Beleidsregel Huisartsenzorg en Multidisciplinaire zorg 2015, BR/REG-17170; Beleidsregel Huisartsenzorg en Multidisciplinaire zorg 2016, BR/REG-17171; Huisartsenzorg en Multidisciplinaire zorg 2017, BR/REG-17172. Inmiddels wordt de GEZ-module stapsgewijs vervangen door de Module Organisatie & Infrastructuur (O&l).
HR, 03-10-2025, nr. 22/00856, nr. 22/00857, nr. 22/00858, nr. 22/00859, nr. 22/00860, nr. 22/00861, nr. 22/00862, nr. 22/00863
ECLI:NL:HR:2025:1460
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-10-2025
- Zaaknummer
22/00856
22/00857
22/00858
22/00859
22/00860
22/00861
22/00862
22/00863
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑10‑2025
ECLI:NL:HR:2025:1469, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑10‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:1246
ECLI:NL:HR:2025:1466, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑10‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:1246
ECLI:NL:HR:2025:1467, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑10‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:1246
ECLI:NL:HR:2025:1464, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑10‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:1246
ECLI:NL:HR:2025:1326, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑10‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2022:912
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:1246
ECLI:NL:HR:2025:1465, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑10‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:1246
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑10‑2025
ECLI:NL:HR:2025:1456, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑10‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:1246
ECLI:NL:HR:2025:1460, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑10‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:1246
ECLI:NL:PHR:2022:1246, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 30‑12‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1460
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1456
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1469
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1326
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1466
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1465
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1467
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1464
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2025100302
FutD 2025-1950
NLF 2025/2152
NTFR 2025/1637
Viditax (FutD) 2025100302
FutD 2025-1950
NLF 2025/2150
NTFR 2025/1635
Viditax (FutD) 2025100302
FutD 2025-1950
NLF 2025/2151
NTFR 2025/1636
Viditax (FutD) 2025100302
FutD 2025-1950
NLF 2025/2148
NTFR 2025/1633
Viditax (FutD) 2025100302
NDFR Nieuws 2025/1534
FutD 2025-1950
V-N 2025/44.12 met annotatie van Redactie
NTFR 2025/1631 met annotatie van mr. drs. W.A.P. Nieuwenhuizen
NLF 2025/2122 met annotatie van Maria van Helden
BNB 2026/4 met annotatie van M.M.W.D. Merkx
Viditax (FutD) 2025100302
FutD 2025-1950
NLF 2025/2149
NTFR 2025/1634
Viditax (FutD) 2025100302
NDFR Nieuws 2025/1531
FutD 2025-1950
NTFR 2025/1590 met annotatie van mr. S.B. Noten
NLF 2025/2146
V-N 2025/45.17 met annotatie van Redactie
BNB 2026/5 met annotatie van A.O. Lubbers
Viditax (FutD) 2025100302
FutD 2025-1950
NLF 2025/2147
NTFR 2025/1632
V-N 2023/8.11 met annotatie van Redactie
NLF 2023/0301 met annotatie van Micha Soltysik
NTFR 2023/237 met annotatie van MR. DRS. W.A.P. NIEUWENHUIZEN
Viditax (FutD) 2023012708
FutD 2023-0293
Beroepschrift 03‑10‑2025
VERZONDEN VIA WEBPORTAAL HOGE RAAD
Hoge Raad der Nederlanden
T.a.v. de Belastingkamer
Postbus 20303
2500 EH 's‑Gravenhage
[…], 24 mei 2022
Betreft: | - | [X1] |
- | RSIN/BSN: […] | |
- | Motivering beroepschrift in cassatie tegen de uitspraak van 8 februari 2022 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | |
- | Zaaknummer: 22/00856 |
Edelhoogachtbaar College,
Namens onze cliënte en tevens belanghebbende, […], handelend onder de naam [X1] (hierna te benoemen als: belanghebbende), motiveren wij hierbij het beroepschrift in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna te benoemen: het Hof) van 8 februari 2022 in zaaknummer: 20/00268, 20/00269, 20/00270 en 20/00271 (bijlage 1). Het pro forma beroepschrift in cassatie is ingediend op de datum van 10 maart 2022.
1. Middelen van cassatie
Als cassatiemiddelen dragen wij voor:
- 1.
Schending en/of verkeerde toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de omzetbelasting 1968 doordat het Hof ten onrechte, dan wel op onvoldoende gronden, heeft beslist dat de werkzaamheden van belanghebbende, die worden bekostigd op basis van de GEZ-module, niet zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel g Wet op de omzetbelasting 1968.
- 2.
Schending en/of verkeerde toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, Wet op de omzetbelasting 1968 doordat het Hof ten onrechte, dan wel op onvoldoende gronden, heeft beslist dat de werkzaamheden van belanghebbende, die worden bekostigd op basis van de GEZ-module, niet zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel f Wet op de omzetbelasting 1968.
- 3.
Schending en/of verkeerde toepassing van artikel 132, eerste lid, onderdeel g, Btw-richtlijn doordat het Hof ten onrechte niet — aan de hand van de in de jurisprudentie van het Hof van Justitie ontwikkelde criteria — heeft getoetst of de Nederlandse wetgever met artikel 11, eerste lid, onderdeel f, Wet op de omzetbelasting 1968 in samenhang met artikel 7Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (hierna: het Besluit) en bijlage B, post b.20 bij het Besluit, de grenzen van zijn krachtens de vrijstellingsbepaling in de Btw-richtlijn toegekende beoordelingsbevoegdheid heeft geëerbiedigd, en of belanghebbende met een rechtstreeks beroep op het Unierecht kan worden aangemerkt als een instelling van sociale aard.
Volledigheidshalve merken wij op dat wij in het pro forma beroepschrift twee cassatiemiddelen hebben opgenomen. Het middel met betrekking tot de schending en/of verkeerde toepassing van de sociaal-culturele btw-vrijstelling valt in feite in twee argumenten uiteen. Ten behoeve van de leesbaarheid van het beroepschrift en de motivering daarvan, hebben wij een opsplitsing gemaakt in drie cassatiemiddelen.
2. Toelichting op de cassatiemiddelen
2.1
De hoofdactiviteiten van belanghebbende bestaan uit medische zorgverlening aan individuele patiënten binnen de eerste lijn. Niet in geschil is dat deze diensten zijn vrijgesteld van omzetbelasting (hierna ook benoemd als: btw) op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de omzetbelasting 1968.
2.2
Tussen partijen is ook niet in geschil dat de GEZ-module in de beleidsregels van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)1. als volgt (verkort) wordt omschreven:
‘‘Module geïntegreerde eerstelijnszorg’
De ‘Module geïntegreerde eerstelijnszorg’ biedt patiënten de voordelen van multidisciplinaire samenwerking tussen zorgverleners voor wat betreft het leveren van geïntegreerde eerste- lijnszorgproducten. Het tarief is een vergoeding voor de kosten van personele inzet, organisatie en infrastructuur die nodig is voor die samenwerking. Voorwaarden, voorschriften en beperkingen:
- 1.
Indien voor samenwerking (sector)specifieke beleidsregels zijn opgesteld, dan gelden die specifieke beleidsregels.
- 2.
De modules kunnen enkel in rekening worden gebracht door een samenwerkingsverband ter bevordering van structurele multidisciplinaire samenwerking in de eerstelijnszorg.
- 3.
Voornoemd samenwerkingsverband is een organisatorisch verband, waarbinnen een aantal beroepsbeoefenaren uit de eerste lijn structureel met elkaar samenwerkt.
Deze samenwerking bestaat in ieder geval uit samenwerking tussen een zorgaanbieder die de basisvoorziening huisartsenzorg verleent of kan verlenen met een of meer zorgaanbieders die andere zorg verlenen of kunnen verlenen. Zij bieden en leveren gezamenlijk een geïntegreerd op elkaar afgestemd doelmatig zorgaanbod.’
2.3
Tussen partijen is in geschil of de gelden die belanghebbende op basis van de zogenoemde GEZ-module ontvangt van Stichting […] (hierna: de Stichting), mede de vergoeding vormen voor deze vrijgestelde activiteiten, dan wel het btw- regime dienen te volgen van de vergoeding voor deze vrijgestelde activiteiten, omdat de werkzaamheden in het kader van de GEZ-module opgaan in de btw-vrijgestelde hoofdprestatie van belanghebbende aan de patiënten. Indien de werkzaamheden in het kader van de GEZ-module niet opgaan in de btw-vrijgestelde hoofdprestatie van belanghebbende, is in geschil of de werkzaamheden in het kader van de GEZ-module zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel f Wet op de omzetbelasting 1968, dan wel artikel 132, eerste lid, onderdeel g, van de Btw-richtlijn.
2.4
Voordat wij nader ingaan op de cassatiemiddelen wensen wij te benadrukken dat door belanghebbende weliswaar facturen met btw zijn uitgereikt aan de Stichting, maar dat de enige reden hiervoor is dat de belastingdienst het standpunt heeft ingenomen dat de prestaties niet als btw-vrijgestelde prestaties konden worden beschouwd. Om te voorkomen dat naheffingsaanslagen, vermeerderd met boetes, zouden worden opgelegd, heeft belanghebbende facturen met btw uitgereikt aan de Stichting. In dit kader merken wij op dat artikel 37 Wet op de omzetbelasting 1968 niet aan een teruggaaf van btw in de weg staat.2. Belanghebbende heeft op aandringen van de belastingdienst weliswaar facturen met btw uitgereikt aan de Stichting, maar de Stichting heeft de btw op deze facturen niet in aftrek gebracht en ook niet in aftrek mogen brengen. Het gevaar voor verlies van belastinginkomsten is dan ook uitgeschakeld.
Cassatiemiddel 1
2.5
In zijn uitspraak heeft het Hof geoordeeld dat de werkzaamheden van belanghebbende in het kader van de GEZ niet zijn vrijgesteld van btw op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de omzetbelasting 1968.
Dit oordeel van het Hof en de motivering van dit oordeel is naar onze mening in strijd met het recht, onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk.
2.6
Belanghebbende werkt samen met andere eerstelijnszorgpartners die zijn aangesloten bij de Stichting. De Stichting ontvangt op basis van de GEZ-module gelden van de zorgverzekeraar. De Stichting betaalt de gelden die zij van de zorgverzekeraars op basis van de GEZ-module heeft ontvangen, onder inhouding van een klein deel van de gelden om de stichtingskosten te kunnen voldoen, uit aan belanghebbende en de andere (vaste) eerstelijnszorgpartners. De Stichting is leeg en heeft geen personeel en/of een andere vorm van bezetting.
2.7
Zoals ook betoogd voor het Hof zijn wij (primair) van mening dat de werkzaamheden van belanghebbende in het kader van de GEZ module moeten worden aangemerkt als een bijkomende prestatie, welke opgaat in de btw-vrijgestelde hoofdprestatie van belanghebbende, bestaande uit de geneeskundige verzorging van patiënten.
2.8
In dit kader moet worden beoordeeld of sprake is van een handeling die economisch gezien uit één prestatie bestaat. Op basis van de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie3. mag een dergelijke handeling immers niet kunstmatig uit elkaar worden gehaald. Er wordt één (samengestelde) prestatie verricht wanneer twee of meer elementen of handelingen die de belastingplichtige verricht, zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één enkele ondeelbare prestatie vormen, waarvan splitsing kunstmatig zou zijn. Daarnaast is er sprake van één enkele prestatie wanneer een of meer elementen moeten worden geacht de hoofdprestatie te vormen, terwijl andere elementen moeten worden beschouwd als een of meer bijkomende prestaties, die het fiscale lot van de hoofd prestatie delen. Voorts is van belang dat een prestatie met name als bijkomend moet worden beschouwd wanneer zij voor de klant geen doel op zich is, maar een middel om van de hoofdprestatie van de dienstverrichter optimaal gebruik te maken.
2.9
In het kader van deze beoordeling, dient naar onze mening te worden vastgesteld of de werkzaamheden van belanghebbende in het kader van de GEZ en de rechtstreekse zorgverlening aan haar patiënten door belanghebbende kunnen worden aangemerkt als één prestatie.
2.10
Daarbij tekenen wij aan dat de Stichting geen patiënten heeft. Van enige zorgverlening door de Stichting kan geen sprake zijn.
2.11
Het is naar onze mening dan ook onbegrijpelijk dat het Hof in rechtsoverweging 4.3 overweegt dat om te bepalen of de prestaties van belanghebbende in het kader van de GEZ zijn vrijgesteld van btw, van belang is om vast te stellen of de Stichting (welke mede door belanghebbende en haar andere, vaste eerstelijnszorgpartners is opgericht om te kunnen contracteren voor de GEZ-module) als ondernemer moet worden aangemerkt. Naar onze mening is het ondernemerschap van de Stichting voor de beoordeling van de activiteiten van belanghebbende niet relevant.
Bij het Hof lijkt verwarring te bestaan tussen de aard van deze procedure, welke betrekking heeft op de diensten van eerstelijnszorgpartners die zelf zorg verlenen, en de eerdere procedures die in het verleden zijn gevoerd, waarbij juist de samenwerkingsverbanden in de eerstelijnszorg als belanghebbende centraal stonden. In deze procedure staat echter niet de Stichting centraal, maar de aan de Stichting verbonden eerstelijnszorgpartners.
2.12
Dat deze verwarring bij het Hof bestaat, blijkt eveneens uit rechtsoverweging 4.9 van de uitspraak. In deze overweging geeft het Hof aan van oordeel te zijn dat de activiteiten van de Stichting en de activiteiten van belanghebbende niet kunnen worden gezien als één (samengestelde) prestatie. Dit is echter niet de vraag die in de onderhavige procedure centraal staat. De vraag die centraal staat is of belanghebbende zelf één (samengestelde) prestatie verricht richting de patiënt, bestaande uit de geneeskundige verzorging van patiënten, waar de eigen werkzaamheden van belanghebbende in het kader van de GEZ als bijkomende prestatie in opgaan. Wij verwijzen in dit kader ook naar onderdeel 3 van de uitspraak van het Hof, waarin het Hof aangeeft dat juist in geschil is of de werkzaamheden van belanghebbende in het kader van de GEZ opgaan in de vrijgestelde hoofdprestatie van belanghebbende. Deze vraag wordt door het Hof echter niet (gemotiveerd) beoordeeld.4.
2.13
Het Hof gaat in rechtsoverweging 4.9 wel in op de vraag of de diensten in het kader van de GEZ een inherent en onafscheidbaar deel zijn van een gezondheidskundige behandeling van een patiënt. Echter, deze vraag is slechts van belang om vast te stellen of de diensten — indien deze moeten worden aangemerkt als een zelfstandige prestatie — op zichzelf beschouwd onder de medische vrijstelling vallen. Deze vraag komt slechts aan de orde wanneer een prestatie naar zijn aard moet worden aangemerkt als een zelfstandige prestatie en is derhalve niet de vraag waarop het geschil tussen partijen betrekking heeft.
2.14
Het Hof had gelet op de in punt 2.8 van deze motivering genoemde vaste rechtspraak van het Hof van Justitie — net als de Rechtbank heeft gedaan — dienen te beoordelen of sprake is van een handeling die economisch gezien uit één prestatie bestaat. Dit heeft het Hof ten onrechte niet gedaan.
2.15
Indien uit de uitspraak van het Hof moet worden afgeleid dat het Hof van oordeel is dat belanghebbende twee afzonderlijke prestaties verricht, dan is dit oordeel — gelet op de feiten van het onderhavige geschil -onjuist, dan wel onvoldoende gemotiveerd.
2.16
Belanghebbende verricht naar onze mening wel één btw-vrijgestelde zorgprestatie, te weten aan de patiënt. Naar onze mening dient in dit kader te worden gekeken naar de economische realiteit van de handelingen.5. Voor de deelneming aan de GEZ-module kreeg belanghebbende een vaste vergoeding van de zorgverzekeraar. Na toetreding tot de GEZ-module krijgt belanghebbende een lagere vergoeding, welke wordt gecompenseerd door de GEZ-module declaraties. Bovendien heeft het verrichten van een prestatie aan een lege Stichting ook geen economische realiteit.
2.17
In het onderhavige geval kunnen de volgende handelingen en betalingen worden onderscheiden:
- •
de patiënten betalen premies voor een ziektekostenverzekering aan een zorgverzekeraar;
- •
de zorgverzekeraar betaalt de eerstelijnszorgpartners voor de door hen gedeclareerde zorgprestaties op basis van de daarvoor vastgestelde tarieven;
- •
de zorgverzekeraar betaalt de GEZ-gelden uit aan de door de eerstelijnszorgpartners opgerichte Stichting;
- •
de Stichting betaalt de GEZ-gelden, onder inhouding van een klein deel van de gelden om de stichtingskosten te kunnen voldoen, uit aan belanghebbende en de andere (vaste) eerstelijnszorgpartners; en
- •
de patiënt ontvangt de geïntegreerde eerstelijnszorg, waarbij meer aandacht kan worden besteed door belanghebbende op de preventieve patiëntenzorg.
De patiënten zijn gebaat bij door belanghebbende verleende, geïntegreerde zorg aan de hand van de in het kader van de GEZ module ontwikkelde zorgbehandelplannen en in het kader van de samenwerking verrichte werkzaamheden. Naar onze mening kan niet worden gezegd dat belanghebbende naast de eerstelijnszorg een zelfstandige prestatie verricht aan de Stichting. De patiënten verbruiken de diensten van belanghebbende, niet de Stichting.
Dit blijkt naar onze mening ook uit de beleidsregel van de Nederlandse zorgautoriteit, welke wordt geciteerd in overweging 2.3 van de uitspraak van het Hof:
‘De ‘Module geïntegreerde eerstelijnszorg’ biedt patiënten de voordelen van multidisciplinaire samenwerking tussen zorgverleners voor wat betreft het leveren van geïntegreerde eerstelijnszorgproducten. Het tarief is een vergoeding voor de kosten van personele inzet, organisatie en infrastructuur die nodig is voor die samenwerking.
(…)
Zij [lees: de zorgaanbieders] bieden en leveren gezamenlijk een geïntegreerd op elkaar afgestemd doelmatig zorgaanbod. ’
2.18
Of sprake is van één of meer prestaties, dient te worden bekeken vanuit het perspectief van de modale consument. In het onderhavige geval gaat het de patiënt erom dat zorg wordt verleend. De patiënt is immers degene met een ziekte of aandoening en heeft behoefte aan tussen de zorgpartners goed gecoördineerde (preventieve) zorg.
De zorg die wordt geleverd aan de patiënten in het kader van de GEZ-module, wordt in samenhang en samenwerking uitgevoerd door de eerstelijnszorgpartners (van verschillende disciplines) van dezelfde wijk. Het doel van de GEZ-werkzaamheden is dan ook dat de zorg onder optimale omstandigheden wordt afgestemd tussen de eerstelijnszorgpartners en — ook preventief — wordt verleend aan de eigen patiënten. Het verwerven van de GEZ-diensten vormt voor de patiënt geen doel op zich. Wel hebben zorgpartners die de GEZ-module uitvoeren, steeds meer de voorkeur voor patiënten om zich bij aan te melden. Naar onze mening verricht belanghebbende één ondeelbare prestatie aan de patiënt, bestaande uit de gezondheidskundige verzorging van de mens als bedoeld in artikel 11, lid 1, onderdeel g, Wet OB.
2.19
De betaling door de Stichting aan belanghebbende dient naar onze mening als een betaling door een derde in de zin van artikel 73 Btw-richtlijn te worden beschouwd, net als de betaling door de zorgverzekeraar aan de eerstelijnszorgpartners voor de gedeclareerde zorgprestaties. De afnemer van al deze prestaties is de patiënt.
2.20
De omstandigheid dat een deel van de vergoeding voor de medische diensten rechtstreeks wordt betaald door de zorgverzekeraar en een deel via de Stichting, doet onzes inziens aan het voorgaande niet af. Volgens het Hof van Justitie is het feit dat één prijs in rekening wordt gebracht of dat afzonderlijke vergoedingen overeen worden gekomen, niet bepalend voor de vraag of sprake is van twee of meer zelfstandige prestaties dan wel één ondeelbare economische prestatie.6.
2.21
Een nadere toelichting van dit standpunt treft u aan in overweging 3.1 tot en met 3.21 van ons verweerschrift in hoger beroep (bijlage 2).
2.22
Gelet op het bovenstaande, heeft het Hof ten onrechte niet beoordeeld of de werkzaamheden van belanghebbende in het kader van de GEZ module verricht, opgaan in de eigen diensten van belanghebbende aan de patiënten die zijn vrijgesteld van omzetbelasting op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de omzetbelasting 1968. Indien uit de uitspraak van het Hof moet worden afgeleid dat het Hof van oordeel is dat belanghebbende twee afzonderlijke prestaties verricht, dan is dit oordeel — gelet op de feiten van het onderhavige geschil — naar onze mening onjuist, dan wel onvoldoende gemotiveerd. Onzes inziens dient de uitspraak van het Hof om deze reden te worden vernietigd.
