zien dan de kleding van veroordeelden. De European Prison Rules van 1987 verwezen even zo expliciet naar de onschuldpresumptie:
“Without prejudice to legal rules for the protection of individual liberty or prescribing the procedure to be observed in respect of untried prisoners, these prisoners, who are presumed to be innocent until they are found guilty, shall be [...] treated without restrictions other than those necessary for the penal procedure and the security of the institution.”8
De opvolger van deze regels uit 2006 bevat niet langer een expliciete verwijzing naar het onschuldvermoeden, maar inhoudelijk worden daaraan geen consequenties verbonden. Nog altijd wordt gesproken van een noodzaak om onveroordeelden van veroordeelden afgezonderd te detineren.9 Daarnaast geldt voor niet-veroordeelden in het algemeen dat “[t]he regime for untried prisoners may not be influenced by the possibility that they may be convicted of a criminal offence in the future”.10 Dat het regime als gevolg daarvan royaler moet zijn dan dat voor veroordeelden, wordt onderstreept doordat een niet-veroordeelde zoveel mogelijk de keuze moet hebben deel te nemen aan het regime voor veroordeelden.11
In het licht van bovenstaande was het Straatsburgse oordeel in Peers/Griekenland en vooral (het gebrek aan) de motivering daarvan wel enigszins verrassend. Klager was gedetineerd onder barre omstandigheden, die het Hof in strijd achtte met artikel 3 EVRM. Hij klaagde ook over schending van artikel 6 lid 2, nu het regime dat hij als voorlopig gehechte had ondergaan het regime van veroordeelden was. In twee zinnen deed het Hof de klacht af. Het wees erop dat het EVRM geen artikel kent dat dwingt tot gesegregeerde detentie en constateerde dat de aangedragen feiten geen schending van artikel 6 lid 2 EVRM opleveren.12 Trechsel is daarover om twee redenen kritisch. In de eerste plaats omdat het IVBPR en het EVRM zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en het Zevende Protocol alle bestaande oneffenheden op dat gebied heeft beoogd weg te nemen. Daarnaast meent Trechsel dat het Hof een schending van de onschuldpresumptie ten gevolge van de behandeling in detentie ten onrechte categorisch lijkt uit te sluiten.13 Zou het Hof dat inderdaad hebben bedoeld, dan is dat wat merkwaardig. Nu de onschuldpresumptie van overheidsfunctionarissen verlangt dat zij een verdachte niet als schuldige bejegenen, lijkt niet uit te sluiten dat justitiële ambtenaren dat recht van de verdachte schenden in de naleving of schending van het penitentiaire recht of beleid. Ik vraag mij dan ook af of het EHRM dat wel heeft bedoeld, maar indien dit niet het geval was, had van het Hof wel mogen worden verwacht dat het oordeelde of een en ander neerkwam op bejegening als schuldige.
Het EHRM heeft de laatste jaren de detentieomstandigheden van voorlopig gehechten wel enkele malen gesanctioneerd, zij het niet op grond van artikel 6 lid 2, maar op basis van artikel 8 EVRM in verband met het discriminatieverbod van artikel 14. Indien zonder duidelijk legitiem doel de beperkingen op het recht op een privéleven voor voorlopig gehechten groter zijn dan voor veroordeelden, grijpt het Hof in. Daarbij verwijst het EHRM expliciet naar artikel 10 lid 2 IVBPR, maar gaat het zelf een flinke stap minder ver. Voorlopig gehechten mogen wel hetzelfde regime als veroordeelden ondergaan, maar in beginsel geen hardvochtiger.14 Een Nederlandse klacht van dit type werd door de Nederlandse staat in 2016 geschikt.15