Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/3.8.10
3.8.10 Fundamentele rechten
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS400763:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over fundamentele rechten en de EU in het algemeen Craig & De Bárca 2011, p. 362 e.v.; De Bárca 2011; Tridimas 2006, p. 298 e.v.; Craig 2006, p. 483 e.v en de op p. 484 vermelde literatuur.
De eerste arresten waarin dit (voorzichtig) werd erkend zijn HvJEG 13 december 1979, 44/79 (Hauer), Jur. 1979, p. 3727, r.o. 15; HvJEG 14 mei 1974, 4/73 (Nold), Jur. 1974, p. 491, r.o. 13; HvJEG 17 december 1970, 11/70 (Internationale Handelsgesellschaft), Jur. 1970, p. 1125, r.o. 3; HvJEG 12 november 1969, 29/69 (Stauder), Jur. 1969, p. 419, r.o. 7. Zie hieromtrent uitgebreid Tridimas 2006, p. 300 e.v.
Dit is voor het eerst erkend in het arrest Wachauf (HvJEG 13 juli 1989, 5/88, Jur. 1989, p. 2609). Zie ook HvJEG 13 april 2000, C-292/97 (Kjell Karlsson), Jur. 2000, p. 1-2737, r.o. 37; HvJEG 24 maart 1994, C-2/92 (Bostock), Jur. 1994, p. 1-955.
Zie artikel 6, derde lid, VEU.
Zie omtrent het Handvest Craig 2012B, p. 446 e.v.; Kokott & Sobotta 2010, p. 265-271; Lenaerts & Gutiérrez-Fonds 2010, p. 1654 e.v.; Claes 2009; Tridimas 2006, p. 356 e.v.;. Zie omtrent het Handvest specifiek in relatie tot het bestuursrecht Barkhuysen & Bos 2011. Zie over de vraag in hoeverre het Handvest kan worden ingeroepen voor de Europese en nationale rechter Nauta 2012.
Uit het arrest HvJEU 12 november 2010, C-339/10 (Estov), Jur. 2010, p. 1-11465 blijkt dat het begrip 'uitvoering' ruim moet worden opgevat. Het Handvest is reeds van toepassing indien het handelen van een lidstaat binnen de werkingssfeer van het EU-recht valt. Zie hieromtrent Pahladsingh & Van Roosmalen 2011, p. 55.
Zie de bijgewerkte toelichting bij artikel 52 van het Handvest van de Grondrechten van 14 december 2007, Pb. 2007, 303/17. Zie hieromtrent ook Barkhuysen & Bos 2011, p. 17 e.v.; Adriaanse, Barkhuysen & Van Emmerik 2006A, p. 24. Op grond van artikel 6, eerste lid, derde alinea, van het VEU dient bij de interpretatie van het Handvest de toelichting die is opgesteld onder de verantwoordelijkheid van het presidium van de Europese Conventie terdege in acht te worden genomen. Zie ook HvJEU 22 december 2010, C-279/09 (DEB), Jur. 2010, p. 1-13849, AB 2011, 222, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, r.o. 32. Zie hieromtrent Pahladsingh & Van Roosmalen 2011, p. 61.
Zie de bijgewerkte toelichting bij artikel 52 van het Handvest van de Grondrechten van14 december 2007, Pb. 2007, 303/17. Zie hieromtrent Craig 2012B, p. 483; Tridimas 2006, p. 365366.
HvJEU 9 november 2010, gevoegde zaken C-92/09 en C-93/09 (Schecke), Jur. 2010, p.1-11063, r.o. 44-46.
EHRM 30 juni 2005, AB 2006, 273, m.nt. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik (Bosphorus/ Ierland). Zie hieromtrent Craig & De Bárca 2011, p. 401-402; Callewaert 2010, p. 103.
Zie ook Callewaert 2010, p. 103.
Hierop wordt niet verder ingegaan. Zie Barkhuysen & Bos 2011, p. 24; Callewaert 2010, p. 107.
HvJEG 12 juni 2003, C-112/00 (Schmidberger), Jur. 2003, p. 1-5659, r.o. 80; HvJEG 13 april 2000, C-292/97 (Kjell Karlsson), Jur. 2000, p. 1-2737, r.o. 45; HvJEG 13 juli 1989, 5/88 (Wachauf), Jur. 1989, p. 2609, r.o. 18.
Zie de bijgewerkte toelichting bij artikel 52 van het Handvest van de Grondrechten van14 december 2007, Pb. 2007, 303/17. Zie ook Tridimas 2006, p. 365.