Cassatiemiddel 2
2.23
Subsidiair — indien de werkzaamheden van belanghebbende in het kader van de GEZ-module niet opgaan in de btw-vrijgestelde hoofdprestatie — hebben wij voor het Hof betoogd dat wij van mening zijn dat de diensten van belanghebbende zijn vrijgesteld van btw op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de omzetbelasting 1968 jo. artikel 7, eerste lid, van het Besluit jo. Bijlage B, post b.20. Het Hof heeft echter geoordeeld dat belanghebbende niet onder post b.20 valt.
Deze uitleg van het Hof van post b.20 is — gelet op de geschiedenis van deze bepaling en de doel en strekking van de bepaling — naar onze mening te beperkt en derhalve in strijd met het recht.
2.24
In dit kader is het volgende van belang. Op basis van de wettelijke regeling, geldt de vrijstelling voor diensten die worden verricht door:
‘Samenwerkingsverbanden op het gebied van multidisciplinaire eerstelijns- en geboortezorg die kosten voor zorgprestaties declareren voor zover deze diensten worden bekostigd op grond van de Zorgverzekeringswet en nader staan beschreven in de door de Nederlandse Zorgautoriteit voor deze vormen van zorg vastgestelde beleidsregels ingevolge de Wet marktordening gezondheidszorg’.
Gelet op de algemene aantekening bij Bijlage B, behorende bij artikel 7, eerste lid, van het Besluit ontbreekt voor de diensten door instellingen bedoeld in post b.20 de voorwaarde dat deze instellingen met de werkzaamheden niet systematisch het maken van winst mogen beogen.
Het is voor de toepassing van de sociaal-culturele vrijstelling derhalve niet relevant of de in post b.20 genoemde instellingen winst beogen of winst maken.
2.25
De term ‘samenwerkingsverband’ in post b.20 duidt onzes op het samenwerkingsverband in brede zin, derhalve inclusief haar vaste eerstelijnszorgpartners en niet uitsluitend in enge zin op één partij als de Stichting. Immers een ‘stichting’ is en wordt geen ‘samenwerkingsverband’, een verband duidt al per definitie op tenminste twee samenwerkende partijen.
2.26
Dit kan onder meer worden afgeleid uit de ontstaansgeschiedenis van post b.20. In het Belastingplan 2016 werd een amendement ingediend door initiatiefnemers Groot en Nepperus om de bieraccijns te verhogen, waardoor de lagere belastinginkomsten wegens de in te voeren btw-vrijstelling voor coördinerende werkzaamheden in het kader van (eerstelijns-)zorggroepen en geboortecentra zouden kunnen worden gedekt.7. Blijkens de voorafgaande behandeling in de Tweede Kamer heeft dit voorstel de volgende achtergrond:
‘Via mijn collega-woordvoerders op zorggebied ben ik erop geattendeerd dat er een groot knelpunt bestaat bij de heffing van btw in de zorg. We weten dat artsen zijn vrijgesteld van btw over hun diensten, maar zodra zij gaan samenwerken met andere artsen of andere eerstelijnszorgverleners, moeten ze wel btw betalen over de coördinerende werkzaamheden. Dat maakt de btw-heffing ingewikkelder. Daarnaast is het kostenverhogend en werkt het samenwerking tegen.
Vooral dat laatste is onwenselijk, want we zien dat de zorg voor chronisch zieken steeds vaker via dit soort samenwerkingsverbanden wordt georganiseerd. Naar ik begrijp is er om dit probleem op te lossen geen wetswijziging nodig, maar wel een aanpassing van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968.
Is het kabinet bereid om zo'n besluit te nemen als mijn collega Neppérus van de VVD en ik een amendement indienen waarin we vooreen deugdelijke dekking zorgen?’8.
2.27
De staatssecretaris van Financiën merkte naar aanleiding van dit voorstel het volgende op:
‘Een andere vraag van de heer Groot gaat over de coördinatie in de eerstelijnszorg en de vrijstelling van de btw. Dat gaat over de btw van zorggroepen. De heer Groot is niet de eerste die mij daarover benadert, zo moet ik eerlijk toegeven. Daarbij speelt inderdaad het vraagstuk dat dit deel van de zorg is vrijgesteld, maar dat door het professionaliseren van de samenwerking bepaalde diensten met btw worden belast, waardoor er eigenlijk een soort perverse prikkel, een antiprikkel op samenwerking wordt gegeven. Het gaat daarbij om samenwerking van de goede soort, dus geen kartelachtige maar facilitaire samenwerking. Technisch is het mogelijk om dat te regelen. (…) Dit is dus inderdaad mogelijk, het is een kwestie die speelt, het wordt als een probleem ervaren en ik moet toegeven dat het in feite een beetje een rariteit is. ’9.
2.28
De toelichting op het Besluit van 23 december 2015 bevestigt dat met post b.20 is bedoeld om de organisatie van de eerstelijns- en geboortezorg vrij te stellen.10. Dit wordt volgens deze toelichting bereikt door ‘in het UBOB samenwerkingsverbanden van zorgverleners op te nemen die deze werkzaamheden op zich nemen’. Bovendien wordt in de toelichting opgemerkt dat deze samenwerkingsverbanden ‘worden gevormd door zorgverleners op het gebied van eerstelijnszorg.’11.
2.29
Het begrip samenwerkingsverband heeft onzes inziens niet alleen betrekking op de diensten van de afzonderlijke juridische entiteit die door de eerstelijnszorgpartners is opgericht (om zoals in casu de GEZ-module te contracteren), maar juist ook op de (meer op preventie gerichte) zorg activiteiten van de eerstelijnszorgpartners zelf die met elkaar samenwerken. Een strikte uitleg van de vrijstelling, waarbij deze uitsluitend wordt beperkt tot de diensten van de juridische entiteit die fungeert als schakel tussen de eerstelijnszorgpartners en de zorgverzekeraars, maar verder geen patiënten heeft of zorg verleent, zou strijdig zijn met de doelstelling van de vrijstelling. Het doel van de vrijstelling was immers om ook de coördinerende en organiserende werkzaamheden van huisartsen en andere zorgverleners vrij te stellen van omzetbelasting opdat de medische zorg aan de patiënten wordt verbeterd. Een strikte opvatting van de vrijstelling zou leiden tot het onbillijke resultaat dat de door de Stichting verrichte prestaties, voor zover al aanwezig, aan de zorgverzekeraar zijn vrijgesteld van omzetbelasting, terwijl de prestaties van de eerstelijnszorgpartners voor de verbetering van de zorg aan de patiënten via de Stichting wél met omzetbelasting zijn belast.
Het samenwerkingsverband als geheel12. dient onder de vrijstelling te vallen, niet één rechtspersoon. De GEZ-module is bedoeld om de samenwerking tussen zorgpartners te verbeteren opdat de zorg aan de patiënten wordt verbeterd.
2.30
Een brede uitleg van post b.20 vindt bovendien steun in het Unierecht. De Nederlandse sociaal-culturele vrijstelling is gebaseerd op drie verschillende onderdelen van artikel 132 van Richtlijn 2006/112/EG (hierna: de Btw-richtlijn). Het betreft allereerst artikel 132, eerste lid, onderdeel g, Btw-richtlijn, inzake de prestaties die nauw samenhangen met maatschappelijk werk en sociale zekerheid. Onderdeel g is onzes inziens het onderdeel waaronder de activiteiten van belanghebbende dienen te worden geschaard. Artikel 132, eerste lid, onderdeel h, Btw-richtlijn, ziet vervolgens op prestaties die nauw samenhangen met de bescherming van kinderen en jongeren. Deze twee vrijstellingen gelden voor publiekrechtelijke lichamen en instellingen van sociale aard die door de lidstaat als zodanig zijn erkend. Tot slot heeft artikel 132, eerste lid, onderdeel n, Btw-richtlijn betrekking op bepaalde culturele diensten en de nauw daarmee samenhangende leveringen van goederen die worden verricht of geleverd door publiekrechtelijke culturele instellingen of door andere culturele instellingen die door de betrokken lidstaat worden erkend.
2.31
De vrijstelling van post b.20 is gebaseerd op artikel 132, eerste lid, onderdeel g, Btw-richtlijn. In het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Kingscrest Associates Ltd. heeft het Hof van Justitie de doelstelling van de vrijstelling uit artikel 132, eerste lid, onderdeel g, Btw-richtlijn uiteengezet:
‘In dit verband, wat in de eerste plaats de met de vrijstellingen van artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn beoogde doelstellingen betreft, blijkt uit deze bepaling dat het doel van die vrijstellingen erin bestaat bepaalde in de sociale sector verrichte diensten van algemeen belang op het gebied van BTW gunstiger te behandelen, en ze aldus goedkoper en bijgevolg toegankelijker te maken voor de particulieren die er recht op hebben.’
2.32
Uit de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat deze bepaling (in tegenstelling tot artikel 132, eerste lid, onderdeel n, Btw-richtlijn13.) rechtstreekse werking heeft.14. De lidstaten hebben beoordelingsvrijheid bij de erkenning van instellingen van sociale aard, maar dienen daarbij volgens het Hof van Justitie wel de beginselen van het Unierecht — waaronder het beginsel van fiscale neutraliteit — in acht te nemen.15. Daarbij is nog van belang dat de eerstelijnszorgpartners, zoals belanghebbende, en de Stichting erkent zijn als maatschappelijke, sociale instellingen in de zin van artikel 132 Btw- richtlijn.
2.33
Bovendien volgt uit de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat de begrippen ‘organisaties’ en ‘instellingen’ niet uitsluitend betrekking hebben op rechtspersonen, maar dat ook natuurlijke personen die een onderneming drijven daaronder kunnen worden begrepen.16. Voor toepassing van de vrijstelling uit artikel 132, eerste lid, onderdeel g, Btw-richtlijn is de (rechts)vorm van de belastingplichtige derhalve niet relevant.
2.34
Uit de Nederlandse rechtspraak volgt eveneens dat de wijze waarop een ondernemer zijn ondernemingsactiviteiten organiseert, niet aan de toepassing van de vrijstellingen in de weg mag staan. Zo is bijvoorbeeld niet relevant dat de werkzaamheden door tussenkomst van een of meer rechtspersonen, zoals een werkmaatschappij en houdstermaatschappij, worden verricht.17. Het karakter van de diensten is beslissend.
2.35
Wanneer post b.20 richtlijnconform — in het bijzonder in het licht van het voornoemde neutraliteitsbeginsel — wordt uitgelegd, brengt dit mee dat de vrijstelling ook dient te worden toegepast op de werkzaamheden van de eerstelijnszorgpartners. De GEZ-werkzaamheden worden feitelijk door de eerstelijnszorgpartners verricht, waardoor deze diensten niet afwijken van de werkzaamheden waarvoor de Stichting op basis van de GEZ-module kosten declareert aan de zorgverzekeraars. De diensten zijn volledig gelijkwaardig. Er bestaan geen verschillen wat betreft de beroepskwalificaties van de dienstverleners en de kwaliteit van de diensten.
Het enige verschil is dat de eerstelijnszorgpartners niet direct de contracten met de zorgverzekeraar afsluiten, maar dat de contracten lopen via de Stichting (waarbij de eerstelijnszorgpartners van het samenwerkingsverband worden opgesomd in een bij de overeenkomst horende bijlage).
Daarnaast wordt ook aan de overige voorwaarden van de vrijstelling voldaan. De diensten worden immers bekostigd op grond van de Zorgverzekeringswet en staan nader beschreven in de door de Nederlandse Zorgautoriteit voor deze vormen van zorg vastgestelde beleidsregels ingevolge de Wet marktordening gezondheidszorg. Gelet op het neutraliteitsbeginsel mag de btw-behandeling van de diensten van de eerstelijnszorgpartners dientengevolge niet afwijken van de diensten van de Stichting. Een ongelijke behandeling van gelijkwaardige diensten zou in strijd zijn met het neutraliteitsbeginsel.18.
2.36
Wanneer de werkzaamheden van belanghebbende in het kader van de GEZ moeten worden aangemerkt als een zelfstandige prestatie voor de omzetbelasting, dan heeft het Hof — gelet op de geschiedenis en doel en strekking van de bepaling, de btw-richtlijn en de rechtspraak van het Hof van Justitie — ten onrechte geoordeeld dat belanghebbende niet onder post b.20 van bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 valt. Onzes inziens dient de uitspraak van het Hof te worden vernietigd.
Cassatiemiddel 3
2.37
Tot slot heeft het Hof bij de beoordeling van het rechtstreekse beroep van belanghebbende op artikel 132, eerste lid, onderdeel g, Btw-richtlijn, naar onze mening ten onrechte niet getoetst — aan de hand van de in de jurisprudentie van het Hof van Justitie ontwikkelde criteria — of de Nederlandse wetgever en/of de belastingdienst met artikel 11, eerste lid, onderdeel f, Wet op de omzetbelasting 1968 in samenhang met artikel 7 van het Besluit en bijlage B, post b.20 bij dit Besluit, de grenzen van de krachtens de vrijstellingsbepaling in de Btw-richtlijn toegekende beoordelingsbevoegdheid heeft geëerbiedigd, en of belanghebbende met een rechtstreeks beroep op het Unierecht kan worden aangemerkt als een instelling van sociale aard.
2.38
Het Hof geeft slechts aan dat voor toepassing van artikel 132, eerste lid, onderdeel g, Btw-richtlijn vereist is dat een organisatie door de lidstaat als instelling van sociale aard wordt erkend en dat volgens artikel 7 van het Besluit erkenning mogelijk is door opname in bijlage B van het Besluit of op verzoek voor zover de leveringen en diensten de leveringen en diensten voldoen aan de in artikel 7, tweede lid, van het Besluit genoemde voorwaarden. Aangezien geen verzoek is ingediend als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het Besluit, is het Hof van mening dat van een erkenning als bedoeld in artikel 132, eerste lid, onderdeel g, van de Btw-richtlijn geen sprake is.
2.39
Dit oordeel is onzes inziens in strijd met het recht. Het Hof heeft ten onrechte nagelaten om te beoordelen of de Nederlandse wetgever met artikel 11, lid 1, onderdeel f, Wet op de omzetbelasting 1968 en artikel 7 van het Besluit is gebleven binnen de boordelingsbevoegdheid die artikel 132, eerste lid, onderdeel g, Btw-richtlijn de lidstaten biedt.
2.40
Volledigheidshalve merken wij op dat belanghebbende geen verzoek om erkenning heeft ingediend als bedoeld in artikel 7 lid 2 van het Besluit, omdat belanghebbende ervan is uitgegaan dat zij voor haar activiteiten beroep kan doen op de vrijstelling omzetbelasting van artikel 11, lid 1, letter g Wet op de omzetbelasting 1968, dan wel vanuit het samenwerkingsverband op de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, Wet op de omzetbelasting 1968 in samenhang met artikel 7 van het Besluit en bijlage B, post b.20 bij dit Besluit. Dit neemt naar onze mening niet weg dat de rechter in dit geval dient te toetsen of de Nederlandse wetgever de hiervoor bedoelde beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot artikel 132, eerste lid, onderdeel g, van de Btw-richtlijn (alsmede artikel 133 van de Btw-richtlijn) heeft geëerbiedigd.
2.41
Op basis van artikel 132, lid 1, onderdeel g, van de Btw-richtlijn kan de vrijstelling worden toegepast indien is voldaan aan twee voorwaarden:
- 1.
er dient sprake te zijn van handelingen die bestaan uit diensten en goederenleveringen welke nauw verband houden met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid; en
- 2.
deze handelingen dienen te worden verricht door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard zijn erkend.
2.42
Met betrekking tot de onder 1 genoemde voorwaarde is het onzes inziens niet in geschil dat de organiserende en coördinerende diensten in het kader van de multidisciplinaire eerstelijnszorg, welke worden bekostigd op basis van de GEZ-module, nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid (post b.20 is gestoeld op deze voorwaarde).
2.43
In het arrest van het Hof van Justitie van 10 september 200219. heeft het Hof van Justitie met betrekking tot de tweede voorwaarde het volgende bepaald:
- ‘54.
Wat ten slotte de organisaties betreft ‘die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend’, is het inderdaad zo dat, zoals de Duitse regering stelt, artikel 13, A, lid 1, sub g, van de Zesde richtlijn de lidstaten een beoordelingsbevoegdheid verleent om de sociale aard van bepaalde organisaties te erkennen.
- 55.
Zolang de lidstaten de grenzen van de hun bij artikel 13, A, lid 1, sub g, van de Zesde richtlijn toegekende beoordelingsbevoegdheid eerbiedigen, kunnen particulieren niet op basis van deze bepaling in de betrokken lidstaat de erkenning als organisatie van sociale aard afdwingen.
- 56.
Daartoe dienen de nationale rechterlijke instanties, wanneer een natuurlijke persoon verzoekt te worden erkend als organisatie van sociale aard, na te gaan of de bevoegde instanties bedoelde grenzen hebben geëerbiedigd door beginselen van gemeenschapsrecht, met name het gelijkheidsbeginsel, toe te passen.
- 57.
Het staat bijgevolg aan de nationale autoriteiten om overeenkomstig het gemeenschapsrecht en onder toezicht van de nationale rechterlijke instanties, met name in het licht van de door de bevoegde administratie in overeenkomstige situaties gevolgde praktijk, te bepalen welke organisaties moeten worden erkend als instelling van sociale aard in de zin van artikel 13, A, lid 1, sub g, van de Zesde richtlijn.
- 58.
In het hoofdgeding zal de verwijzende rechter tevens in aanmerking kunnen nemen dat specifieke bepalingen gelden, ongeacht of deze deel uitmaken van federaal recht of deelstaatsrecht, van wettelijke of bestuursrechtelijke aard zijn en tot het belastingrecht of het socialezekerheidsrecht behoren, dat verenigingen met dezelfde werkzaamheden als verzoekster in het hoofdgeding reeds een soortgelijke vrijstelling genieten op grond van het algemeen belang van die werkzaamheden, alsmede dat de kosten van de door verzoekster in het hoofdgeding aangeboden diensten eventueel grotendeels worden gedragen door de bij wet ingestelde ziekenfondsen of door de sociale zekerheidsinstellingen waarmee particuliere ondernemers, zoals verzoekster in het hoofdgeding, contractuele betrekkingen onderhouden.
- 59.
Aan deze conclusie wordt niet afgedaan doordat volgens artikel 13, A, lid 2, van de Zesde richtlijn de verlening van de in artikel 13, A, lid 1, voorziene vrijstellingen afhankelijk mag worden gesteld van de inachtneming van een of meer voorwaarden.
- 60.
Bij deze beperking op de regel van niet-onderwerping gaat het immers slechts om een mogelijkheid en een lidstaat die heeft nagelaten de daartoe noodzakelijke maatregelen te treffen, kan zich niet op zijn eigen nalatigheid beroepen om een belastingplichtige het voordeel van een vrijstelling te weigeren waarop deze krachtens de Zesde richtlijn rechtmatig aanspraak kan maken.
- 61.
Derhalve dient op de derde vraag te worden geantwoord dat de algemene verzorging en de huishoudelijke hulp die door een dienst voor ambulante verpleging worden verstrekt aan personen die in fysiek of economisch opzicht hulpbehoevend zijn, zijn aan te merken als dienstverlening die nauw samenhangt met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid in de zin van artikel 13, A, lid 1, sub g, van de Zesde richtlijn. Een belastingplichtige kan zich voor een nationale rechterlijke instantie op de in artikel 13, A, lid 1, sub g, van de Zesde richtlijn voorziene vrijstelling beroepen om zich te verzetten tegen een niet met deze bepaling strokende nationale regeling. Het staat aan de nationale rechter om. rekening houdend met alle relevante elementen, vast te stellen of de belastingplichtige een erkende organisatie van sociale aard is in de zin van genoemde bepaling. ’
2.44
In de latere rechtspraak, waaronder het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Zimmermann van 15 november 2012,20. worden de overwegingen in het arrest Kügler bevestigd. In de zaak van 15 november 2012 wordt bijvoorbeeld het volgende overwogen:
- ‘31.
Uit de rechtspraak van het Hof blijkt evenwel dat de nationale autoriteiten overeenkomstig het Unierecht en onder het toezicht van de nationale rechterlijke instanties verschillende elementen in aanmerking moeten nemen bij de vaststelling van de instellingen die als instellingen van ‘sociale aard’ in de zin van artikel 13, A, lid 1, sub g, van de Zesde richtlijn moeten worden erkend. Hierbij kan worden gedacht aan het bestaan van specifieke bepalingen, ongeacht of het gaat om nationale of regionale bepalingen, om wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of om fiscale voorschriften dan wel om voorschriften op het gebied van de sociale zekerheid, aan het algemeen belang van de activiteiten van de betrokken belastingplichtige, aan het feit dat andere belastingplichtigen die dezelfde activiteiten uitoefenen reeds een soortgelijke erkenning hebben verkregen, alsook aan het feit dat de kosten van de betrokken prestaties mogelijkerwijs grotendeels worden gedragen door ziekenfondsen of andere sociale zekerheidsinstellingen (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Kügler, punten 57 en 58, en Kingscrest Associates en Montecello, punt 53, alsook naar analogie arrest van 6 november 2003, Dornier, C-45/01, Jurispr. blz. 1-12911, punten 72 en 73, en reeds aangehaalde arresten L.u.P., punt 53, en CopyGene, punten 65 en 71).
