Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/3.8.3
3.8.3 Relatie met het beginsel van procedurele autonomie
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS400786:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hieromtrent paragraaf 3.7.
HvJEG 10 april 2003, C-276/01 (Steffensen), Jur. 2003, p.1-3735. Zie hieromtrent Prechal 2009, p. 12.
HvJEG 19 september 2002, C-336/00 (Huber), Jur. 2002, p.1-7699; HvJEG 12 mei 1998, C-66/ 95 (Steff-Houlberg), Jur. 1998, p. 1-4767, NJ 1999, 300; HvJEG 21 september 1983, gevoegde zaken 205/82 -215/82 (Deutsche Milchkontor), Jur. 1983, p. 2633.
Zie hieromtrent Prechal 2009, p. 12-13; Widdershoven/Verhoeven e.a. 2007, p. 39.
Zie verder uitgebreid hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.8.3.
De nationale beginselen van rechtszekerheid mogen ook bij de terugvordering van staatssteun worden toegepast, zij het dat het Hof hieraan ook behoorlijk wat beperkingen heeft gesteld. Zie hieromtrent hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.15.
HvJEG 18 december 2008, C-349/07 (Sopropé), Jur. 2008, p. 1-10369, AB 2009, 29, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, r.o. 38.
Dit vindt zijn oorzaak in het feit dat contra legem toepassing van het vertrouwensbeginsel niet mogelijk is. Zie hieromtrent paragraaf 3.8.7.4.
HvJEG 13 maart 2008, gevoegde zaken C-383/06-C-385/06 (ESF-arrest), Jur. 2008, p.1-1561, AB 2008, 207, m.nt. W. den Ouden, JB 2008/104, m.nt. AJB, NJ 2008, m.nt. M.R. Mok, SEW 2010, p. 163-167, m.nt. M.J.M. Verhoeven en R.J.G.M. Widdershoven. Zie hieromtrent hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.8.5.
Het feit dat Europese rechtsbeginselen ook van toepassing zijn, indien nationale uitvoeringsorganen het Europese recht uitvoeren met behulp van het nationale recht, betekent een inperking van de procedurele autonomie die nationale uitvoeringsorganen in beginsel bezitten bij de uitvoering van het Europese recht.1 Deze inperking blijkt bijvoorbeeld uit het arrest Steffensen waarin de nationale bewijsregels die bij gebrek aan Europese gemeenschappelijke regels van toepassing waren, werden beoordeeld in het licht van artikel 6 EVRM.2
Indien nationale uitvoeringsorganen het Europese recht uitvoeren met behulp van het nationale recht bestaat in sommige gevallen ruimte om een algemeen Europees rechtsbeginsel toe te passen overeenkomstig de nationale uitleg van dat beginsel. Gelet hierop, spreek ik in dit onderzoek van Europese en nationale rechtsbeginselen. Dit onderscheid wordt enkel gemaakt om gemakkelijk te kunnen beschrijven op welke uitleg van het rechtsbeginsel wordt gedoeld. Strikt genomen gaat het immers om dezelfde rechtsbeginselen, zij het dat, zoals in paragraaf 3.8.1 aangegeven, de interpretatie en de werking van de beginselen anders kunnen uitpakken.
De vraag of het Europese of nationale rechtsbeginsel van toepassing is, is alleen relevant indien het gaat om rechtsbeginselen die zowel in de nationale als Europese rechtsorde worden erkend, doch door de nationale rechter en het Hof van Justitie verschillend worden uitgelegd. Zo heeft het Hof van Justitie in het kader van de terugvordering van Europese subsidies erkend dat ruimte bestaat voor toepassing van de nationale beginselen van rechtszekerheid en vertrouwen, indien deze terugvordering wordt beheerst door het nationale recht.3 De toepassing van deze nationale beginselen wordt echter wel ingekaderd door het Eu-recht, waaronder de beginselen van gelijkwaardigheid en effectiviteit.4 Zo mag toepassing van het nationale vertrouwensbeginsel niet tot gevolg hebben dat de terugvordering van Europese subsidies bijvoorbeeld praktisch onmogelijk wordt gemaakt en dient de ontvanger van de Europese subsidie te goeder trouw te zijn.5
Het verdient opmerking dat het Hof van Justitie alleen in het kader van de beginselen van rechtszekerheid en vertrouwen de mogelijkheid heeft opengelaten dat ruimte bestaat voor toepassing van de nationale varianten daarvan.6 Niet duidelijk is of hetzelfde geldt voor de toepassing van de overige rechtsbeginselen. Hoofdregel is immers dat nationale uitvoeringsorganen zijn gebonden aan de Europese rechtsbeginselen, ook als zij het Europese recht uitvoeren met behulp van het nationale recht. Uit het arrest Sopropé volgt echter dat nationale uitvoeringsorganen bij de tenuitvoerlegging van het verdedigingsbeginsel, voor zover het Europese recht niet anders bepaalt, ruimte hebben om het nationale recht toe te passen.7 Deze procedurele autonomie wordt begrensd door de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid.
Toepassing van de Europese uitleg van een rechtsbeginsel hoeft voor de eindontvanger van Europese subsidies overigens niet altijd ongunstig te zijn; verplichte toepassing van het Europees transparantiebeginsel in procedures waarin Europese subsidies worden verstrekt valt alleen maar toe te juichen. In Nederland bestaat een dergelijk algemeen transparantiebeginsel immers (nog) niet. Verder laat de toetsing door het Hof van Justitie aan het evenredigheidsbeginsel zien dat evenredigheid meer is dan doorgaans de willekeurstoets die de Nederlandse bestuursrechter op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb verricht. Het rechtzekerheidsbeginsel wordt op Europees niveau voorts niet noemenswaardig anders uitgelegd dan op nationaal niveau. Anders ligt het echter bij de toepassing van het vertrouwensbeginsel. Dit beginsel wordt door het Hof van Justitie zodanig strikt uitgelegd, dat beroepen daarop nauwelijks slagen. In nationale zaken waarin het gaat om terugvordering van Europese subsidies zou voor het afzien daarvan, op grond van een Europese uitleg van het vertrouwensbeginsel geen ruimte meer bestaan.8
Inmiddels komt de opvatting dat ruimte bestaat voor toepassing van de nationale beginselen van rechtszekerheid en vertrouwen indien de terugvordering van Europese subsidies wordt beheerst door het nationale recht steeds meer onder druk te staan, zeker wanneer deze toepassing tot gevolg heeft dat een onregelmatig verstrekte Europese subsidie niet kan worden teruggevorderd. In het EsF-arrest lijkt het Hof van Justitie zelfs de Europese beginselen van rechtszekerheid en vertrouwen toe te passen.9