Wat betreft de problemen die deze algemene clausule met zich brengt verwijs ik naar Craig 2012B, p. 473 e.v.
HvJEG 15 juni 2006, C-28/05 (Dokter), Jur. 2006, p. 1-5431, AB 2006, 390, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, r.o. 75. De afbakening tussen het verdedigingsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel en fundamenteel recht is niet geheel duidelijk. Zie hieromtrent Jans e.a. 2007, p. 122 en Besselink 1998, p. 23-24. Hierop wordt in dit proefschrift niet verder ingegaan.
Zie hieromtrent paragraaf 3.7.3 van dit hoofdstuk.
Zie paragraaf 5.7.11.
Zie omtrent de reikwijdte van het beginsel van ne bis in idem in de EU Luchtman 2011; Van Bockel 2010A, p. 44-45; Van Bockel 2010B.
Dat nationale uitvoeringsmaatregelen het eigendomsrecht moet eerbiedigen volgt onder meer uit HvJEU 5 mei 2011, gevoegde zaken C-230/09 en C-231/09 (Etling e.a.), n.n.g., r.o. 74; HvJEG 20 juni 2002, C-313/99 (Mulligan e.a.), Jur. 2002, p. 1-5719, r.o. 36 en HvJEG 24 maart 1994, C-2/92 (Bostock), Jur. 1994, p. 1-955, r.o. 16 en 20. De specifieke betekenis van het eigendomsrecht in relatie tot de terugvordering van subsidies komt aan de orde in hoofdstuk 5.
Zie HvJEG 3 mei 2005, gevoegde zaken C-387/02, C-391/02 en C-403/02 (Strafzaken tegen Berlusconi e.a.), Jur. 2005, p. 1-3565, r.o. 68-69; HvJEG 1 juli 2004, C-295/02 (Gisela Gerken), Jur. 2004, p. 1-6369, r.o. 55-61.
Zie hieromtrent Adriaanse, Barkhuysen & Van Emmerik 2006A, p. 48-49
Zie bijvoorbeeld EHRM 9 november 2010, AB 2012, 21, m.nt. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik, EHRC 2011, 31, m.nt. J.L.W. Broeksteeg (Demirbas e.a.). Zie hieromtrent Barkhuysen & Van Emmerik 2011, p. 16.
Zie ook Pahladsingh & Van Roosmalen 2012, p. 57 en Barkhuysen & Bos 2011, p. 31.
De EU is gebonden aan de fundamentele rechten.1 Dit houdt in dat het Europese recht, waaronder de Europese subsidieregelgeving, in overeenstemming dient te zijn met de fundamentele rechten.2 Ook indien nationale uitvoeringsorganen het Europese recht - waaronder ook de Europese subsidieregelgeving - uitvoeren, zijn zij gebonden aan de fundamentele rechten.3
Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon maken de grondrechten, zoals zij worden gewaarborgd door het EVRM en zoals zij voortvloeien uit de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, niet langer louter als algemene beginselen deel uit van het recht van de EU.4 Op grond van artikel 6, eerste lid, VEU is aan het Handvest van de grondrechten van de EU, dezelfde juridische waarde toegekend als aan de Europese verdragen.5 De bepalingen van het Handvest hebben op grond van artikel 51 van het Handvest ook betekenis voor de lidstaten, namelijk voor zover zij het Europese recht uitvoeren.6 Voor de inhoud en reikwijdte van de fundamentele rechten neergelegd in het Handvest geldt dat wordt aangesloten bij daarmee corresponderende rechten in het EVRM. In dat kader is ook de jurisprudentie van het EHRM maatgevend.7 Volgens de toelichting op het Handvest zijn voorbeelden van corresponderende rechten: het recht op leven, family life, eigendom en de rechten van de verdediging.8 Uit het arrest Schecke kan worden afgeleid dat indien een beroep wordt gedaan op een bepaling uit het EVRM, ambtshalve moet worden beoordeeld of de daarmee corresponderende bepaling uit het Handvest van toepassing is.9
Zolang de EU nog niet is toegetreden tot het EVRM, is het niet mogelijk om tegen handelingen van de Europese instellingen in beroep te gaan bij het EHRM. De vraag of deze handelingen in overeenstemming zijn met het EVRM kan wel indirect aan de orde komen, namelijk indien beroep wordt ingesteld tegen een handeling van een lidstaat die is gebaseerd op Eu-recht. In het arrest Bosphorus heeft het EHRM overwogen dat indien een internationale organisatie zelf de grondrechten beschermt op een wijze die gelijkwaardig kan worden beschouwd aan de bescherming van het EVRM, wordt vermoed dat een lidstaat die er zich toe beperkt zijn verplichtingen uit zijn lidmaatschap uit te voeren het EVRM eerbiedigt.10 Dit vermoeden kan bij een 'kennelijke tekortkoming´ worden weerlegd.11 Het EHRM concludeert uiteindelijk dat de grondrechten-bescherming in de EU gelijkwaardig is met de bescherming door het EVRM. In de literatuur bestaat discussie over de vraag of het EHRM deze lijn ook na toetreding van de EU tot het EVRM zal voortzetten.12