- 32.
Daarenboven kan een belastingplichtige zich voor een nationale rechterlijke instantie op de in artikel 13, A, lid 1, sub g, van de Zesde richtlijn bedoelde vrijstelling beroepen om zich te verzetten tegen een nationale regeling die niet met deze bepaling strookt. In dat geval staat het aan de nationale rechter om, rekening houdend met alle relevante elementen, vast te stellen of de belastingplichtige een erkende instelling van sociale aard is in de zin van deze bepaling (zie arrest Kügler, reeds aangehaald, punt 61).
- 33.
Wanneer een belastingplichtige de erkenning of niet-erkenning als instelling van sociale aard als bedoeld in artikel 13, A, lid 1, sub g, van de Zesde richtlijn betwist, staat het dus aan de nationale rechterlijke instanties om na te gaan of de bevoegde instanties de grenzen van de krachtens deze bepaling toegekende beoordelingsbevoegdheid hebben geëerbiedigd met inachtneming van de beginselen van het Unierecht, waaronder met name het beginsel van gelijke behandeling, dat in btw-zaken uitdrukking vindt in het beginsel van fiscale neutraliteit (zie met name in die zin reeds aangehaalde arresten Kügler, punt 56; Kingscrest Associates en Montecello, punten 52 en 54, en L.u.P., punt 48).’
2.45
Uit de hiervoor beschreven rechtspraak kan naar onze mening worden afgeleid dat wanneer een belastingplichtige op basis van een nationale regeling niet als instelling van sociale aard is erkend, bijvoorbeeld omdat post B-20 van het Besluit te beperkt wordt toegepast door de belastingdienst, de rechter naar aanleiding van een rechtstreeks beroep op artikel 132, eerste lid, onderdeel g, Btw-richtlijn de betreffende belastingplichtige alsnog als een instelling van sociale aard kan aanmerken. Het was in het onderhavige geval dan ook aan het Hof om te beoordelen of de Nederlandse autoriteiten met artikel 7 van het Besluit en bijlage B bij het besluit zijn gebleven binnen de grenzen van de krachtens de artikel 132, eerste lid, onderdeel g, Btw-richtlijn toegekende beoordelingsbevoegdheid. Het Hof had bij deze beoordeling de volgende elementen in aanmerking dienen te nemen:
- a)
het bestaan van specifieke bepalingen, ongeacht of het gaat om nationale of regionale bepalingen, om wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of om fiscale voorschriften dan wel om voorschriften op het gebied van sociale zekerheid;
- b)
het algemeen belang van de activiteiten van belanghebbende;
- c)
het feit dat andere belastingplichtigen die dezelfde activiteiten uitoefenen reeds een soortgelijke erkenning hebben verkregen; en
- d)
het feit dat de kosten van de betrokken prestaties mogelijkerwijs grotendeels worden gedragen door ziekenfondsen (in de Engelse vertaling: ‘health insurance scheme’) of andere sociale zekerheidsinstellingen.21.
Op basis van de rechtspraak kunnen ook andere elementen een rol spelen, zoals het feit dat bepaalde activiteiten worden gedekt door dezelfde (wettelijke) regeling als andere activiteiten van sociale aard.22.
2.46
Op basis van artikel 133 van de Btw-richtlijn kunnen lidstaten de toepassing van de vrijstelling van artikel 132, lid 1, onderdeel g, Btw-richtlijn afhankelijk stellen van bepaalde voorwaarden. Nederland heeft de vrijstelling in beginsel afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de instelling geen winst mag beogen en geen verstoring van de mededinging optreedt ten nadele van belastingplichtige commerciële ondernemingen. Echter, voor een aantal instellingen (waaronder de instellingen bedoeld in post b.20 van bijlage B bij het Besluit) geldt dat wel winst mag worden beoogd. Naar onze mening moet ook artikel 133 van de Btw-richtlijn — net als artikel 132, lid 1, onderdeel g, Btw-richtlijn — zo worden uitgelegd dat deze bepaling de lidstaten een bepaalde beoordelingsvrijheid biedt, maar dat de lidstaten hierbij wel de doel en strekking van de bepaling en de beginselen van het Unierecht, waaronder in het bijzonder het beginsel van fiscale neutraliteit en het gelijkheidsbeginsel, dienen te eerbiedigen.
2.47
Wanneer post b.20 van bijlage B en artikel 7 van het Besluit zo moeten worden uitgelegd dat belanghebbende en andere eerstelijnszorgpartners niet vallen onder post b.20 en daarom, in tegenstelling tot de Stichting, alleen een verzoek tot erkenning als instelling van sociale aard kunnen doen wanneer zij geen winst beogen, dan is deze nationale regeling naar onze mening in strijd met het beginsel van fiscale neutraliteit en het gelijkheidsbeginsel. De Nederlandse wetgever is dan naar onze mening niet gebleven binnen de beoordelingsbevoegdheid die krachtens artikel 132, eerste lid, onderdeel g van de Btw-richtlijn aan Nederland is toegekend. De diensten van de eerstelijnszorgpartners en de diensten van de Stichting zijn immers gelijk. Het beginsel van fiscale neutraliteit verzet zich tegen een nationale regeling die diensten verricht door natuurlijke personen en maatschappen (door voor deze belastingplichtigen wel het vereiste te stellen dat geen sprake is van een winstoogmerk), anders behandelt dan dezelfde diensten van het samenwerkingsverband waar deze personen en maatschappen deel van uitmaken.
2.48
Bovendien voldoen de activiteiten van belanghebbende aan alle elementen waarmee volgens de hierboven beschreven rechtspraak rekening moet worden gehouden bij de beoordeling of belanghebbende een erkende instelling van sociale aard is in de zin van artikel 132, eerste lid, onderdeel g, van de Btw-richtlijn.
2.49
De activiteiten in het kader van de eerstelijnszorg worden verricht in het algemeen belang. Dit blijkt ook uit het feit dat de vrijstelling voor medische diensten valt onder artikel 132 Btw-richtlijn, dat als opschrift draagt ‘vrijstellingen voor bepaalde activiteiten van algemeen belang’. Een goede organisatie van de multidisciplinaire eerstelijnszorg komt de kwaliteit van de zorg en daarmee het algemeen belang ten goede.
2.50
Bovendien hebben andere belastingplichtigen die (exact) dezelfde activiteiten uitoefenen, zoals de Stichting, reeds een soortgelijke erkenning verkregen. Wanneer belanghebbende niet zou worden erkend als instelling van sociale aard, zou dit strijd opleveren met het reeds genoemde neutraliteits- en gelijkheidsbeginsel.
2.51
Tot slot worden de kosten van de activiteiten van belanghebbende — ook de (preventieve zorg-) activiteiten in het kader van de GEZ-module — bekostigd op grond van de Zorgverzekeringswet. De beleidsregels van de Nationale Zorgautoriteit omvatten voorwaarden, voorschriften en beperkingen waaraan de activiteiten dienen te voldoen.
2.52
Alle relevante elementen genoemd onder a) tot en met d) zijn van toepassing op belanghebbende. Dientengevolge kan belanghebbende onzes inziens worden aangemerkt als dienstverrichter van sociale aard in de zin van artikel 132, eerste lid, onderdeel g, Btw-richtlijn en de in dit kader ontwikkelde rechtspraak van het Hof van Justitie. Naar onze mening hoeft belanghebbende niet te voldoen aan het vereiste dat geen sprake mag zijn van een winstoogmerk. Het zou immers in strijd zijn met het beginsel van fiscale neutraliteit en het gelijkheidsbeginsel om deze voorwaarde wel te stellen aan belanghebbende, maar niet aan de samenwerkingsverbanden in de eerstelijnszorg, zoals de Stichting.
2.53
Gelet op het vorenstaande heeft het Hof ten onrechte niet getoetst of de Nederlandse autoriteiten de grenzen van de beoordelingsbevoegdheid die artikel 132, eerste lid, onderdeel g, van de Btw-richtlijn bij het opstellen van de nationale regeling opgenomen in artikel 7 van het Besluit en bijlage B bij dit besluit hebben geëerbiedigd. Daarnaast heeft het Hof — in strijd met de rechtspraak van het Hof van Justitie — niet beoordeeld of belanghebbende moet worden aangemerkt als instelling van sociale aard in het licht van de door het Hof van Justitie genoemde relevante elementen.
2.54
Gelet op het vorenstaande dient de uitspraak van het Hof naar onze mening te worden vernietigd.
3. Verzoek proceskostenvergoeding
Namens belanghebbende verzoeken wij u de Minister te veroordelen tot een integrale vergoeding van de door belanghebbende gemaakte (proces)kosten. De belastingdienst heeft na de uitspraak op bezwaar naar aanleiding van het eerste bezwaarschrift van belanghebbende, de overige bezwaarschriften van belanghebbende die betrekking hebben op exact dezelfde casus (uitsluitend een ander belastingtijdvak) niet willen aanhouden tot de Rechtbank, het Gerechtshof of de Hoge Raad onherroepelijk uitspraak zou hebben gedaan. Dit heeft tot gevolg dat er een groot aantal zaken door de Rechtbank, het Gerechtshof en uw Hoge Raad worden behandeld en dat cliënte aanzienlijk meer proceskosten heeft moeten maken. Om deze reden is een integrale vergoeding van de proceskosten naar onze mening op zijn plaats.
4. Conclusie en slot
Namens belanghebbende verzoeken wij u de uitspraak van het Hof te vernietigen en de zaak zelf af te doen door:
- a.
primair goed te keuren dat belanghebbende voor haar activiteiten, bekostigd vanuit de GEZ module, beroep kan doen op de medische vrijstelling van artikel 11, lid 1, letter g van de Wet op de omzetbelasting 1968,
- b.
subsidiair te oordelen dat belanghebbende voor haar activiteiten, bekostigd vanuit de GEZ module, beroep kan doen op de vrijstelling van artikel 11, lid 1, letter f van de Wet op de omzetbelasting 1968 jo artikel 7 van het Besluit en bijlage B, post b.20 bij dit Besluit; dan wel
- c.
meer subsidiair belanghebbende vanwege haar rechtstreeks beroep op het Unie-recht aan te merken als een instelling van sociale aard met als gevolg dat belanghebbende voor haar activiteiten, bekostigd vanuit de GEZ module, beroep kan doen op de vrijstelling van artikel 11, lid 1, letter f van de Wet op de omzetbelasting 1968 jo artikel 7 van het Besluit en bijlage B, post b.20 bij dit Besluit.
Mocht u vragen hebben of informatie wensen te ontvangen, dan zijn wij natuurlijk altijd bereid om die te beantwoorden ofte vertrekken. U kunt ons bereiken via:
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 03‑10‑2025
Besluit van 6 december 2014, nr. BLKB 2014/704M, zoals gewijzigd bij besluit van 10 oktober 2017, nr. BLKB2017/7366.
Zoals bijvoorbeeld HvJ EG 25 februari 1999, C-349/96, ECLI:EU:C:1999:93 (CPP); HvJ EU 18 januari 2018, C-463/16, ECLI:EU:C:2018:22(Stadion Amsterdam).
De Rechtbank heeft in rechtsoverweging 18 van haar uitspraak geoordeeld dat de uitoefening van het medische beroep van huisarts en daarmee dus de zorgverlening aan de patiënt voorop staat. De patiënt is de afnemer van de GEZ-prestaties. Een deel van de zorg wordt door de verschillende eerstelijnszorgverleners — via de Stichting — met elkaar afgestemd en zodanig georganiseerd dat een kwalitatief betere zorg kan worden geleverd. De Rechtbank maakt wel de connectie tussen de prestaties van belanghebbende, allen gericht op zorgverlening aan de patiënt.
Zie ook HvJ EU 26 mei 2016, C-607/14, ECLI:EU:C:2016:355(Bookif), r.o. 27 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie onder meer HvJ EU 26 mei 2016, C-607/14, ECLI:EU:C:2016:355 (Bookit), r.o. 26 en de aldaar aangehaalde rechtspraak; HvJ EU 2 december 2010, C-276/09, ECLI:EU:C:2010:730 (everything everywhere), r.o. 29 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Amendement van de leden Groot en Nepperus, kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2015/16, 34 302, nr. 53.
Handelingen TK 2015/16, nr. 22, item 17, Gezamenlijke behandeling pakket Belastingplan 2016 en Wet uitvoering Common Reporting, p. 22.
Handelingen TK 2015/16, nr. 23, item 8, Voortzetting gezamenlijke behandeling pakket Belastingplan 2016 en Wet uitvoering Common Reporting, p. 8–9.
Nota van toelichting bij Besluit van 23 december 2015 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van belastingen en toeslagen, p. 17.
Nota van toelichting bij Besluit van 23 december 2015 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van belastingen en toeslagen, p. 27.
In de GEZ-module overeenkomst welke wordt gesloten met de preferente zorgverzekeraar (welke de verre verzekeraars volgen) worden alle vaste verbonden eerstelijnszorgpartners genoemd. Het samenwerkingsverband is derhalve bekend bij de zorgverzekeraars.
HvJ EU 15 februari 2017, C-592/15, ECLI:EU:C:2017:117(British Film Institute).
Zie bijvoorbeeld HvJ EG 10 september 2002, C-141/00, ECLI:EU:C:2002:473(Kügler), r.o. 61.
Zie HvJ EU 15 november 2012, C-174/11, ECLI:EU:C:2012:716 (Zimmermann), r.o. 33 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie bijvoorbeeld HvJ EG 9 februari 2006, C-415/04, ECLI:EU:C:2006:95(Kinderopvang Enschede), r.o. 23; HvJ EU 15 november 2012, C-174/11, ECLI:EU:C:2012:716 (Zimmermann), r.o. 57 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie bijvoorbeeld Hof Den Haag 29 juni 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BX2855; Hof Den Bosch 22 juni 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX0076.
Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 29 november 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9618.
HvJ EG 10 september 2002, C-141/00, ECLI:EU:C:2002:473 (Kügler).
HvJ EU 15 november 2012, C-174/11, ECLI:EU:C:2012:716 (Zimmermann).
Zie HvJ EU 15 november 2012, C-174/11, ECLI:EU:C:2012:716 (Zimmermann), r.o. 31 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie HvJ EU 21 januari 2016, C-335/14, ECLI:EU:C:2016:36(Les Jardins de Jouvence), r.o. 36–40.
Uitspraak 03‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting; art. 11, lid 1, letters f en g, Wet OB 1968; art. 7 Uitvoeringsbesluit OB en post 20 van Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit OB; organisatie van geïntegreerde eerstelijnszorg; door huisarts tegen vergoeding verrichte diensten jegens een samenwerkingsverband niet vrijgesteld van omzetbelasting. Zie ook 22/00859, ECLI:NL:HR:2025:1326
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/00863
Datum 3 oktober 2025
ARREST
in de zaak van
[X8] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 februari 2022, nrs. 20/00253 tot en met 20/00256, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 17/4925, AWB 17/4927, AWB 17/4928 en AWB 18/824) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan omzetbelasting over de tijdvakken 1 april 2016 tot en met 30 juni 2016, 1 juli 2016 tot en met 30 september 2016, 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2016, en 1 juli 2017 tot en met 30 september 2017.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door E.E. Tissen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 30 december 2022 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.1.Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
1.3
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 5 juni 2024 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 22/00859, ECLI:NL:HR:2025:1326.
3. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
3.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 5 juni 2024 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
3.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 10 maart 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan 18 maanden, maar minder dan 24 maanden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 2.000.
4. Proceskosten
4.1
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
4.2
In de omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.2.
4.3
Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad in zo’n geval tot uitgangspunt dat i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en ii) op een dergelijk verzoek van toepassing is wegingsfactor 0,25 (zeer licht) zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.3.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 2.000, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 227 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑10‑2025
Zie HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.14.1.
Zie HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2.
Uitspraak 03‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting; art. 11, lid 1, letters f en g, Wet OB 1968; art. 7 Uitvoeringsbesluit OB en post 20 van Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit OB; organisatie van geïntegreerde eerstelijnszorg; door huisarts tegen vergoeding verrichte diensten jegens een samenwerkingsverband niet vrijgesteld van omzetbelasting. Zie ook 22/00859, ECLI:NL:HR:2025:1326
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/00861
Datum 3 oktober 2025
ARREST
in de zaak van
MAATSCHAP [X6] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 februari 2022, nrs. 20/00243 en 20/00244, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 17/4923 en AWB 18/5660) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan omzetbelasting over de tijdvakken 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 en 1 april 2018 tot en met 30 juni 2018.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door E.E. Tissen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 30 december 2022 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.1.Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
1.3
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 5 juni 2024 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 22/00859, ECLI:NL:HR:2025:1326.
3. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
3.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 5 juni 2024 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
3.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 10 maart 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan 18 maanden, maar minder dan 24 maanden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 2.000.
4. Proceskosten
4.1
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
4.2
In de omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.2.
4.3
Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad in zo’n geval tot uitgangspunt dat i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en ii) op een dergelijk verzoek van toepassing is wegingsfactor 0,25 (zeer licht) zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.3.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 2.000, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 227 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑10‑2025
Zie HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.14.1.
Zie HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2.
Uitspraak 03‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting; art. 11, lid 1, letters f en g, Wet OB 1968; art. 7 Uitvoeringsbesluit OB en post 20 van Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit OB; organisatie van geïntegreerde eerstelijnszorg; door huisarts tegen vergoeding verrichte diensten jegens een samenwerkingsverband niet vrijgesteld van omzetbelasting. Zie ook 22/00859, ECLI:NL:HR:2025:1326
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/00862
Datum 3 oktober 2025
ARREST
in de zaak van
[X7] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 februari 2022, nrs. 20/00274 tot en met 20/00278, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 17/5151, AWB 17/5152, AWB 17/5157, AWB 17/5159 en AWB 17/5160) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan omzetbelasting over de tijdvakken 1 april 2016 tot en met 30 juni 2016, 1 juli 2016 tot en met 30 september 2016, 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2016, 1 januari 2017 tot en met 31 maart 2017, en 1 april 2017 tot en met 30 juni 2017.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door E.E. Tissen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 30 december 2022 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.1.Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
1.3
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 5 juni 2024 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 22/00859, ECLI:NL:HR:2025:1326.
3. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
3.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 5 juni 2024 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
3.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 10 maart 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan 18 maanden, maar minder dan 24 maanden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 2.000.
4. Proceskosten
4.1
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
4.2
In de omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.2.
4.3
Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad in zo’n geval tot uitgangspunt dat i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en ii) op een dergelijk verzoek van toepassing is wegingsfactor 0,25 (zeer licht) zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.3.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 2.000, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 227 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑10‑2025
Zie HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.14.1.
Zie HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2.
Uitspraak 03‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting; art. 11, lid 1, letters f en g, Wet OB 1968; art. 7 Uitvoeringsbesluit OB en post 20 van Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit OB; organisatie van geïntegreerde eerstelijnszorg; door huisarts tegen vergoeding verrichte diensten jegens een samenwerkingsverband niet vrijgesteld van omzetbelasting. Zie ook 22/00859, ECLI:NL:HR:2025:1326
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/00858
Datum 3 oktober 2025
ARREST
in de zaak van
de maatschap [X3] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 februari 2022, nrs. 20/00246 tot en met 20/00252, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 17/4929, AWB 17/4931, AWB 17/4932, AWB 18/818, AWB 18/2410, AWB 18/3305 en AWB 18/5153) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan omzetbelasting over de tijdvakken 1 april 2016 tot en met 30 juni 2016, 1 juli 2016 tot en met 30 september 2016, 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2016, 1 april 2017 tot en met 30 juni 2017, 1 juli 2017 tot en met 30 september 2017, 1 oktober 2017 tot en met 31 december 2017 en 1 januari 2018 tot en met 31 maart 2018.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door E.E. Tissen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 30 december 2022 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.1.Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
1.3
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 5 juni 2024 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 22/00859, ECLI:NL:HR:2025:1326.
3. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
3.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 5 juni 2024 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
3.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 10 maart 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan 18 maanden, maar minder dan 24 maanden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 2.000.
4. Proceskosten
4.1
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
4.2
In de omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.2.
4.3
Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad in zo’n geval tot uitgangspunt dat i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en ii) op een dergelijk verzoek van toepassing is wegingsfactor 0,25 (zeer licht) zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.3.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 2.000, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 227 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑10‑2025
Zie HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.14.1.
Zie HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2.
Uitspraak 03‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting; art. 11, lid 1, letters f en g, Wet OB 1968; art. 7 Uitvoeringsbesluit OB en post 20 van Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit OB; organisatie van geïntegreerde eerstelijnszorg; door huisarts tegen vergoeding verrichte diensten jegens een samenwerkingsverband niet vrijgesteld van omzetbelasting.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/00859
Datum 3 oktober 2025
ARREST
in de zaak
[X4] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 februari 2022, nr. 20/002421., op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 17/4924) betreffende het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak 1 juli 2016 tot en met 30 september 2016.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door E.E. Tissen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 30 december 2022 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.2.Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
1.3
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 5 juni 2024 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende oefent in de vorm van een eenmanszaak een huisartsenpraktijk uit in de stad [Q].
2.2
Als huisarts behoort belanghebbende tot de zogenoemde eerstelijnszorgaanbieders, dat wil zeggen aanbieders van generalistische zorg die rechtstreeks door personen met zorgvragen kunnen worden geraadpleegd. Naast het bieden van huisartsenzorg in zijn praktijk verricht belanghebbende werkzaamheden voor een stichting (hierna: de Stichting). De Stichting is opgericht door belanghebbende en andere eerstelijnszorgaanbieders, waaronder diëtisten, apothekers en fysiotherapeuten, met als doel het organiseren van geïntegreerde eerstelijnszorg in het stadsdeel waar de huisartsenpraktijk van belanghebbende is gevestigd.
2.3
Geïntegreerde eerstelijnszorg betreft multidisciplinaire eerstelijnszorg die door zorgverleners met een verschillende disciplinaire achtergrond in samenhang wordt geleverd en waarbij regie noodzakelijk is om het zorgproces rond de patiënt te leveren. Daartoe maken zorgverleners met elkaar afspraken over de inhoud van aan patiënten met een of meer bepaalde aandoeningen te verlenen zorg en de onderlinge afstemming daarvan, gericht op de vraag van de patiënt.Zorgverzekeraars bekostigen de personele inzet, organisatie en infrastructuur die nodig zijn voor een dergelijke multidisciplinaire samenwerking. De Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: de NZa) heeft ten behoeve van die samenwerking met ingang van 1 januari 2016 voorschriften uitgevaardigd en ook beleidsregels gegeven met betrekking tot de administratie en declaratie bij de zorgverzekeraar.3.Uit die voorschriften volgt dat beroepsbeoefenaren uit de eerstelijnsgezondheidszorg, onder wie in elk geval één aanbieder van huisartsenzorg, een organisatorisch verband moeten vormen, al dan niet met rechtspersoonlijkheid, waarbinnen die beroepsbeoefenaren structureel met elkaar samenwerken.De zorgverzekeraar betaalt jaarlijks aan degene die namens een dergelijk samenwerkingsverband ter zake van de module geïntegreerde eerstelijnszorg contracteert en declareert, een overeengekomen vast bedrag per patiënt die is ingeschreven bij de aangesloten huisarts(en) en bij de desbetreffende zorgverzekeraar is verzekerd.De individuele eerstelijnszorg die aan patiënten wordt verleend, blijven de zorgverzekeraars rechtstreeks vergoeden aan de desbetreffende zorgverlener, ook wanneer die zorg wordt verleend in het kader van geïntegreerde eerstelijnszorg.
2.4
De Stichting is een organisatorisch verband als hiervoor in 2.3 bedoeld. Zij stelt zich tot doel ervoor zorg te dragen dat de bij haar aangesloten zorgverleners de geïntegreerde eerstelijnszorg uitvoeren en dat de continuïteit van die zorg wordt gegarandeerd. De Stichting heeft daartoe met zorgverleners, onder wie belanghebbende, een samenwerkingsovereenkomst gesloten. Volgens die overeenkomst beogen de Stichting en de zorgverleners gezamenlijk invulling te geven aan geïntegreerde eerstelijnszorg in overeenstemming met de hiervoor in 2.3 bedoelde beleidsregel van de NZa door middel van het maken van multidisciplinaire werkafspraken.In die samenwerkingsovereenkomst is bepaald dat de Stichting (i) ondersteuning biedt bij de totstandkoming en formalisering van multidisciplinaire werkafspraken, (ii) zorgt voor contractering met zorgverzekeraars en andere partijen en voor financiering van de activiteiten, (iii) volgens een door haar vast te stellen begroting beslist op welke wijze en aan welke projecten de verkregen financiële middelen worden besteed en, ten behoeve van de uitvoering van de werkzaamheden, (iv) een vergoeding ter beschikking stelt voor inspanningen van betrokkenen ter zake van door de Stichting geaccordeerde activiteiten.De Stichting is verantwoordelijk voor de organisatie en coördinatie van de geïntegreerde zorg. De medische verantwoordelijkheid voor de verleende zorg blijft berusten bij de bij haar aangesloten zorgverleners.
2.5
De Stichting heeft geen eigen personeel. De werkzaamheden van de Stichting worden hoofdzakelijk uitgevoerd door de eerstelijnszorgverleners zelf die met de Stichting een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten, dan wel door medewerkers van die zorgverleners, in beginsel tegen een vergoeding rekening houdend met de verwachte financiële middelen. De Stichting kan ook derden aantrekken om werkzaamheden tegen een vergoeding te verrichten.Wat betreft het geven van invulling aan geïntegreerde eerstelijnszorg worden werkgroepen, in wisselende samenstelling, gevormd die specifieke patiëntengroepen in beeld hebben. De werkgroepen onderzoeken hoe de zorg aan deze groepen kan worden gestroomlijnd en hoe de samenwerking en communicatie tussen zorgverleners kan worden verbeterd. Zij stellen voor specifieke patiëntengroepen multidisciplinaire zorgbehandelplannen op en maken werkafspraken over het afstemmen van zorg, het door betrokken zorgverleners aan elkaar rapporteren, en het evalueren van de zorg. De resultaten van de door die werkgroepen verrichte werkzaamheden zijn beschikbaar voor alle bij de Stichting aangesloten zorgverleners, ook voor hen die niet aan een werkgroep hebben deelgenomen.
2.6
Belanghebbende heeft in het derde kwartaal van 2016 op basis van de door hem met de Stichting gesloten samenwerkingsovereenkomst coördinerende en ondersteunende werkzaamheden verricht in het kader van projecten die binnen het verband van de Stichting zijn geëntameerd. Ter zake van deze werkzaamheden heeft hij de Stichting een vergoeding, inclusief omzetbelasting, in rekening gebracht. Over deze vergoeding heeft hij omzetbelasting op aangifte voldaan. Tegen het op aangifte voldane bedrag heeft hij bezwaar gemaakt. Hij stelt zich op het standpunt dat deze prestaties zijn vrijgesteld van omzetbelasting.
3. De oordelen van het Hof
3.1
Voor het Hof was niet in geschil dat de hoofdactiviteit van belanghebbende het verlenen van directe medische zorg aan individuele patiënten is en dat deze dienst op grond van artikel 11, lid 1, aanhef en letter g, onder 1º, letter a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) is vrijgesteld van omzetbelasting.Voor het Hof was in geschil of de hiervoor in 2.6 bedoelde werkzaamheden van belanghebbende in het kader van de geïntegreerde eerstelijnszorg opgaan in de vrijgestelde hoofdprestatie van belanghebbende en daarom delen in die vrijstelling.Indien die werkzaamheden niet zouden opgaan in de vrijgestelde hoofdprestatie van belanghebbende was in geschil of die werkzaamheden zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, lid 1, aanhef en letter f, van de Wet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (hierna: het Uitvoeringsbesluit) en post b.20 van Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit (hierna: Bijlage B).
3.2.1
Om te bepalen of de prestaties in het kader van de geïntegreerde eerstelijnszorg zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, lid 1, aanhef en letter g, van de Wet, heeft het Hof eerst onderzocht of de Stichting als ondernemer in de zin van artikel 7, lid 1, van de Wet moet worden aangemerkt. Volgens het Hof is dat het geval. Uit het bestaan van twee overeenkomsten (de overeenkomst tussen belanghebbende en de Stichting en de overeenkomst tussen de Stichting en de zorgverzekeraar), de inhoud van deze overeenkomsten alsmede de toelichting van partijen ter zitting van het Hof, kan naar het oordeel van het Hof niet anders worden geconcludeerd dan dat de Stichting en de zorgverleners elk een activiteit verrichten in eigen naam, voor eigen rekening en onder eigen verantwoordelijkheid en elk het aan die activiteiten verbonden economische risico dragen. Volgens het Hof verricht de Stichting zelfstandig coördinerende handelingen waarvoor zij zorgverleners inschakelt, en verrichten de zorgverleners – naast werkzaamheden voor de Stichting – zelfstandig rechtstreeks zorghandelingen jegens de patiënt.
3.2.2
Het Hof heeft vervolgens, alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, geconcludeerd dat de activiteiten van de Stichting en de activiteiten van belanghebbende voor de Stichting niet kunnen worden gezien als één samengestelde prestatie en dat de werkzaamheden van belanghebbende voor de Stichting ook niet op zichzelf beschouwd onder de vrijstelling van artikel 11, lid 1, letter g, onder 1º, letter a, van de Wet kunnen vallen.
3.3
Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de werkzaamheden van belanghebbende evenmin op grond van artikel 11, lid 1, aanhef en letter f, van de Wet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit en post b.20 van Bijlage B, zijn vrijgesteld. Volgens het Hof is belanghebbende niet een instelling als bedoeld in post b.20 van Bijlage B. Uit de toelichting op post b.20 van Bijlage B bij het Besluit van 23 december 2015 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van belastingen en toeslagen4.(hierna: het Besluit van 23 december 2015) heeft het Hof afgeleid dat een samenwerkingsverband als bedoeld in die post de schakel is tussen de zorgverzekeraar en de eerstelijnszorgverleners. Het is het samenwerkingsverband dat de gelden van de zorgverzekeraars ontvangt. Het samenwerkingsverband verdeelt vervolgens het van de zorgverzekeraars ontvangen bedrag over de betrokken eerstelijnszorgverleners. Met die toelichting is het Hof van oordeel dat de Stichting het in die post bedoelde samenwerkingsverband is en dat belanghebbende, die diensten verricht voor de Stichting, niet valt onder de samenwerkingsverbanden als bedoeld in post b.20 van Bijlage B.
4. Beoordeling van de middelen
4.1
Middel 1 richt zich tegen het oordeel van het Hof dat artikel 11, lid 1, letter g, onder 1º, letter a, van de Wet niet van toepassing is op de werkzaamheden van belanghebbende die worden bekostigd op basis van de module geïntegreerde eerstelijnszorg. Volgens het middel had het Hof niet moeten vaststellen of de Stichting (die mede door belanghebbende en haar andere vaste eerstelijnszorgpartners is opgericht om te kunnen contracteren voor de module geïntegreerde eerstelijnszorg) als ondernemer moet worden aangemerkt, aangezien het ondernemerschap van de Stichting voor de beoordeling van de activiteiten van belanghebbende niet relevant is. Het Hof had moeten onderzoeken of belanghebbende, als ondernemer, zelf – bezien naar de economische realiteit van de handelingen – één samengestelde prestatie verricht richting de patiënt, bestaande in de van omzetbelasting vrijgestelde geneeskundige verzorging van patiënten, waarin de werkzaamheden van belanghebbende in het kader van de geïntegreerde eerstelijnszorg als bijkomende prestatie opgaan, aldus het middel.
4.2.1
Vooropgesteld wordt dat in de hiervoor in 3.2.1 weergegeven – en in cassatie niet bestreden – oordelen van het Hof ligt besloten het oordeel dat belanghebbende zijn werkzaamheden voor de Stichting verricht in eigen naam, voor eigen rekening en onder eigen verantwoordelijkheid en dat hij het aan die activiteiten verbonden economische risico draagt. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst.
4.2.2
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat voor de heffing van omzetbelasting elke tegen een afzonderlijke vergoeding verrichte prestatie in de regel als onderscheiden en zelfstandige prestatie moet worden beschouwd en zodoende elke prestatie als zodanig tot belastingheffing of tot vrijstelling kan leiden. Dat neemt niet weg dat onder omstandigheden handelingen van een belastingplichtige vanuit btw-oogpunt als één enkele, ondeelbare economische prestatie moeten worden beschouwd. Van één enkele prestatie is met name sprake wanneer twee of meer elementen of handelingen die de belastingplichtige levert of verricht, zo nauw met elkaar zijn verbonden dat zij objectief gezien één enkele ondeelbare economische prestatie vormen, waarvan splitsing kunstmatig zou zijn. Dat is ook het geval wanneer een of meer prestaties de hoofdprestatie vormen, terwijl een of meer andere prestaties ondergeschikte prestaties zijn die het fiscale lot van de hoofdprestatie delen.5.De vraag of door een belastingplichtige tegen afzonderlijke vergoeding verrichte handelingen voor omzetbelastingdoeleinden moeten worden aangemerkt als één ondeelbare economische prestatie, moet worden beantwoord met inachtneming van de hiervoor bedoelde rechtspraak van het Hof van Justitie.
4.2.3
Het Hof heeft geoordeeld dat de zorgverleners – naast werkzaamheden voor de Stichting – zelfstandig rechtstreeks zorghandelingen verrichten jegens de patiënt. In dit oordeel ligt besloten het oordeel dat de werkzaamheden die belanghebbende op grond van de samenwerkingsovereenkomst met de Stichting onder bezwarende titel jegens de Stichting verricht, voor de heffing van omzetbelasting als zelfstandige prestaties moeten worden onderscheiden van de zelfstandige prestaties die belanghebbende onder bezwarende titel jegens zijn patiënten verricht.Het middel stelt aan de orde of in dit geval – omwille van de economische realiteit van de handelingen – die beide zelfstandige prestaties, te weten een op grond van een rechtsbetrekking tussen een ondernemer (belanghebbende) en diens afnemer (de patiënt) te verrichten dienst enerzijds, en een op grond van een andere rechtsbetrekking tussen diezelfde ondernemer (belanghebbende) en een andere afnemer (de Stichting) te verrichten dienst anderzijds, niettemin tezamen voor de heffing van omzetbelasting als één dienst moeten worden aangemerkt.
4.2.4
BTW-richtlijn 2006 voorziet niet erin dat een op grond van een rechtsbetrekking tussen een ondernemer en diens afnemer te verrichten dienst enerzijds en een op grond van een andere rechtsbetrekking tussen diezelfde ondernemer en een andere afnemer te verrichten dienst anderzijds, tezamen als één dienst worden aangemerkt. Het is ook niet verenigbaar met de in BTW-richtlijn 2006 neergelegde systematiek om in zo’n geval één dienst aan te nemen. Op grond van artikel 2 van BTW-richtlijn 2006 moet, zoals hiervoor in 4.2.2 is vooropgesteld, elke prestatie in de regel als onderscheiden en zelfstandig worden beschouwd, en op grond van artikel 9 van die richtlijn moet als belastingplichtige worden beschouwd eenieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit. De functionaliteit en de uitvoerbaarheid van de btw zouden in gevaar komen wanneer prestaties die de belastingplichtige jegens verschillende afnemers verricht tezamen als één ondeelbare economische prestatie zouden worden aangemerkt.6.
4.2.5
De door belanghebbende gestelde economische realiteit kan aan het voorgaande niet afdoen. Uit onder meer punt 72 van het arrest van het Hof van Justitie van 28 februari 2023, Fenix International Ltd, C-695/20, ECLI:EU:C:2023:127, volgt dat voor de heffing van btw als regel geldt dat contractuele bepalingen de economische en commerciële realiteit van de handelingen weergeven, zodat de toepasselijke contractuele bepalingen een in aanmerking te nemen factor vormen om te bepalen welke belastbare handelingen tussen de contracterende partijen zijn verricht.Voor het doen wijken van de in contractuele bepalingen neergelegde gevolgen voor de heffing van omzetbelasting omwille van de economische en commerciële realiteit is alleen plaats wanneer btw-fraude, misbruik van recht met het oog op het behalen van een btw-voordeel, of ontwijking van btw wordt vastgesteld. Dat laatste is niet aan de orde in een geval als het onderhavige waarin de hiervoor in 2.3 vermelde regelgeving zorgverleners ertoe verplicht om te werken in één organisatorisch samenwerkingsverband teneinde de module geïntegreerde zorg bij de zorgverzekeraars te kunnen contracteren en de daarmee gemoeide kosten te declareren, en dit organisatorische samenwerkingsverband zodanig is vormgegeven dat het voor de heffing van omzetbelasting als ondernemer wordt aangemerkt.
4.2.6
Uitgaande van hetgeen hiervoor in 4.2.1 tot en met 4.2.5 is overwogen, geeft het oordeel van het Hof dat de werkzaamheden van belanghebbende jegens de Stichting niet een ondeelbare prestatie vormen met de door belanghebbende op grond van artikel 11, lid 1, letter g, onder 1º, letter a, van de Wet vrijgestelde huisartsenzorg die hij jegens de patiënten verleent, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Middel 1 faalt in zoverre.
4.3
Middel 2 is gericht tegen het hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel van het Hof. Het middel betoogt dat het Hof het begrip samenwerkingsverband in post b.20 van Bijlage B te beperkt heeft opgevat. Volgens het middel moet uit de nota van toelichting bij het Besluit van 23 december 2015 worden afgeleid dat het begrip samenwerkingsverband niet alleen betrekking heeft op de diensten van de afzonderlijke juridische entiteit die door de eerstelijnszorgpartners is opgericht, maar ook op de diensten van de eerstelijnszorgpartners zelf die in dat kader met elkaar samenwerken.
4.4
Bij het Besluit van 23 december 2015 is de vrijstelling van artikel 11, lid 1, aanhef en letter f, van de Wet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit en post b.20 van Bijlage B, met ingang van 1 januari 2016 uitgebreid met de leveringen en diensten van sociale of culturele aard die worden verricht door:
“Samenwerkingsverbanden op het gebied van multidisciplinaire eerstelijns- en geboortezorg die kosten voor zorgprestaties declareren voor zover deze diensten worden bekostigd op grond van de Zorgverzekeringswet en nader staan beschreven in de door de Nederlandse Zorgautoriteit voor deze vormen van zorg vastgestelde beleidsregels ingevolge de wet marktordening gezondheidszorg;”.
Uit de nota van toelichting bij dit besluit kan de door middel 2 bepleite uitleg van post b.20 van Bijlage B niet worden afgeleid. De besluitgever heeft de vrijstelling bedoeld voor de organisatorische werkzaamheden van samenwerkingsverbanden waarvoor door de zorgverzekeraar een vergoeding wordt betaald op grond van de Zorgverzekeringswet en die nader zijn beschreven in de door de NZa voor deze vormen van zorg vastgestelde beleidsregels ingevolge de Wet marktordening gezondheidszorg. Die integrale bekostiging door zorgverzekeraars dekt naast de kosten van de (para)medische beroepsbeoefenaars ook de kosten van de organisatie van de zorg. Het samenwerkingsverband verdeelt het van de zorgverzekeraar ontvangen bedrag over de betrokken eerstelijnszorgverleners onder inhouding van de hiervoor bedoelde vergoeding voor de door het samenwerkingsverband verrichte organisatorische werkzaamheden.Post b.20 van Bijlage B beoogt volgens diezelfde toelichting niet méér van omzetbelasting vrij te stellen dan het bedrag dat het samenwerkingsverband inhoudt voor de organisatie van de eerstelijnszorg. Diensten die derden, zoals belanghebbende, jegens zo’n samenwerkingsverband tegen vergoeding verrichten, vallen dus niet onder de vrijstelling van artikel 11, lid 1, aanhef en letter f, van de Wet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit en post b.20 van Bijlage B. De hiervoor bedoelde integrale bekostiging door zorgverzekeraars moet in voorkomend geval ook de omzetbelasting dekken die gemoeid is met de kosten van de (para)medische beroepsbeoefenaars. Middel 2 faalt daarom.
4.5
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
5.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 5 juni 2024 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
5.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 10 maart 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan 18 maanden, maar minder dan 24 maanden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 2.000.
6. Proceskosten
6.1
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
6.2
In de omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.7.
6.3
Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad in zo’n geval tot uitgangspunt dat i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en ii) op een dergelijk verzoek van toepassing is wegingsfactor 0,25 (zeer licht) zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.8.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 2.000, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 227 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑10‑2025
Vgl. Regeling administratie- en declaratievoorschriften module samenwerking ten behoeve van geïntegreerde eerstelijnszorgproducten, NR/CU-709/11D0045523, Stcrt. 2011, 21431, en Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg, kenmerk BR/CU-7157.
Stb. 2015, 544.
Zie onder meer HvJ 20 april 2023, P. w W., C-282/22, ECLI:EU:C:2023:312, en HvJ 16 april 2015, Wojskowa Agencja Mieszkaniowa w Warszawie, C-42/14, ECLI:EU:C:2015:229.
Vgl. voor dit een en ander HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:863, rechtsoverweging 5.4.
Zie HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.14.1.
Zie HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2.