Fundamentele rechten gelden niet absoluut, maar kunnen worden beperkt. In het arrest Wachauf maakt het Hof van Justitie duidelijk dat een beperking mogelijk is voor zover zij werkelijk beantwoordt aan de doeleinden van algemeen belang die de EU nastreeft en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet is te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast.13 In het Eu-Grondrechtenhandvest is in artikel 52, eerste lid, een algemene beperkingsclausule neergelegd: 'Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.' Gelet op artikel 52, derde lid, van het Eu-Grondrechtenhandvest dienen de beperkingsclausules van met de rechten van het EVRM corresponderende rechten overeenkomstig de jurisprudentie van het EuRm te worden uitgelegd.14 In andere gevallen is deze algemene beperkingsclausule van toepassing.15
Met betrekking tot de uitvoering van de Europese subsidieregelgeving is een aantal fundamentele rechten relevant. Allereerst moet worden genoemd het in paragraaf 3.8.9 besproken verdedigingsbeginsel, hetgeen ook een aantal fundamentele rechten omvat.16 Ten tweede is het beginsel van effectieve rechtsbescherming van belang dat is neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten en ook in artikel 6 EVRM.17
Voorts is een aantal fundamentele rechten met name van betekenis indien maatregelen en sancties aan de eindontvanger worden opgelegd, omdat zich onregelmatigheden hebben voorgedaan in het kader van de verstrekking van Europese subsidies. Hierop wordt in hoofdstuk 5 verder ingegaan.18 In dat hoofdstuk wordt de vraag beantwoord in hoeverre deze fundamentele rechten daadwerkelijk betekenis hebben voor de sancties en maatregelen die worden toegepast in het kader van de verstrekking van Europese subsidies. Op deze plaats volgt reeds een beknopte introductie.
Allereerst zijn artikel 6 EVRM en artikel 50 van het Handvest van de Grondrechten relevant. Deze artikelen eisen onder meer dat de zwaarte van de straf niet onevenredig mag zijn aan het strafbare feit. Ten tweede kan het ne bis in idem-beginsel worden genoemd.19 Dit beginsel houdt in dat iemand niet tweemaal mag worden berecht of gestraft voor hetzelfde delict. Het beginsel van ne bis in idem is neergelegd in artikel 50 van het Handvest en in artikel 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM. Ten derde is in het kader van de terugvordering van Europese subsidies in geval van onregelmatigheden het recht op eigendom van belang, hetgeen is neergelegd in artikel 17 van het Handvest van de Grondrechten en artikel 1, eerste protocol van het EVRM.20
Ten slotte is ook het lex mitior-beginsel erkend als algemeen beginsel van Europees recht.21 Dit beginsel is inmiddels ook neergelegd in artikel 49, eerste lid, van het Handvest van de Grondrechten en houdt in dat indien de wet na het begaan van het strafbare feit in een lichtere straf voorziet, deze laatste met terugwerkende kracht moet worden toegepast.22 Zoals gezegd, wordt elders in dit boek nog teruggekomen op deze rechten.
Van belang is dat overheidsorganisaties en hun organen, gelet op artikel 34 gelezen in verbinding met artikel 1 van het EVRM, geen beroep kunnen doen op de in het EVRM neergelegde fundamentele rechten.23 Gemeenten en provincies kunnen derhalve geen beroep doen op de fundamentele rechten die zijn neergelegd in het EVRM, ook niet indien zij fungeren als eindontvangers van Europese subsidies. Het Eu-Grondrechtenhandvest voorziet niet in een bepaling, vergelijkbaar met artikel 34 van het EVRM.24 Aangenomen moet dan ook worden dat gemeenten en provincies die fungeren als eindontvangers van Europese subsidies een beroep kunnen doen op de rechten, neergelegd in het Eu-grondrechtenhandvest, ten opzichte van het nationaal uitvoeringsorgaan dat de Europese subsidies verstrekt. Hieromtrent bestaat nog geen Europese jurisprudentie.