Uitspraak 03‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting; art. 11, lid 1, letters f en g, Wet OB 1968; art. 7 Uitvoeringsbesluit OB en post 20 van Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit OB; organisatie van geïntegreerde eerstelijnszorg; door huisarts tegen vergoeding verrichte diensten jegens een samenwerkingsverband niet vrijgesteld van omzetbelasting. Zie ook 22/00859, ECLI:NL:HR:2025:1326
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/00860
Datum 3 oktober 2025
ARREST
in de zaak van
MAATSCHAP [X5] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 februari 2022, nrs. 20/00262 tot en met 20/00266, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 17/5161, AWB 17/5162, AWB 18/823, AWB 18/4278 en AWB 18/6105) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan omzetbelasting over de tijdvakken 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2016, 1 januari 2017 tot en met 31 maart 2017, 1 juli 2017 tot en met 30 september 2017, 1 januari 2018 tot en met 31 maart 2018, en 1 april 2018 tot en met 30 juni 2018.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door E.E. Tissen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 30 december 2022 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.1.Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
1.3
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 5 juni 2024 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 22/00859, ECLI:NL:HR:2025:1326.
3. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
3.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 5 juni 2024 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
3.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 10 maart 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan 18 maanden, maar minder dan 24 maanden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 2.000.
4. Proceskosten
4.1
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
4.2
In de omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.2.
4.3
Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad in zo’n geval tot uitgangspunt dat i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en ii) op een dergelijk verzoek van toepassing is wegingsfactor 0,25 (zeer licht) zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.3.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 2.000, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 227 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑10‑2025
Zie HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.14.1.
Zie HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2.
Beroepschrift 03‑10‑2025
VERZONDEN VIA WEBPORTAAL HOGE RAAD
Hoge Raad der Nederlanden
T.a.v. de Belastingkamer
Postbus 20303
2500 EH 's‑Gravenhage
[…], 24 mei 2022
Betreft: | [X4] |
RSIN/BSN: […] | |
Motivering beroepschrift in cassatie tegen de uitspraak van 8 februari 2022 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | |
Zaaknummer: 22/00859 |
Edelhoogachtbaar College,
Namens onze cliënte en tevens belanghebbende, […], handelend onder de naam [X4] (hierna te benoemen als: belanghebbende), motiveren wij hierbij het beroepschrift in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden (hierna te benoemen: het Hof) van 8 februari 2022 in zaaknummer: 20/00242 (bijlage 1). Het pro forma beroepschrift in cassatie is ingediend op de datum van 10 maart 2022.
1. Middelen van cassatie
Als cassatiemiddelen dragen wij voor:
- 1.
Schending en/of verkeerde toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de omzetbelasting 1968 doordat het Hof ten onrechte, dan wel op onvoldoende gronden, heeft beslist dat de werkzaamheden van belanghebbende, die worden bekostigd op basis van de GEZ-module, niet zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel g Wet op de omzetbelasting 1968.
- 2.
Schending en/of verkeerde toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, Wet op de omzetbelasting 1968 doordat het Hof ten onrechte, dan wel op onvoldoende gronden, heeft beslist dat de werkzaamheden van belanghebbende, die worden bekostigd op basis van de GEZ-module, niet zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel f Wet op de omzetbelasting 1968.
- 3.
Schending en/of verkeerde toepassing van artikel 132, eerste lid, onderdeel g, Btw-richtlijn doordat het Hof ten onrechte niet — aan de hand van de in de jurisprudentie van het Hof van Justitie ontwikkelde criteria — heeft getoetst of de Nederlandse wetgever met artikel 11, eerste lid, onderdeel f, Wet op de omzetbelasting 1968 in samenhang met artikel 7Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (hierna: het Besluit) en bijlage B, post b.20 bij het Besluit, de grenzen van zijn krachtens de vrijstellingsbepaling in de Btw-richtlijn toegekende beoordelingsbevoegdheid heeft geëerbiedigd, en of belanghebbende met een rechtstreeks beroep op het Unierecht kan worden aangemerkt als een instelling van sociale aard.
Volledigheidshalve merken wij op dat wij in het pro forma beroepschrift twee cassatiemiddelen hebben opgenomen. Het middel met betrekking tot de schending en/of verkeerde toepassing van de sociaal-culturele btw-vrijstelling valt in feite in twee argumenten uiteen. Ten behoeve van de leesbaarheid van het beroepschrift en de motivering daarvan, hebben wij een opsplitsing gemaakt in drie cassatiemiddelen.
2. Toelichting op de cassatiemiddelen
2.1
De hoofdactiviteiten van belanghebbende bestaan uit medische zorgverlening aan individuele patiënten binnen de eerste lijn. Niet in geschil is dat deze diensten zijn vrijgesteld van omzetbelasting (hierna ook benoemd als: btw) op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de omzetbelasting 1968.
2.2
Tussen partijen is ook niet in geschil dat de GEZ-module in de beleidsregels van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)1. als volgt (verkort) wordt omschreven:
‘Module geïntegreerde eerstelijnszorg
De ‘Module geïntegreerde eerstelijnszorg’ biedt patiënten de voordelen van multidisciplinaire samenwerking tussen zorgverleners voor wat betreft het leveren van geïntegreerde eerstelijnszorgproducten. Het tarief is een vergoeding voor de kosten van personele inzet, organisatie en infrastructuur die nodig is voor die samenwerking. Voorwaarden, voorschriften en beperkingen:
- 1.
Indien voor samenwerking (sector)specifieke beleidsregels zijn opgesteld, dan gelden die specifieke beleidsregels.
- 2.
De modules kunnen enkel in rekening worden gebracht door een samenwerkingsverband ter bevordering van structurele multidisciplinaire samenwerking in de eerstelijnszorg.
- 3.
Voornoemd samenwerkingsverband is een organisatorisch verband, waarbinnen een aantal beroepsbeoefenaren uit de eerste lijn structureel met elkaar samenwerkt.
Deze samenwerking bestaat in ieder geval uit samenwerking tussen een zorgaanbieder die de basisvoorziening huisartsenzorg verleent ofkan verlenen met een of meer zorgaanbieders die andere zorg verlenen of kunnen verlenen. Zij bieden en leveren gezamenlijk een geïntegreerd op elkaar afgestemd doelmatig zorgaanbod.’
2.3
Tussen partijen is in geschil of de gelden die belanghebbende op basis van de zogenoemde GEZ-module ontvangt van Stichting […] (hierna: de Stichting), mede de vergoeding vormen voor deze vrijgestelde activiteiten, dan wel het btw- regime dienen te volgen van de vergoeding voor deze vrijgestelde activiteiten, omdat de werkzaamheden in het kader van de GEZ-module opgaan in de btw-vrijgestelde hoofdprestatie van belanghebbende aan de patiënten. Indien de werkzaamheden in het kader van de GEZ-module niet opgaan in de btw-vrijgestelde hoofdprestatie van belanghebbende, is in geschil of de werkzaamheden in het kader van de GEZ-module zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel f Wet op de omzetbelasting 1968, dan wel artikel 132, eerste lid, onderdeel g, van de Btw-richtlijn.
2.4
Voordat wij nader ingaan op de cassatiemiddelen wensen wij te benadrukken dat door belanghebbende weliswaar facturen met btw zijn uitgereikt aan de Stichting, maar dat de enige reden hiervoor is dat de belastingdienst het standpunt heeft ingenomen dat de prestaties niet als btw-vrijgestelde prestaties konden worden beschouwd. Om te voorkomen dat naheffingsaanslagen, vermeerderd met boetes, zouden worden opgelegd, heeft belanghebbende facturen met btw uitgereikt aan de Stichting.
In dit kader merken wij op dat artikel 37 Wet op de omzetbelasting 1968 niet aan een teruggaaf van btw in de weg staat.2. Belanghebbende heeft op aandringen van de belastingdienst weliswaar facturen met btw uitgereikt aan de Stichting, maar de Stichting heeft de btw op deze facturen niet in aftrek gebracht en ook niet in aftrek mogen brengen. Het gevaar voor verlies van belastinginkomsten is dan ook uitgeschakeld.
Cassatiemiddel 1
2.5
In zijn uitspraak heeft het Hof geoordeeld dat de werkzaamheden van belanghebbende in het kader van de GEZ niet zijn vrijgesteld van btw op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de omzetbelasting 1968.
Dit oordeel van het Hof en de motivering van dit oordeel is naar onze mening in strijd met het recht, onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk.
2.6
Belanghebbende werkt samen met andere eerstelijnszorgpartners die zijn aangesloten bij de Stichting. De Stichting ontvangt op basis van de GEZ-module gelden van de zorgverzekeraar. De Stichting betaalt de gelden die zij van de zorgverzekeraars op basis van de GEZ-module heeft ontvangen, onder inhouding van een klein deel van de gelden om de stichtingskosten te kunnen voldoen, uit aan belanghebbende en de andere (vaste) eerstelijnszorgpartners. De Stichting is leeg en heeft geen personeel en/of een andere vorm van bezetting.
2.7
Zoals ook betoogd voor het Hof zijn wij (primair) van mening dat de werkzaamheden van belanghebbende in het kader van de GEZ module moeten worden aangemerkt als een bijkomende prestatie, welke opgaat in de btw-vrijgestelde hoofdprestatie van belanghebbende, bestaande uit de geneeskundige verzorging van patiënten.
2.8
In dit kader moet worden beoordeeld of sprake is van een handeling die economisch gezien uit één prestatie bestaat. Op basis van de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie3. mag een dergelijke handeling immers niet kunstmatig uit elkaar worden gehaald. Er wordt één (samengestelde) prestatie verricht wanneer twee of meer elementen of handelingen die de belastingplichtige verricht, zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één enkele ondeelbare prestatie vormen, waarvan splitsing kunstmatig zou zijn. Daarnaast is er sprake van één enkele prestatie wanneer een of meer elementen moeten worden geacht de hoofdprestatie te vormen, terwijl andere elementen moeten worden beschouwd als een of meer bijkomende prestaties, die het fiscale lot van de hoofdprestatie delen. Voorts is van belang dat een prestatie met name als bijkomend moet worden beschouwd wanneer zij voor de klant geen doel op zich is, maar een middel om van de hoofdprestatie van de dienstverrichter optimaal gebruik te maken.
2.9
In het kader van deze beoordeling, dient naar onze mening te worden vastgesteld of de werkzaamheden van belanghebbende in het kader van de GEZ en de rechtstreekse zorgverlening aan zijn patiënten door belanghebbende kunnen worden aangemerkt als één prestatie.
2.10
Daarbij tekenen wij aan dat de Stichting geen patiënten heeft. Van enige zorgverlening door de Stichting kan geen sprake zijn.
2.11
Het is naar onze mening dan ook onbegrijpelijk dat het Hof in rechtsoverweging 4.3 overweegt dat om te bepalen of de prestaties van belanghebbende in het kader van de GEZ zijn vrijgesteld van btw, van belang is om vast te stellen of de Stichting (welke mede door belanghebbende en haar andere, vaste eerstelijnszorgpartners is opgericht om te kunnen contracteren voor de GEZ-module) als ondernemer moet worden aangemerkt. Naar onze mening is het ondernemerschap van de Stichting voor de beoordeling van de activiteiten van belanghebbende niet relevant.
Bij het Hof lijkt verwarring te bestaan tussen de aard van deze procedure, welke betrekking heeft op de diensten van eerstelijnszorgpartners die zelf zorg verlenen, en de eerdere procedures die in het verleden zijn gevoerd, waarbij juist de samenwerkingsverbanden in de eerstelijnszorg als belanghebbende centraal stonden. In deze procedure staat echter niet de Stichting centraal, maar de aan de Stichting verbonden eerstelijnszorgpartners.
2.12
Dat deze verwarring bij het Hof bestaat, blijkt eveneens uit rechtsoverweging 4.9 van de uitspraak. In deze overweging geeft het Hof aan van oordeel te zijn dat de activiteiten van de Stichting en de activiteiten van belanghebbende niet kunnen worden gezien als één (samengestelde) prestatie. Dit is echter niet de vraag die in de onderhavige procedure centraal staat. De vraag die centraal staat is of belanghebbende zelf één (samengestelde) prestatie verricht richting de patiënt, bestaande uit de geneeskundige verzorging van patiënten, waar de eigen werkzaamheden van belanghebbende in het kader van de GEZ als bijkomende prestatie in opgaan. Wij verwijzen in dit kader ook naar onderdeel 3 van de uitspraak van het Hof, waarin het Hof aangeeft dat juist in geschil is of de werkzaamheden van belanghebbende in het kader van de GEZ opgaan in de vrijgestelde hoofdprestatie van belanghebbende. Deze vraag wordt door het Hof echter niet (gemotiveerd) beoordeeld.4.
2.13
Het Hof gaat in rechtsoverweging 4.9 wel in op de vraag of de diensten in het kader van de GEZ een inherent en onafscheidbaar deel zijn van een gezondheidskundige behandeling van een patiënt. Echter, deze vraag is slechts van belang om vast te stellen of de diensten — indien deze moeten worden aangemerkt als een zelfstandige prestatie — op zichzelf beschouwd onder de medische vrijstelling vallen. Deze vraag komt slechts aan de orde wanneer een prestatie naar zijn aard moet worden aangemerkt als een zelfstandige prestatie en is derhalve niet de vraag waarop het geschil tussen partijen betrekking heeft.
2.14
Het Hof had gelet op de in punt 2.8 van deze motivering genoemde vaste rechtspraak van het Hof van Justitie — net als de Rechtbank heeft gedaan — dienen te beoordelen of sprake is van een handeling die economisch gezien uit één prestatie bestaat. Dit heeft het Hof ten onrechte niet gedaan.
2.15
Indien uit de uitspraak van het Hof moet worden afgeleid dat het Hof van oordeel is dat belanghebbende twee afzonderlijke prestaties verricht, dan is dit oordeel — gelet op de feiten van het onderhavige geschil -onjuist, dan wel onvoldoende gemotiveerd.
2.16
Belanghebbende verricht naar onze mening wel één btw-vrijgestelde zorgprestatie, te weten aan de patiënt. Naar onze mening dient in dit kader te worden gekeken naar de economische realiteit van de handelingen.5. Voor de deelneming aan de GEZ-module kreeg belanghebbende een vaste vergoeding van de zorgverzekeraar. Na toetreding tot de GEZ-module krijgt belanghebbende een lagere vergoeding, welke wordt gecompenseerd door de GEZ-module declaraties. Bovendien heeft het verrichten van een prestatie aan een lege Stichting ook geen economische realiteit.
2.17
In het onderhavige geval kunnen de volgende handelingen en betalingen worden onderscheiden:
- •
de patiënten betalen premies voor een ziektekostenverzekering aan een zorgverzekeraar;
- •
de zorgverzekeraar betaalt de eerstelijnszorgpartners voor de door hen gedeclareerde zorgprestaties op basis van de daarvoor vastgestelde tarieven;
- •
de zorgverzekeraar betaalt de GEZ-gelden uit aan de door de eerstelijnszorgpartners opgerichte Stichting;
- •
de Stichting betaalt de GEZ-gelden, onder inhouding van een klein deel van de gelden om de stichtingskosten te kunnen voldoen, uit aan belanghebbende en de andere (vaste) eerstelijnszorgpartners; en
- •
de patiënt ontvangt de geïntegreerde eerstelijnszorg, waarbij meer aandacht kan worden besteed door belanghebbende op de preventieve patiëntenzorg.
De patiënten zijn gebaat bij door belanghebbende verleende, geïntegreerde zorg aan de hand van de in het kader van de GEZ module ontwikkelde zorgbehandelplannen en in het kader van de samenwerking verrichte werkzaamheden. Naar onze mening kan niet worden gezegd dat belanghebbende naast de eerstelijnszorg een zelfstandige prestatie verricht aan de Stichting. De patiënten verbruiken de diensten van belanghebbende, niet de Stichting.
Dit blijkt naar onze mening ook uit de beleidsregel van de Nederlandse zorgautoriteit, welke wordt geciteerd in overweging 2.3 van de uitspraak van het Hof:
‘De ‘Module geïntegreerde eerstelijnszorg’ biedt patiënten de voordelen van multidisciplinaire samenwerking tussen zorgverleners voor wat betreft het leveren van geïntegreerde eerstelijnszorgproducten. Het tarief is een vergoeding voor de kosten van personele inzet, organisatie en infrastructuur die nodig is voor die samenwerking.
(…)
Zij [lees: de zorgaanbieders] bieden en leveren gezamenlijk een geïntegreerd op elkaar afgestemd doelmatig zorgaanbod.’
2.18
Of sprake is van één of meer prestaties, dient te worden bekeken vanuit het perspectief van de modale consument. In het onderhavige geval gaat het de patiënt erom dat zorg wordt verleend. De patiënt is immers degene met een ziekte of aandoening en heeft behoefte aan tussen de zorgpartners goed gecoördineerde (preventieve) zorg.
De zorg die wordt geleverd aan de patiënten in het kader van de GEZ-module, wordt in samenhang en samenwerking uitgevoerd door de eerstelijnszorgpartners (van verschillende disciplines) van dezelfde wijk. Het doel van de GEZ-werkzaamheden is dan ook dat de zorg onder optimale omstandigheden wordt afgestemd tussen de eerstelijnszorgpartners en — ook preventief — wordt verleend aan de eigen patiënten. Het verwerven van de GEZ-diensten vormt voor de patiënt geen doel op zich. Wel hebben zorgpartners die de GEZ-module uitvoeren, steeds meer de voorkeur voor patiënten om zich bij aan te melden. Naar onze mening verricht belanghebbende één ondeelbare prestatie aan de patiënt, bestaande uit de gezondheidskundige verzorging van de mens als bedoeld in artikel 11, lid 1, onderdeel g, Wet OB.
2.19
De betaling door de Stichting aan belanghebbende dient naar onze mening als een betaling door een derde in de zin van artikel 73 Btw-richtlijn te worden beschouwd, net als de betaling door de zorgverzekeraar aan de eerstelijnszorgpartners voor de gedeclareerde zorgprestaties. De afnemer van al deze prestaties is de patiënt.
2.20
De omstandigheid dat een deel van de vergoeding voor de medische diensten rechtstreeks wordt betaald door de zorgverzekeraar en een deel via de Stichting, doet onzes inziens aan het voorgaande niet af. Volgens het Hof van Justitie is het feit dat één prijs in rekening wordt gebracht of dat afzonderlijke vergoedingen overeen worden gekomen, niet bepalend voor de vraag of sprake is van twee of meer zelfstandige prestaties dan wel één ondeelbare economische prestatie.6.
2.21
Een nadere toelichting van dit standpunt treft u aan in overweging 3.1 tot en met 3.21 van ons verweerschrift in hoger beroep (bijlage 2).
2.22
Gelet op het bovenstaande, heeft het Hof ten onrechte niet beoordeeld of de werkzaamheden van belanghebbende in het kader van de GEZ module verricht, opgaan in de eigen diensten van belanghebbende aan de patiënten die zijn vrijgesteld van omzetbelasting op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de omzetbelasting 1968. Indien uit de uitspraak van het Hof moet worden afgeleid dat het Hof van oordeel is dat belanghebbende twee afzonderlijke prestaties verricht, dan is dit oordeel — gelet op de feiten van het onderhavige geschil — naar onze mening onjuist, dan wel onvoldoende gemotiveerd. Onzes inziens dient de uitspraak van het Hof om deze reden te worden vernietigd.
Cassatiemiddel 2
2.23
Subsidiair — indien de werkzaamheden van belanghebbende in het kader van de GEZ-module niet opgaan in de btw-vrijgestelde hoofdprestatie — hebben wij voor het Hof betoogd dat wij van mening zijn dat de diensten van belanghebbende zijn vrijgesteld van btw op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de omzetbelasting 1968 jo. artikel 7, eerste lid, van het Besluit jo. Bijlage B, post b.20. Het Hof heeft echter geoordeeld dat belanghebbende niet onder post b.20 valt.
Deze uitleg van het Hof van post b.20 is — gelet op de geschiedenis van deze bepaling en de doel en strekking van de bepaling — naar onze mening te beperkt en derhalve in strijd met het recht.
2.24
In dit kader is het volgende van belang. Op basis van de wettelijke regeling, geldt de vrijstelling voor diensten die worden verricht door:
‘Samenwerkingsverbanden op het gebied van multidisciplinaire eerstelijns- en geboortezorg die kosten voor zorgprestaties declareren voor zover deze diensten worden bekostigd op grond van de Zorgverzekeringswet en nader staan beschreven in de door de Nederlandse Zorgautoriteit voor deze vormen van zorg vastgestelde beleidsregels ingevolge de Wet marktordening gezondheidszorg’.
Gelet op de algemene aantekening bij Bijlage B, behorende bij artikel 7, eerste lid, van het Besluit ontbreekt voor de diensten door instellingen bedoeld in post b.20 de voorwaarde dat deze instellingen met de werkzaamheden niet systematisch het maken van winst mogen beogen.
Het is voor de toepassing van de sociaal-culturele vrijstelling derhalve niet relevant of de in post b.20 genoemde instellingen winst beogen of winst maken.
2.25
De term ‘samenwerkingsverband’ in post b.20 duidt onzes op het samenwerkingsverband in brede zin, derhalve inclusief haar vaste eerstelijnszorgpartners en niet uitsluitend in enge zin op één partij als de Stichting. Immers een ‘stichting’ is en wordt geen ‘samenwerkingsverband’, een verband duidt al per definitie op tenminste twee samenwerkende partijen.
2.26
Dit kan onder meer worden afgeleid uit de ontstaansgeschiedenis van post b.20. In het Belastingplan 2016 werd een amendement ingediend door initiatiefnemers Groot en Nepperus om de bieraccijns te verhogen, waardoor de lagere belastinginkomsten wegens de in te voeren btw-vrijstelling voor coördinerende werkzaamheden in het kader van (eerstelijns-)zorggroepen en geboortecentra zouden kunnen worden gedekt.7. Blijkens de voorafgaande behandeling in de Tweede Kamer heeft dit voorstel de volgende achtergrond:
‘Via mijn collega-woordvoerders op zorggebied ben ik erop geattendeerd dat er een groot knelpunt bestaat bij de heffing van btw in de zorg. We weten dat artsen zijn vrijgesteld van btw over hun diensten, maar zodra zij gaan samenwerken met andere artsen of andere eerstelijnszorgverleners, moeten ze wel btw betalen over de coördinerende werkzaamheden. Dat maakt de btw-heffing ingewikkelder. Daarnaast is het kostenverhogend en werkt het samenwerking tegen.
Vooral dat laatste is onwenselijk, want we zien dat de zorg voor chronisch zieken steeds vaker via dit soort samenwerkingsverbanden wordt georganiseerd. Naar ik begrijp is er om dit probleem op te lossen geen wetswijziging nodig, maar wel een aanpassing van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968.
Is het kabinet bereid om zo'n besluit te nemen als mijn collega Neppérus van de VVD en ik een amendement indienen waarin we voor een deugdelijke dekking zorgen?’8.
2.27
De staatssecretaris van Financiën merkte naar aanleiding van dit voorstel het volgende op:
‘Een andere vraag van de heer Groot gaat over de coördinatie in de eerstelijnszorg en de vrijstelling van de btw. Dat gaat over de btw van zorggroepen. De heer Groot is niet de eerste die mij daarover benadert, zo moet ik eerlijk toegeven. Daarbij speelt inderdaad het vraagstuk dat dit deel van de zorg is vrijgesteld, maar dat door het professionaliseren van de samenwerking bepaalde diensten met btw worden belast, waardoor er eigenlijk een soort perverse prikkel, een antiorikkel op samenwerking wordt gegeven. Het gaat daarbij om samenwerking van de goede soort, dus geen kartelachtige maar facilitaire samenwerking. Technisch is het mogeliik om dat te regelen. (…) Dit is dus inderdaad mogelijk, het is een kwestie die speelt, het wordt als een probleem ervaren en ik moet toegeven dat het in feite een beetje een rariteit is.’9.
2.28
De toelichting op het Besluit van 23 december 2015 bevestigt dat met post b.20 is bedoeld om de organisatie van de eerstelijns- en geboortezorg vrij te stellen.10. Dit wordt volgens deze toelichting bereikt door ‘in het UBOB samenwerkingsverbanden van zorgverleners op te nemen die deze werkzaamheden op zich nemen’. Bovendien wordt in de toelichting opgemerkt dat deze samenwerkingsverbanden ‘worden gevormd door zorgverleners op het gebied van eerstelijnszorg.’11.
2.29
Het begrip samenwerkingsverband heeft onzes inziens niet alleen betrekking op de diensten van de afzonderlijke juridische entiteit die door de eerstelijnszorgpartners is opgericht (om zoals in casu de GEZ-module te contracteren), maar juist ook op de (meer op preventie gerichte) zorg activiteiten van de eerstelijnszorgpartners zelf die met elkaar samenwerken. Een strikte uitleg van de vrijstelling, waarbij deze uitsluitend wordt beperkt tot de diensten van de juridische entiteit die fungeert als schakel tussen de eerstelijnszorgpartners en de zorgverzekeraars, maar verder geen patiënten heeft of zorg verleent, zou strijdig zijn met de doelstelling van de vrijstelling. Het doel van de vrijstelling was immers om ook de coördinerende en organiserende werkzaamheden van huisartsen en andere zorgverleners vrij te stellen van omzetbelasting opdat de medische zorg aan de patiënten wordt verbeterd.
Een strikte opvatting van de vrijstelling zou leiden tot het onbillijke resultaat dat de door de Stichting verrichte prestaties, voor zover al aanwezig, aan de zorgverzekeraar zijn vrijgesteld van omzetbelasting, terwijl de prestaties van de eerstelijnszorgpartners voor de verbetering van de zorg aan de patiënten via de Stichting wél met omzetbelasting zijn belast.
Het samenwerkingsverband als geheel12. dient onder de vrijstelling te vallen, niet één rechtspersoon. De GEZ-module is bedoeld om de samenwerking tussen zorgpartners te verbeteren opdat de zorg aan de patiënten wordt verbeterd.
2.30
Een brede uitleg van post b.20 vindt bovendien steun in het Unierecht. De Nederlandse sociaal-culturele vrijstelling is gebaseerd op drie verschillende onderdelen van artikel 132 van Richtlijn 2006/112/EG (hierna: de Btw-richtlijn). Het betreft allereerst artikel 132, eerste lid, onderdeel g, Btw-richtlijn, inzake de prestaties die nauw samenhangen met maatschappelijk werk en sociale zekerheid. Onderdeel g is onzes inziens het onderdeel waaronder de activiteiten van belanghebbende dienen te worden geschaard. Artikel 132, eerste lid, onderdeel h, Btw-richtlijn, ziet vervolgens op prestaties die nauw samenhangen met de bescherming van kinderen en jongeren. Deze twee vrijstellingen gelden voor publiekrechtelijke lichamen en instellingen van sociale aard die door de lidstaat als zodanig zijn erkend. Tot slot heeft artikel 132, eerste lid, onderdeel n, Btw-richtlijn betrekking op bepaalde culturele diensten en de nauw daarmee samenhangende leveringen van goederen die worden verricht of geleverd door publiekrechtelijke culturele instellingen of door andere culturele instellingen die door de betrokken lidstaat worden erkend.
2.31
De vrijstelling van post b.20 is gebaseerd op artikel 132, eerste lid, onderdeel g, Btw-richtlijn. In het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Kingscrest Associates Ltd. heeft het Hof van Justitie de doelstelling van de vrijstelling uit artikel 132, eerste lid, onderdeel g, Btw-richtlijn uiteengezet:
‘In dit verband, wat in de eerste plaats de met de vrijstellingen van artikel 13, A, lid 1, sub g en h, van de Zesde richtlijn beoogde doelstellingen betreft, blijkt uit deze bepaling dat het doel van die vrijstellingen erin bestaat bepaalde in de sociale sector verrichte diensten van algemeen belang op het gebied van BTW gunstiger te behandelen, en ze aldus goedkoper en bijgevolg toegankelijker te maken voor de particulieren die er recht op hebben. ’
2.32
Uit de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat deze bepaling (in tegenstelling tot artikel 132, eerste lid, onderdeel n, Btw-richtlijn13.) rechtstreekse werking heeft.14. De lidstaten hebben beoordelingsvrijheid bij de erkenning van instellingen van sociale aard, maar dienen daarbij volgens het Hof van Justitie wel de beginselen van het Unierecht — waaronder het beginsel van fiscale neutraliteit — in acht te nemen.15. Daarbij is nog van belang dat de eerstelijnszorgpartners, zoals belanghebbende, en de Stichting erkent zijn als maatschappelijke, sociale instellingen in de zin van artikel 132 Btw-richtlijn.
2.33
Bovendien volgt uit de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat de begrippen ‘organisaties’ en ‘instellingen’ niet uitsluitend betrekking hebben op rechtspersonen, maar dat ook natuurlijke personen die een onderneming drijven daaronder kunnen worden begrepen.16. Voor toepassing van de vrijstelling uit artikel 132, eerste lid, onderdeel g, Btw-richtlijn is de (rechts)vorm van de belastingplichtige derhalve niet relevant.
2.34
Uit de Nederlandse rechtspraak volgt eveneens dat de wijze waarop een ondernemer zijn ondernemingsactiviteiten organiseert, niet aan de toepassing van de vrijstellingen in de weg mag staan. Zo is bijvoorbeeld niet relevant dat de werkzaamheden door tussenkomst van een of meer rechtspersonen, zoals een werkmaatschappij en houdstermaatschappij, worden verricht.17. Het karakter van de diensten is beslissend.
2.35
Wanneer post b.20 richtlijnconform — in het bijzonder in het licht van het voornoemde neutraliteitsbeginsel — wordt uitgelegd, brengt dit mee dat de vrijstelling ook dient te worden toegepast op de werkzaamheden van de eerstelijnszorgpartners. De GEZ-werkzaamheden worden feitelijk door de eerstelijnszorgpartners verricht, waardoor deze diensten niet afwijken van de werkzaamheden waarvoor de Stichting op basis van de GEZ-module kosten declareert aan de zorgverzekeraars. De diensten zijn volledig gelijkwaardig. Er bestaan geen verschillen wat betreft de beroepskwalificaties van de dienstverleners en de kwaliteit van de diensten.
Het enige verschil is dat de eerstelijnszorgpartners niet direct de contracten met de zorgverzekeraar afsluiten, maar dat de contracten lopen via de Stichting (waarbij de eerstelijnszorgpartners van het samenwerkingsverband worden opgesomd in een bij de overeenkomst horende bijlage).
Daarnaast wordt ook aan de overige voorwaarden van de vrijstelling voldaan. De diensten worden immers bekostigd op grond van de Zorgverzekeringswet en staan nader beschreven in de door de Nederlandse Zorgautoriteit voor deze vormen van zorg vastgestelde beleidsregels ingevolge de Wet marktordening gezondheidszorg. Gelet op het neutraliteitsbeginsel mag de btw-behandeling van de diensten van de eerstelijnszorgpartners dientengevolge niet afwijken van de diensten van de Stichting. Een ongelijke behandeling van gelijkwaardige diensten zou in strijd zijn met het neutraliteitsbeginsel.18.
2.36
Wanneer de werkzaamheden van belanghebbende in het kader van de GEZ moeten worden aangemerkt als een zelfstandige prestatie voor de omzetbelasting, dan heeft het Hof — gelet op de geschiedenis en doel en strekking van de bepaling, de btw-richtlijn en de rechtspraak van het Hof van Justitie — ten onrechte geoordeeld dat belanghebbende niet onder post b.20 van bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 valt. Onzes inziens dient de uitspraak van het Hof te worden vernietigd.
Cassatiemiddel 3
2.37
Tot slot heeft het Hof bij de beoordeling van het rechtstreekse beroep van belanghebbende op artikel 132, eerste lid, onderdeel g, Btw-richtlijn, naar onze mening ten onrechte niet getoetst — aan de hand van de in de jurisprudentie van het Hof van Justitie ontwikkelde criteria — of de Nederlandse wetgever en/of de belastingdienst met artikel 11, eerste lid, onderdeel f, Wet op de omzetbelasting 1968 in samenhang met artikel 7 van het Besluit en bijlage B, post b.20 bij dit Besluit, de grenzen van de krachtens de vrijstellingsbepaling in de Btw-richtlijn toegekende beoordelingsbevoegdheid heeft geëerbiedigd, en of belanghebbende met een rechtstreeks beroep op het Unierecht kan worden aangemerkt als een instelling van sociale aard.
2.38
Het Hof geeft slechts aan dat voor toepassing van artikel 132, eerste lid, onderdeel g, Btw-richtlijn vereist is dat een organisatie door de lidstaat als instelling van sociale aard wordt erkend en dat volgens artikel 7 van het Besluit erkenning mogelijk is door opname in bijlage B van het Besluit of op verzoek voor zover de leveringen en diensten de leveringen en diensten voldoen aan de in artikel 7, tweede lid, van het Besluit genoemde voorwaarden. Aangezien geen verzoek is ingediend als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het Besluit, is het Hof van mening dat van een erkenning als bedoeld in artikel 132, eerste lid, onderdeel g, van de Btw-richtlijn geen sprake is.
2.39
Dit oordeel is onzes inziens in strijd met het recht. Het Hof heeft ten onrechte nagelaten om te beoordelen of de Nederlandse wetgever met artikel 11, lid 1, onderdeel f, Wet op de omzetbelasting 1968 en artikel 7 van het Besluit is gebleven binnen de boordelingsbevoegdheid die artikel 132, eerste lid, onderdeel g, Btw-richtlijn de lidstaten biedt.
2.40
Volledigheidshalve merken wij op dat belanghebbende geen verzoek om erkenning heeft ingediend als bedoeld in artikel 7 lid 2 van het Besluit, omdat belanghebbende ervan is uitgegaan dat hij voor zijn activiteiten beroep kan doen op de vrijstelling omzetbelasting van artikel 11, lid 1, letter g Wet op de omzetbelasting 1968, dan wel vanuit het samenwerkingsverband op de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, Wet op de omzetbelasting 1968 in samenhang met artikel 7 van het Besluit en bijlage B, post b.20 bij dit Besluit. Dit neemt naar onze mening niet weg dat de rechter in dit geval dient te toetsen of de Nederlandse wetgever de hiervoor bedoelde beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot artikel 132, eerste lid, onderdeel g, van de Btw-richtlijn (alsmede artikel 133 van de Btw-richtlijn) heeft geëerbiedigd.
2.41
Op basis van artikel 132, lid 1, onderdeel g, van de Btw-richtlijn kan de vrijstelling worden toegepast indien is voldaan aan twee voorwaarden:
- 1.
er dient sprake te zijn van handelingen die bestaan uit diensten en goederenleveringen welke nauw verband houden met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid; en
- 2.
deze handelingen dienen te worden verricht door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard zijn erkend.
2.42
Met betrekking tot de onder 1 genoemde voorwaarde is het onzes inziens niet in geschil dat de organiserende en coördinerende diensten in het kader van de multidisciplinaire eerstelijnszorg, welke worden bekostigd op basis van de GEZ-module, nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid (post b.20 is gestoeld op deze voorwaarde).
2.43
In het arrest van het Hof van Justitie van 10 september 200219. heeft het Hof van Justitie met betrekking tot de tweede voorwaarde het volgende bepaald:
- ‘54.
Wat ten slotte de organisaties betreft ‘die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend’, is het inderdaad zo dat, zoals de Duitse regering stelt, artikel 13, A, lid 1, sub g, van de Zesde richtlijn de lidstaten een beoordelingsbevoegdheid verleent om de sociale aard van bepaalde organisaties te erkennen.
- 55.
Zolang de lidstaten de grenzen van de hun bij artikel 13, A, lid 1, sub g, van de Zesde richtlijn toegekende beoordelingsbevoegdheid eerbiedigen, kunnen particulieren niet op basis van deze bepaling in de betrokken lidstaat de erkenning als organisatie van sociale aard afdwingen.
- 56.
Daartoe dienen de nationale rechterlijke instanties, wanneer een natuurlijke persoon verzoekt te worden erkend als organisatie van sociale aard, na te gaan of de bevoegde instanties bedoelde grenzen hebben geëerbiedigd door beginselen van gemeenschapsrecht, met name het gelijkheidsbeginsel, toe te passen.
- 57.
Het staat bijgevolg aan de nationale autoriteiten om overeenkomstig het gemeenschapsrecht en onder toezicht van de nationale rechterlijke instanties, met name in het licht van de door de bevoegde administratie in overeenkomstige situaties gevolgde praktijk, te bepalen welke organisaties moeten worden erkend als instelling van sociale aard in de zin van artikel 13, A, lid 1, sub g, van de Zesde richtlijn.
- 58.
In het hoofdgeding zal de verwijzende rechter tevens in aanmerking kunnen nemen dat specifieke bepalingen gelden, ongeacht of deze deel uitmaken van federaal recht of deelstaatsrecht, van wettelijke of bestuursrechtelijke aard zijn en tot het belastingrecht of het socialezekerheidsrecht behoren, dat verenigingen met dezelfde werkzaamheden als verzoekster in het hoofdgeding reeds een soortgelijke vrijstelling genieten op grond van het algemeen belang van die werkzaamheden, alsmede dat de kosten van de door verzoekster in het hoofdgeding aangeboden diensten eventueel grotendeels worden gedragen door de bij wet ingestelde ziekenfondsen of door de sociale zekerheidsinstellingen waarmee particuliere ondernemers, zoals verzoekster in het hoofdgeding, contractuele betrekkingen onderhouden.
- 59.
Aan deze conclusie wordt niet afgedaan doordat volgens artikel 13, A, lid 2, van de Zesde richtlijn de verlening van de in artikel 13, A, lid 1, voorziene vrijstellingen afhankelijk mag worden gesteld van de inachtneming van een of meer voorwaarden.
- 60.
Bij deze beperking op de regel van niet-onderwerping gaat het immers slechts om een mogelijkheid en een lidstaat die heeft nagelaten de daartoe noodzakelijke maatregelen te treffen, kan zich niet op zijn eigen nalatigheid beroepen om een belastingplichtige het voordeel van een vrijstelling te weigeren waarop deze krachtens de Zesde richtlijn rechtmatig aanspraak kan maken.
- 61.
Derhalve dient op de derde vraag te worden geantwoord dat de algemene verzorging en de huishoudelijke hulp die door een dienst voor ambulante verpleging worden verstrekt aan personen die in fysiek of economisch opzicht hulpbehoevend zijn, zijn aan te merken als dienstverlening die nauw samenhangt met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid in de zin van artikel 13, A, lid 1, sub g, van de Zesde richtlijn. Een belastingplichtige kan zich voor een nationale rechterlijke instantie op de in artikel 13, A, lid 1, sub g, van de Zesde richtlijn voorziene vrijstelling beroepen om zich te verzetten tegen een niet met deze bepaling strokende nationale regeling. Het staat aan de nationale rechter om, rekening houdend met alle relevante elementen, vast te stellen of de belastingplichtige een erkende organisatie van sociale aard is in de zin van genoemde bepaling.’
2.44
In de latere rechtspraak, waaronder het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Zimmermann van 15 november 2012,20. worden de overwegingen in het arrest Kügler bevestigd. In de zaak van 15 november 2012 wordt bijvoorbeeld het volgende overwogen:
- ‘31.
Uit de rechtspraak van het Hof blijkt evenwel dat de nationale autoriteiten overeenkomstig het Unierecht en onder het toezicht van de nationale rechterlijke instanties verschillende elementen in aanmerking moeten nemen bij de vaststelling van de instellingen die als instellingen van ‘sociale aard’ in de zin van artikel 13, A, lid 1, sub g, van de Zesde richtlijn moeten worden erkend. Hierbij kan worden gedacht aan het bestaan van specifieke bepalingen, ongeacht of het gaat om nationale of regionale bepalingen, om wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of om fiscale voorschriften dan wel om voorschriften op het gebied van de sociale zekerheid, aan het algemeen belang van de activiteiten van de betrokken belastingplichtige, aan het feit dat andere belastingplichtigen die dezelfde activiteiten uitoefenen reeds een soortgelijke erkenning hebben verkregen, alsook aan het feit dat de kosten van de betrokken prestaties mogelijkerwijs grotendeels worden gedragen door ziekenfondsen of andere sociale zekerheidsinstellingen (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Kügler, punten 57 en 58, en Kingscrest Associates en Montecello, punt 53, alsook naar analogie arrest van 6 november 2003, Dornier, C-45/01, Jurispr. blz. 1-12911, punten 72 en 73, en reeds aangehaalde arresten L.u.P., punt 53, en CopyGene, punten 65 en 71).
- 32.
Daarenboven kan een belastingplichtige zich voor een nationale rechterlijke instantie op de in artikel 13, A, lid 1, sub g, van de Zesde richtlijn bedoelde vrijstelling beroepenom zich te verzetten tegen een nationale regeling die niet met deze bepaling strookt. In dat geval staat het aan de nationale rechter om, rekening houdend met alle relevante elementen, vast te stellen of de belastingplichtige een erkende instelling van sociale aard is in de zin van deze bepaling (zie arrest Kügler, reeds aangehaald, punt 61).
- 33.
Wanneer een belastingplichtige de erkenning of niet-erkenning als instelling van sociale aard als bedoeld in artikel 13, A, lid 1, sub g, van de Zesde richtlijn betwist, staat het dus aan de nationale rechterlijke instanties om na te gaan of de bevoegde instanties de grenzen van de krachtens deze bepaling toegekende beoordelingsbevoegdheid hebben geëerbiedigd met inachtneming van de beginselen van het Unierecht, waaronder met name het beginsel van gelijke behandeling, dat in btw-zaken uitdrukking vindt in het beginsel van fiscale neutraliteit (zie met name in die zin reeds aangehaalde arresten Kügler, punt 56; Kingscrest Associates en Montecello, punten 52 en 54, en L.u.P., punt 48).’
2.45
Uit de hiervoor beschreven rechtspraak kan naar onze mening worden afgeleid dat wanneer een belastingplichtige op basis van een nationale regeling niet als instelling van sociale aard is erkend, bijvoorbeeld omdat post B-20 van het Besluit te beperkt wordt toegepast door de belastingdienst, de rechter naar aanleiding van een rechtstreeks beroep op artikel 132, eerste lid, onderdeel g, Btw-richtlijn de betreffende belastingplichtige alsnog als een instelling van sociale aard kan aanmerken. Het was in het onderhavige geval dan ook aan het Hof om te beoordelen of de Nederlandse autoriteiten met artikel 7 van het Besluit en bijlage B bij het besluit zijn gebleven binnen de grenzen van de krachtens de artikel 132, eerste lid, onderdeel g, Btw-richtlijn toegekende beoordelingsbevoegdheid. Het Hof had bij deze beoordeling de volgende elementen in aanmerking dienen te nemen:
- a)
het bestaan van specifieke bepalingen, ongeacht of het gaat om nationale of regionale bepalingen, om wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of om fiscale voorschriften dan wel om voorschriften op het gebied van sociale zekerheid;
- b)
het algemeen belang van de activiteiten van belanghebbende;
- c)
het feit dat andere belastingplichtigen die dezelfde activiteiten uitoefenen reeds een soortgelijke erkenning hebben verkregen; en
- d)
het feit dat de kosten van de betrokken prestaties mogelijkerwijs grotendeels worden gedragen door ziekenfondsen (in de Engelse vertaling: ‘health insurance scheme’) of andere sociale zekerheidsinstellingen.21.
Op basis van de rechtspraak kunnen ook andere elementen een rol spelen, zoals het feit dat bepaalde activiteiten worden gedekt door dezelfde (wettelijke) regeling als andere activiteiten van sociale aard.22.
2.46
Op basis van artikel 133 van de Btw-richtlijn kunnen lidstaten de toepassing van de vrijstelling van artikel 132, lid 1, onderdeel g, Btw-richtlijn afhankelijk stellen van bepaalde voorwaarden. Nederland heeft de vrijstelling in beginsel afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de instelling geen winst mag beogen en geen verstoring van de mededinging optreedt ten nadele van belastingplichtige commerciële ondernemingen. Echter, voor een aantal instellingen (waaronder de instellingen bedoeld in post b.20 van bijlage B bij het Besluit) geldt dat wel winst mag worden beoogd. Naar onze mening moet ook artikel 133 van de Btw-richtlijn — net als artikel 132, lid 1, onderdeel g, Btw-richtlijn — zo worden uitgelegd dat deze bepaling de lidstaten een bepaalde beoordelingsvrijheid biedt, maar dat de lidstaten hierbij wel de doel en strekking van de bepaling en de beginselen van het Unierecht, waaronder in het bijzonder het beginsel van fiscale neutraliteit en het gelijkheidsbeginsel, dienen te eerbiedigen.
2.47
Wanneer post b.20 van bijlage B en artikel 7 van het Besluit zo moeten worden uitgelegd dat belanghebbende en andere eerstelijnszorgpartners niet vallen onder post b.20 en daarom, in tegenstelling tot de Stichting, alleen een verzoek tot erkenning als instelling van sociale aard kunnen doen wanneer zij geen winst beogen, dan is deze nationale regeling naar onze mening in strijd met het beginsel van fiscale neutraliteit en het gelijkheidsbeginsel. De Nederlandse wetgever is dan naar onze mening niet gebleven binnen de beoordelingsbevoegdheid die krachtens artikel 132, eerste lid, onderdeel g van de Btw-richtlijn aan Nederland is toegekend. De diensten van de eerstelijnszorgpartners en de diensten van de Stichting zijn immers gelijk. Het beginsel van fiscale neutraliteit verzet zich tegen een nationale regeling die diensten verricht door natuurlijke personen en maatschappen (door voor deze belastingplichtigen wel het vereiste te stellen dat geen sprake is van een winstoogmerk), anders behandelt dan dezelfde diensten van het samenwerkingsverband waar deze personen en maatschappen deel van uitmaken.
2.48
Bovendien voldoen de activiteiten van belanghebbende aan alle elementen waarmee volgens de hierboven beschreven rechtspraak rekening moet worden gehouden bij de beoordeling of belanghebbende een erkende instelling van sociale aard is in de zin van artikel 132, eerste lid, onderdeel g, van de Btw-richtlijn.
2.49
De activiteiten in het kader van de eerstelijnszorg worden verricht in het algemeen belang. Dit blijkt ook uit het feit dat de vrijstelling voor medische diensten valt onder artikel 132 Btw-richtlijn, dat als opschrift draagt ‘vrijstellingen voor bepaalde activiteiten van algemeen belang’. Een goede organisatie van de multidisciplinaire eerstelijnszorg komt de kwaliteit van de zorg en daarmee het algemeen belang ten goede.
2.50
Bovendien hebben andere belastingplichtigen die (exact) dezelfde activiteiten uitoefenen, zoals de Stichting, reeds een soortgelijke erkenning verkregen. Wanneer belanghebbende niet zou worden erkend als instelling van sociale aard, zou dit strijd opleveren met het reeds genoemde neutraliteits- en gelijkheidsbeginsel.
2.51
Tot slot worden de kosten van de activiteiten van belanghebbende — ook de (preventieve zorg-) activiteiten in het kader van de GEZ-module — bekostigd op grond van de Zorgverzekeringswet. De beleidsregels van de Nationale Zorgautoriteit omvatten voorwaarden, voorschriften en beperkingen waaraan de activiteiten dienen te voldoen.
2.52
Alle relevante elementen genoemd onder a) tot en met d) zijn van toepassing op belanghebbende. Dientengevolge kan belanghebbende onzes inziens worden aangemerkt als dienstverrichter van sociale aard in de zin van artikel 132, eerste lid, onderdeel g, Btw-richtlijn en de in dit kader ontwikkelde rechtspraak van het Hof van Justitie. Naar onze mening hoeft belanghebbende niet te voldoen aan het vereiste dat geen sprake mag zijn van een winstoogmerk. Het zou immers in strijd zijn met het beginsel van fiscale neutraliteit en het gelijkheidsbeginsel om deze voorwaarde wel te stellen aan belanghebbende, maar niet aan de samenwerkingsverbanden in de eerstelijnszorg, zoals de Stichting.
2.53
Gelet op het vorenstaande heeft het Hof ten onrechte niet getoetst of de Nederlandse autoriteiten de grenzen van de beoordelingsbevoegdheid die artikel 132, eerste lid, onderdeel g, van de Btw-richtlijn bij het opstellen van de nationale regeling opgenomen in artikel 7 van het Besluit en bijlage B bij dit besluit hebben geëerbiedigd. Daarnaast heeft het Hof — in strijd met de rechtspraak van het Hof van Justitie — niet beoordeeld of belanghebbende moet worden aangemerkt als instelling van sociale aard in het licht van de door het Hof van Justitie genoemde relevante elementen.
2.54
Gelet op het vorenstaande dient de uitspraak van het Hof naar onze mening te worden vernietigd.
3. Verzoek proceskostenvergoeding
Namens belanghebbende verzoeken wij u de Minister te veroordelen tot een integrale vergoeding van de door belanghebbende gemaakte (proces)kosten. De belastingdienst heeft na de uitspraak op bezwaar naar aanleiding van het eerste bezwaarschrift van belanghebbende, de overige bezwaarschriften van belanghebbende die betrekking hebben op exact dezelfde casus (uitsluitend een ander belastingtijdvak) niet willen aanhouden tot de Rechtbank, het Gerechtshof of de Hoge Raad onherroepelijk uitspraak zou hebben gedaan. Dit heeft tot gevolg dat er een groot aantal zaken door de Rechtbank, het Gerechtshof en uw Hoge Raad worden behandeld en dat cliënte aanzienlijk meer proceskosten heeft moeten maken. Om deze reden is een integrale vergoeding van de proceskosten naar onze mening op zijn plaats.
4. Conclusie en slot
Namens belanghebbende verzoeken wij u de uitspraak van het Hof te vernietigen en de zaak zelf af te doen door:
- a.
primair goed te keuren dat belanghebbende voor zijn activiteiten, bekostigd vanuit de GEZ module, beroep kan doen op de medische vrijstelling van artikel 11, lid 1, letter g van de Wet op de omzetbelasting 1968;
- b.
subsidiair te oordelen dat belanghebbende voor zijn activiteiten, bekostigd vanuit de GEZ module, beroep kan doen op de vrijstelling van artikel 11, lid 1, letter f van de Wet op de omzetbelasting 1968 jo artikel 7 van het Besluit en bijlage B, post b.20 bij dit Besluit; dan wel
- c.
meer subsidiair belanghebbende vanwege zijn rechtstreeks beroep op het Unie-recht aan te merken als een instelling van sociale aard met als gevolg dat belanghebbende voor zijn activiteiten, bekostigd vanuit de GEZ module, beroep kan doen op de vrijstelling van artikel 11, lid 1, letter f van de Wet op de omzetbelasting 1968 jo artikel 7 van het Besluit en bijlage B, post b.20 bij dit Besluit.
Mocht u vragen hebben of informatie wensen te ontvangen, dan zijn wij natuurlijk altijd bereid om die te beantwoorden ofte vertrekken. U kunt ons bereiken via:
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 03‑10‑2025
Beleidsregel Huisartsenzorg en Multidisciplinaire zorg 2015, BR/REG-17170; Beleidsregel Huisartsenzorg en Multidisciplinaire zorg 2016, BR/REG-17171; Huisartsenzorg en Multidisciplinaire zorg 2017, BR/REG-17172. Inmiddels wordt de GEZ-module stapsgewijs vervangen door de Module Organisatie & Infrastructuur (O&l).
Besluit van 6 december 2014, nr. BLKB 2014/704M, zoals gewijzigd bij besluit van 10 oktober 2017, nr. BLKB2017/7366.
Zoals bijvoorbeeld HvJ EG 25 februari 1999, C-349/96, ECLI:EU:C:1999:93 (CPP); HvJ EU 18 januari 2018, C-463/16, ECLI:EU:C:2018:22(Stadion Amsterdam).
De Rechtbank heeft in rechtsoverweging 18 van haar uitspraak geoordeeld dat de uitoefening van het medische beroep van huisarts en daarmee dus de zorgverlening aan de patiënt voorop staat. De patiënt is de afnemer van de GEZ-prestaties. Een deel van de zorg wordt door de verschillende eerstelijnszorgverleners — via de Stichting — met elkaar afgestemd en zodanig georganiseerd dat een kwalitatief betere zorg kan worden geleverd. De Rechtbank maakt wel de connectie tussen de prestaties van belanghebbende, allen gericht op zorgverlening aan de patiënt.
Zie ook HvJ EU 26 mei 2016, C-607/14, ECLI:EU:C:2016:355 (Bookif), r.o. 27 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie onder meer HvJ EU 26 mei 2016, C-607/14, ECLI:EU:C:2016:355 (Bookit), r.o. 26 en de aldaar aangehaalde rechtspraak; HvJ EU 2 december 2010, C-276/09, ECLI:EU:C:2010:730 (everything everywhere), r.o. 29 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Amendement van de leden Groot en Nepperus, kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2015/16, 34 302, nr. 53.
Handelingen TK 2015/16, nr. 22, item 17, Gezamenlijke behandeling pakket Belastingplan 2016 en Wet uitvoering Common Reporting, p. 22.
Handelingen TK 2015/16, nr. 23, item 8, Voortzetting gezamenlijke behandeling pakket Belastingplan 2016 en Wet uitvoering Common Reporting, p. 8–9.
Nota van toelichting bij Besluit van 23 december 2015 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van belastingen en toeslagen, p. 17.
Nota van toelichting bij Besluit van 23 december 2015 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van belastingen en toeslagen, p. 27.
In de GEZ-module overeenkomst welke wordt gesloten met de preferente zorgverzekeraar (welke de verre verzekeraars volgen) worden alle vaste verbonden eerstelijnszorgpartners genoemd. Het samenwerkingsverband is derhalve bekend bij de zorgverzekeraars.
HvJ EU 15 februari 2017, C-592/15, ECLI:EU:C:2017:117(British Film Institute).
Zie bijvoorbeeld HvJ EG 10 september 2002, C-141/00, ECLI:EU:C:2002:473 (Kügler), r.o. 61.
Zie HvJ EU 15 november 2012, C-174/11, ECLI:EU:C:2012:716 (Zimmermann), r.o. 33 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie bijvoorbeeld HvJ EG 9 februari 2006, C-415/04, ECLI:EU:C:2006:95(Kinderopvang Enschedeï), r.o. 23; HvJ EU 15 november 2012, C-174/11, ECLI:EU:C:2012:716 (Zimmermann), r.o. 57 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie bijvoorbeeld Hof Den Haag 29 juni 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BX2855; Hof Den Bosch 22 juni 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX0076.
Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 29 november 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9618.
HvJ EG 10 september 2002, C-141/00, ECLI:EU:C:2002:473 (Kügler).
HvJ EU 15 november 2012, C-174/11, ECLI:EU:C:2012:716(Zimmermann).
Zie HvJ EU 15 november 2012, C-174/11, ECLI:EU:C:2012:716 (Zimmermann), r.o. 31 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie HvJ EU 21 januari 2016, C-335/14, ECLI:EU:C:2016:36(Les Jardins de Jouvence), r.o. 36–40.
Uitspraak 03‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting; art. 11, lid 1, letters f en g, Wet OB 1968; art. 7 Uitvoeringsbesluit OB en post b.20 van Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit; organisatie van geïntegreerde eerstelijnszorg; door huisarts tegen vergoeding verrichte diensten jegens een samenwerkingsverband niet vrijgesteld van omzetbelasting. Zie ook 22/00859, ECLI:NL:HR:2025:1326
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/00856
Datum 3 oktober 2025
ARREST
in de zaak van
[X1] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 februari 2022, nrs. 20/00268 tot en met 20/00271, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 17/5145, AWB 17/5147, AWB 15/5148 en AWB 18/950) betreffende aan belanghebbende over de tijdvakken 1 april 2016 tot en met 30 juni 2016, 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2016, 1 januari 2017 tot en met 31 maart 2017 en 1 juli 2017 tot en met 30 september 2017 opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikkingen.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door E.E. Tissen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 30 december 2022 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.1.Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
1.3
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 5 juni 2024 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de middelen
2.1
De middelen, die zich richten tegen de oordelen van het Hof dat de Inspecteur terecht de naheffingsaanslagen in de omzetbelasting aan belanghebbende heeft opgelegd, en dat belanghebbende terecht over het derde kwartaal van 2016 een bedrag aan omzetbelasting op aangifte heeft voldaan, falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 22/00859, ECLI:NL:HR:2025:1326.
2.2.1
Met betrekking tot de boetebeschikkingen overweegt de Hoge Raad als volgt.De Inspecteur heeft aan belanghebbende bij het vaststellen van elke naheffingsaanslag op grond van artikel 67c AWR een boete opgelegd. Een boete als in deze bepaling voorzien, kan worden opgelegd op grond van de enkele constatering dat de belasting niet, onvolledig of te laat is betaald en daarom zonder onderzoek naar de mate waarin de belasting- of inhoudingsplichtige daarvan een verwijt kan worden gemaakt.In paragraaf 4 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst is echter bepaald, voor zover hier van belang, dat een pleitbaar standpunt ook het opleggen van een verzuimboete (zoals die van artikel 67c AWR) uitsluit.2.
2.2.2
De Rechtbank heeft de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen vernietigd. Het Hof heeft het hoger beroep van de Inspecteur gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de tegen zowel de naheffingsaanslagen als de boetebeschikkingen ingestelde beroepen bij de Rechtbank ongegrond verklaard.
2.2.3
2.2.4
De Rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende op rechtskundige gronden gegrond verklaard. Ook de Advocaat-Generaal heeft op rechtskundige gronden geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. Dit een en ander bevestigt dat belanghebbende zich op het standpunt mocht stellen dat zij ter zake van de in geding zijnde diensten geen omzetbelasting hoefde te voldoen. De pleitbaarheid van het door belanghebbende ingenomen standpunt betekent dat de boetebeschikkingen niet in stand kunnen blijven.
2.3
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.2.4 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De boetebeschikkingen worden vernietigd.
3. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
3.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 5 juni 2024 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
3.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 10 maart 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan 18 maanden, maar minder dan 24 maanden.
3.3
Wat betreft de naheffingsaanslagen komt belanghebbende daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 2.000.
3.4
Wat betreft de boetebeschikkingen geldt het volgende.Omdat de boetebeschikkingen worden vernietigd, kan compensatie voor de schending van artikel 6 EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting niet worden verleend door vermindering van de boeten. Aangezien elke boete minder dan € 1.000 bedraagt, wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn van artikel 6 EVRM is overschreden. Daarmee is de verdragsschending voldoende gecompenseerd.3.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover die uitspraak betrekking heeft op de boetebeschikkingen en de vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand ter zake van de behandeling van de bezwaren, het geding voor de Rechtbank, en het geding voor het Hof,
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover die uitspraak betrekking heeft op de boetebeschikkingen en de vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand ter zake van de behandeling van de bezwaren en het geding voor de Rechtbank,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 2.000,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 274 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald,
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 6.123 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € € 2.721 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑10‑2025
Vgl. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2020, rechtsoverweging 2.3.3.
Vgl. HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, rechtsoverweging 5.3.1.
Uitspraak 03‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting; art. 11, lid 1, letters f en g, Wet OB 1968; art. 7 Uitvoeringsbesluit OB en post 20 van Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit OB; organisatie van geïntegreerde eerstelijnszorg; door huisarts tegen vergoeding verrichte diensten jegens een samenwerkingsverband niet vrijgesteld van omzetbelasting. Zie ook 22/00859, ECLI:NL:HR:2025:1326
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/00857
Datum 3 oktober 2025
ARREST
in de zaak van
de fiscale eenheid [X2] C.S. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 februari 2022, nrs. 20/00281 tot en met 20/00283, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 18/2411, AWB 18/2412 en AWB 18/3745) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan omzetbelasting over de tijdvakken 1 oktober 2017 tot en met 31 december 2017 en 1 januari 2018 tot en met 31 maart 2018.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door E.E. Tissen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 30 december 2022 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.1.Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
1.3
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 5 juni 2024 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 22/00859, ECLI:NL:HR:2025:1326.
3. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
3.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 5 juni 2024 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
3.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 10 maart 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan 18 maanden, maar minder dan 24 maanden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 2.000.
4. Proceskosten
4.1
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
4.2
In de omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.2.
4.3
Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad in zo’n geval tot uitgangspunt dat i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en ii) op een dergelijk verzoek van toepassing is wegingsfactor 0,25 (zeer licht) zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.3.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 2.000, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 227 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑10‑2025
Zie HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.14.1.
Zie HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2.
Conclusie 30‑12‑2022
Inhoudsindicatie
Samenwerkingsverband geïntegreerde eerstelijnszorg; Vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel f Wet OB 1968 in samenhang met post b.20 Uitvoeringsbesluit OB; verhouding van ondergeschiktheid. Optreden als ondernemer. Belanghebbenden zijn werkzaam op het gebied van de medische zorgverlening aan individuele patiënten in de eerste lijn. Daarnaast zijn zij als ‘eerstelijnszorgpartner’ verbonden aan een samenwerkingsverband, waarbinnen een aantal beroepsbeoefenaren die eerstelijnsgezondheidszorg leveren, structureel met elkaar samenwerken. In werkgroepen organiseren en coördineren zij ‘geïntegreerde eerstelijnszorg’ (GEZ). In hoger beroep is in geschil of de GEZ-werkzaamheden van belanghebbenden kunnen delen in de vrijgestelde hoofdprestatie van belanghebbenden. Zo neen, dan is in geschil of deze werkzaamheden zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel f, Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). Het Hof beantwoordt beide vragen ontkennend. Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij drie middelen voorgesteld. Middel 1 richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de werkzaamheden van belanghebbenden niet zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel g, Wet OB. Middel 2 richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de werkzaamheden van belanghebbenden voor het samenwerkingsverband niet zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, Wet OB. Het middel voert aan dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de activiteiten van belanghebbenden niet onder post b.20 vallen. Middel 3 stelt dat het Hof ten onrechte niet heeft getoetst of de Nederlandse autoriteiten de grenzen van de beoordelingsbevoegdheid die artikel 132, lid 1, aanhef en onder g) van de Btw-richtlijn hebben geëerbiedigd. A-G Ettema meent dat de ‘eerstelijnszorgpartners’ hun activiteiten hetzij in een verhouding van ondergeschiktheid tot de ‘werkgever’ verrichten als bedoeld in artikel 10 van de Btw-richtlijn, hetzij niet optreden als belastingplichtige c.q. ondernemer als bedoeld in artikel 9, lid 1, Btw-richtlijn en artikel 7, lid 1, Wet OB. Zij verrichten hun werkzaamheden in werkgroepen. Als leden van de werkgroepen hebben zij geen individuele taken of verantwoordelijkheden, maar hebben zij een gezamenlijke taak en verantwoordelijkheid. Zij verrichten de werkzaamheden of handelingen als lid van de werkgroep niet op eigen naam, voor eigen rekening en/of onder eigen verantwoordelijkheid. Economisch risico lopen zij ook niet. Middel 1 slaagt in zoverre. Mochten belanghebbenden toch zelfstandig als ondernemer optreden voor de activiteiten ten behoeve van het samenwerkingsverband, dan heeft het Hof volgens de A-G aan de tekst en toelichting van post b.20 een te strikte uitleg gegeven. De vrijstelling is in het leven geroepen voor samenwerkingsverbanden die kosten voor zorgprestaties declareren volgens de Nza-beleidsregels. Onder samenwerkingsverband wordt volgens die beleidsregels verstaan een organisatorisch verband, waarbinnen een aantal beroepsbeoefenaren, die eerstelijnsgezondheidszorg leveren, structureel met elkaar samenwerken. De term samenwerkingsverband in post b.20 duidt dus op een samenwerkingsverband in brede zin, inclusief de aangeslotenen. De stichting is binnen het samenwerkingsverband slechts declarant. Middel 2 slaagt ook. Voor het overige behoeven de middelen volgens de A-G geen behandeling.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummers 22/00856 tot en met 22/00863
Datum 30 december 2022
Belastingkamer A
Onderwerp/tijdvak Omzetbelasting over tijdvakken in 2016 en 2017
Nr. Gerechtshof 20/00268 t/m 20/00271
Nr. Rechtbank AWB 17/5145, 17/5147, 15/5148 en 18/950
CONCLUSIE
C.M. Ettema
In de zaken van
[X1] , Fiscale eenheid [X2] c.s., [X3] , [X4] , Maatschap [X5] , Maatschap [X6] , [X7] c.s., [X8]
tegen
de staatssecretaris van Financiën
1. Overzicht
Inleiding
1.1
De belanghebbenden in deze zaken zijn allen eerstelijnszorgverleners. Eerstelijnszorg is zorg die toegankelijk is zonder verwijzing, zoals zorg van huisartsen en apothekers. Naast en in aanvulling op het verlenen van de eerstelijnszorg zijn de belanghebbenden als zogenoemde ‘eerstelijnzorgpartners’ samen met andere partners verbonden aan een samenwerkingsverband. Zij organiseren en coördineren ‘geïntegreerde eerstelijnszorg’. Het samenwerkingsverband is opgericht door de eerstelijnszorgpartners en wordt bekostigd door ziektekostenverzekeraars. Dat gebeurt volgens een met de desbetreffende zorgverzekeraar overeengekomen tarief.
1.2
In deze procedure staat de vraag centraal of het organiseren en coördineren van de geïntegreerde eerstelijnszorg aan de heffing van omzetbelasting is onderworpen.
1.3
In deze conclusie wordt voor alle zaken uitgegaan van de feiten en gedingstukken in de zaak 22/00856; er is niet gebleken van voor de beoordeling van de aangevoerde middelen relevante feitelijke verschillen met de zaken 22/00857 tot en met 22/00863.1.
Feiten en het geding in feitelijke instanties
1.4
Belanghebbenden zijn werkzaam op het gebied van de medische zorgverlening aan patiënten in de eerste lijn. Daarnaast zijn zij als ‘eerstelijnszorgpartner’ samen met andere zorgverleners verbonden aan een door de eerstelijnszorgpartners opgerichte stichting die zich tot doel stelt voor de geïntegreerde eerstelijnszorg (hierna ook: GEZ) zorgprogramma’s te maken, de zorg op elkaar af te stemmen, aan elkaar te rapporteren en de zorg te evalueren. Er worden zorgbehandelplannen ontwikkeld voor specifieke groepen patiënten per wijk. Bij de stichting zijn huisartsen en andere zorgverleners, zoals diëtisten, apothekers en fysiotherapeuten aangesloten.
1.5
In de door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) vastgestelde regeling administratie- en declaratievoorschriften module samenwerking ten behoeve van geïntegreerde eerstelijnszorg, worden ‘geïntegreerde eerstelijnszorg’ en ‘samenwerkingsverband in het kader van de module geïntegreerde eerstelijnszorg’ als volgt omschreven:2.
“3.1 Samenwerkingsverband in het kader van de module geïntegreerde eerstelijnszorg
Een samenwerkingverband is een organisatorisch verband, waarbinnen een aantal beroepsbeoefenaren, die eerstelijnsgezondheidszorg leveren, structureel met elkaar samenwerken. Deze samenwerking bestaat in ieder geval uit samenwerking tussen een zorgaanbieder die huisartsenzorg verleent met één of meer zorgaanbieders die andere zorg verlenen. Zij leveren gezamenlijk geïntegreerde eerstelijnszorgprestaties.
3.2
Hoofdcontractant/-declarant
De hoofdcontractant/-declarant is de zorgaanbieder die namens een samenwerkingsverband de module geïntegreerde eerstelijnszorg contracteert en declareert.
3.3
Geïntegreerde eerstelijnszorg
Geïntegreerde eerstelijnszorg betreft multidisciplinaire eerstelijnszorg die door meerdere zorgaanbieders met verschillende disciplinaire achtergrond in samenhang geleverd wordt en waarbij regie noodzakelijk is om het zorgproces rondom de consument te leveren.
Onder eerstelijnszorg wordt verstaan: generalistische zorgverlening met laagdrempelige toegang, ambulante zorg in de buurt, gericht op de mens in zijn omgeving en gericht op coördinatie en continuïteit van de zorgvragen.”
1.6
De ‘module geïntegreerde eerstelijnszorg’ (GEZ-module) is voor 2016 gebaseerd op de Beleidsregel Huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg 2016 - BR/REG-17171:3.
“Via de GEZ-module worden de personele inzet, organisatie en infrastructuur bekostigd die nodig is voor multidisciplinaire samenwerking tussen zorgaanbieders in de eerste lijn. Die inzet, organisatie, infrastructuur en samenwerking richten zich op multidisciplinaire eerstelijnszorg en op resultaten daaruit op het vlak van kwaliteit, doelmatigheid, patiëntgerichtheid (service) en innovatie.
(…)
Module geïntegreerde eerstelijnszorg
De “Module geïntegreerde eerstelijnszorg” biedt patiënten de voordelen van multidisciplinaire samenwerking tussen zorgverleners voor wat betreft het leveren van geïntegreerde eerstelijnszorgproducten. Het tarief is een vergoeding voor de kosten van personele inzet, organisatie en infrastructuur die nodig is voor die samenwerking. Binnen de module onderscheiden we twee prestaties:
Geïntegreerde eerstelijnszorg voor samenwerkingsverbanden die rechtspersoonlijkheid bezitten.
Geïntegreerde eerstelijnszorg voor samenwerkingsverbanden die geen rechtspersoonlijkheid bezitten.
Voorwaarden, voorschriften en beperkingen:
1. Indien voor samenwerking (sector)specifieke beleidsregels zijn opgesteld, dan gelden die specifieke beleidsregels.
2. De modules kunnen enkel in rekening worden gebracht door een samenwerkingsverband ter bevordering van structurele multidisciplinaire samenwerking in de eerstelijnszorg.
3. Voornoemd samenwerkingsverband is een organisatorisch verband, waarbinnen een aantal beroepsbeoefenaren uit de eerste lijn structureel met elkaar samenwerkt. Deze samenwerking bestaat in ieder geval uit samenwerking tussen een zorgaanbieder die de basisvoorziening huisartsenzorg verleent of kan verlenen met een of meer zorgaanbieders die andere zorg verlenen of kunnen verlenen. Zij bieden en leveren gezamenlijk een geïntegreerd op elkaar afgestemd doelmatig zorgaanbod.”
1.7
Zorgverzekeraars verlangen dat in het kader van de GEZ-module centraal een overeenkomst wordt gesloten vanuit één entiteit die de betrokken zorgverleners vertegenwoordigt. Om die reden hebben de belanghebbenden in hun hoedanigheid van eerstelijnszorgpartners de stichting opgericht en heeft de stichting een overeenkomst gesloten met een zorgverzekeraar.
1.8
De stichting en ieder van de belanghebbenden hebben de onderlinge afspraken vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst. Daarin is onder meer vastgelegd dat partijen gezamenlijk invulling geven aan geïntegreerde eerstelijnszorg op basis van de NZa-beleidsregel “samenwerking ten behoeve van geïntegreerde eerstelijnszorgproducten”:4.
“Partij A: [stichting] (…)
En
Partij B: [belanghebbende] (…)
Ieder afzonderlijk te noemen “Partij” en gezamenlijk “Partijen”.
Overwegende dat:
1. Partijen geven gezamenlijk invulling aan geïntegreerde eerstelijnszorg op basis van de NZa-beleidsregel “samenwerking ten behoeve van geïntegreerde eerstelijnszorgproducten”;
2. Onder geïntegreerde eerstelijnszorg wordt verstaan de afspraken tussen zorgverleners over de inhoud van de zorg en over onderlinge afstemming bij omschreven patiëntengroepen en/of problematiek, gericht op de vraag van de patiënt;
3. Dat de samenwerkingsovereenkomst, hierna ook aangeduid als “Overeenkomst”, betrekking heeft op naleving van de afspraken in het kader van de NZa-beleidsregel "samenwerking ten behoeve van geïntegreerde eerstelijnszorgproducten" en in het bijzonder de gecontracteerde GEZ module met [A] op basis van deze beleidsregel alsmede hiermee samenhangende activiteiten.
Komen het volgende overeen:
Artikel 1 Doel van de Overeenkomst
Partijen streven naar een verdere verbreding van een draagvlak met betrekking tot de ambitie zoals verwoord onder “overwegende dat” waarbij in het kader van deze Overeenkomst het accent in eerste instantie zal liggen op de ingeschreven patiënten bij de aangesloten huisartspraktijken;
1. Partijen streven er naar multidisciplinaire werkafspraken vast te leggen;
2. Partijen vormen een aanspreekbare organisatie waarbij nadere afspraken zijn vastgelegd aangaande de betrokkenheid en invloed van de partijen;
(…)
Artikel 3 Werkwijze en organisatie
1. Bij alle voorgenomen besluiten van Partij A die direct of indirect samenhangen met de kernactiviteiten van de Partij B dienen Partijen in overleg te treden waarbij uiteindelijk de wijze van besluitvorming tussen Partijen is verankerd in de statuten en huishoudelijk reglement van de [stichting];
2. Voor uitvoering van taken in het kader van deze Overeenkomst staat in beginsel een vergoeding ter beschikking conform door Partij A vast te stellen begroting rekening houdende met de verwachte financiële middelen. Ook beroepsbeoefenaren en medewerkers die onderdeel uitmaken van de Partijen kunnen in beginsel in aanmerking komen voor een vergoeding alsmede derden voor taken in zoverre met het bestuur vooraf overeengekomen;
3. Er kan bij verdere uitvoering van deze en andere Overeenkomsten en de daarbij horende activiteiten daar waar mogelijk gebruik worden gemaakt van ondersteuning en advisering van derden zoals een coördinator en communicatiedeskundige aan te trekken door Partij A, (...).
4. Partijen werken conform de procedures rond toetreding en uittreding tot de [naam stichting] en het werken in werkgroepen zoals geformuleerd in Bijlage 2: Procedures [stichting].
(...)”
1.9
De stichting heeft met een zorgverzekeraar een overeenkomst gesloten over onder meer het tarief. De overeenkomst vermeldt onder meer:
“Nemen in aanmerking dat:
• [B] bekostiging van eerstelijns samenwerkingsverbanden stimuleert ter bevordering van structurele multidisciplinaire gebiedsgerichte samenwerking in de eerstelijnsgezondheidszorg;
• [B] de visie onderschrijft dat geïntegreerde eerstelijns samenwerkingsverbanden een belangrijke meerwaarde in de zorg hebben;
• de voorwaarden voor bekostiging worden gevormd door de Beleidsregel van de NZa huisartsen en multidisciplinaire zorg BR/CU-7144 zoals die thans luidt, dan wel komt te luiden gedurende de looptijd van de overeenkomst.
Verder komen partijen het navolgende overeen:
Tarief
De overeengekomen prijs voor contractjaar 2016 bedraagt:
per ingeschreven verzekerde per jaar € 24,49
per ingeschreven verzekerde per kwartaal € 6,12
die is verzekerd bij [B] en is ingeschreven op naam van het aan het samenwerkingsverband deelnemende huisartsen. Het tarief is te declareren via de prestatiecode 11600.”
1.10
Ter zitting bij het Hof is namens belanghebbenden het volgende verklaard over de activiteiten die zien op de door belanghebbenden in hun hoedanigheid van eerstelijnszorgpartners aan de stichting gedeclareerde kosten:
- Declaraties ‘voorbereiding COPD’, ‘voorbereiding CVRM’, ‘voorbereiding Diabetes’ en ‘voorbereiding depressies’: deze kosten zien op werkzaamheden waarbij werkgroepen, waaraan zorgverleners die aangesloten zijn bij de stichting, specifieke patiëntengroepen (zoals COPD, CVRM en Diabetes) in beeld brengen en de zorg aan deze groepen patiënten stroomlijnen.
- Declaratie ‘1e 1000 dagen’: deze kosten zien op de werkzaamheden van een werkgroep die zich bezig heeft gehouden met het stroomlijnen van de zorg in de eerste duizend dagen in ieder mensenleven. Deze werkgroep heeft gesignaleerd dat er weinig contact was tussen bijvoorbeeld de huisartsen en de consultatiebureaus en een netwerk opgezet om de lijnen tussen de huisartsen en de andere eerstelijnszorgverleners korter te maken en de samenwerking tussen de verschillende ketenpartners te bevorderen. Verder heeft deze werkgroep gesignaleerd dat stress rondom ouderschap veel voorkomt en er daarom voor gezorgd dat informatieavonden voor (aanstaande) ouders worden georganiseerd.
- Declaratie ‘voorbereiding studenten’: Deze werkgroep heeft in beeld gebracht welke type ziektes en aandoeningen vaak voorkomen bij studenten en bedacht op welke wijze deze patiëntengroep beter kan worden bereikt en geholpen. Onder studenten is bijvoorbeeld alcoholgebruik/misbruik een probleem. Vanuit de werkgroep is contact gezocht met studentenverenigingen hetgeen ertoe heeft geleid dat studentenverenigingen ook alcoholvrij bier zijn gaan tappen. Ook is er vanuit de werkgroep een symposium georganiseerd waarbij studieverenigingen, zorgverleners en de gemeente aanwezig waren.
- Declaratie ‘voorbereiding optimalisatie Farmaco’: Deze kosten zien op een werkgroep die zich heeft beziggehouden met de samenwerking tussen huisartsen en apothekers. Zo is nagedacht over de wijze waarop chronisch zieke patiënten op efficiënte wijze hun jaarmedicatie kunnen krijgen. Afgesproken is dat de patiënt zich eenmaal per jaar laat controleren door de huisarts, die daarna een jaarrecept afgeeft. De apotheker verstrekt vervolgens ieder kwartaal de benodigde medicatie en geeft in het vierde kwartaal aan dat de patiënt weer op consult moet bij de huisarts. De patiënt beschikt zo tijdig over zijn medicatie, de apotheker wordt niet overvallen met allerlei spoedrecepten en de huisarts weet dat hij zijn patiënt in ieder geval één keer per jaar ziet.
- declaratie ‘voorbereiding zorgmail’: Deze kosten verwijzen naar een project dat tot doel had de communicatie tussen de zorgverleners onderling te verbeteren en heeft bewerkstelligd dat alle zorgverleners (huisarts, fysiotherapeut, apotheker, podotherapeut enz.) beveiligd met elkaar kunnen communiceren / mailen.
- Declaratie ‘service en bereikbaarheid’: Deze kosten zien niet op een werkgroep maar betreft een bedrag dat alleen de huisartsen per patiënt ontvangen indien zij aan bepaalde voorwaarden voldoen, zoals bijvoorbeeld het houden van een avondspreekuur of het bieden van de mogelijkheid aan patiënten om afspraken online te maken. Het bedrag dat de huisartsen ontvangen, is afhankelijk van de opties die een huisarts biedt. Inmiddels dienen de huisartsen zich voor deze vergoedingen weer rechtstreeks tot de zorgverzekeraar te wenden.
- Declaratie ‘bestuurderskosten’: De bestuurders van de stichting declareren de uren die zij besteden aan hun bestuurderswerkzaamheden. Het bestuur stuurt de werkgroepen aan, bepaalt welke werkgroepen noodzakelijk zijn, keurt de begrotingen van de werkgroepen goed en legt verantwoording af aan de zorgverzekeraars dat de uitgekeerde gelden zien op GEZ-werkzaamheden. De overheadkosten (de bestuurskosten en de kosten van het opmaken van de jaarrekening) betreffen ongeveer 10% van de gelden die de stichting ontvangt van de zorgverzekeraars.
1.11
De werkgroepen die de hierboven vermelde activiteiten hebben verricht, hadden een verschillende samenstelling. De resultaten van de door de diverse werkgroepen verrichte werkzaamheden waren beschikbaar voor alle bij de stichting aangesloten ‘eerstelijnszorgpartners’, ook als zij niet hadden deelgenomen aan een werkgroep. Belanghebbenden hebben de kosten van de werkzaamheden voor de werkgroepen bij de stichting in rekening gebracht.5.Op deze facturen hebben zij 21% omzetbelasting berekend.
1.12
De individuele zorg die belanghebbenden rechtstreeks aan hun patiënten verlenen, wordt door de zorgverzekeraars rechtstreeks aan belanghebbenden vergoed.
1.13
Belanghebbenden hebben bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte en naheffingsaanslagen over tijdvakken in 2016 en 2017. Tevens zijn boetes opgelegd.
1.14
De rechtbank Gelderland (de Rechtbank) oordeelt dat de patiënt de afnemer is van de GEZ-diensten.6.De GEZ-diensten gaan naar het oordeel van de Rechtbank op in de zorg die belanghebbenden als eerstelijnszorgverlener aan de patiënten verlenen. Deze zijn slechts ondersteunend van aard en moeten daarom als bijkomend bij de hoofdprestatie worden beschouwd. De GEZ-werkzaamheden zijn volgens de Rechtbank slechts een middel om de zorg aan de patiënten te verbeteren. Deze bijkomende dienst gaat op in de hoofddienst (de gezondheidskundige verzorging van de mens als bedoeld in artikel 11, lid 1, onderdeel g, Wet op de omzetbelasting 1968) en deelt het fiscale lot daarvan, aldus de Rechtbank.
1.15
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (het Hof).7.In geschil is of de werkzaamheden van belanghebbenden in het kader van de GEZ opgaan in de vrijgestelde hoofdprestatie van belanghebbenden. Zo neen, dan is in geschil of de werkzaamheden in het kader van de GEZ zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel f, Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). Het Hof beantwoordt beide vragen ontkennend.
1.16
Om te bepalen of de prestaties die in het kader van de GEZ zijn vrijgesteld op grond van de medische vrijstelling als bedoeld in van artikel 11, lid 1, aanhef en onderdeel g, Wet OB is volgens het Hof allereerst van belang vast te stellen of de stichting als ondernemer in de zin van artikel 7, lid 1, Wet OB moet worden aangemerkt. Gelet op het bestaan van twee overeenkomsten, de inhoud van deze overeenkomsten en de toelichting ter zitting van het Hof, kan naar het oordeel van het Hof niet anders worden geconcludeerd dan dat de stichting en de zorgverleners elk een activiteit verrichten in eigen naam, voor eigen rekening en onder eigen verantwoordelijkheid en elk het aan die activiteiten verbonden economische risico dragen. De omstandigheid dat de stichting en de zorgverleners hun activiteiten op elkaar afstemmen, vereist weliswaar een zekere samenwerking, doch deze leidt er niet toe dat zij hun activiteiten niet zelfstandig verrichten. Het Hof is van oordeel dat de stichting zelfstandig coördinerende handelingen verricht waarvoor zij zorgverleners inschakelt en de zorgverleners – naast werkzaamheden voor de stichting – zelfstandig rechtstreeks aan de patiënt zorghandelingen verrichten. Het Hof is, gelet op alle feiten en omstandigheden, van oordeel dat de activiteiten van de stichting en de activiteiten van belanghebbenden niet kunnen worden gezien als één (samengestelde) prestatie. Het Hof is van oordeel dat de GEZ niet een inherent en onafscheidbaar deel is van een gezondheidskundige behandeling van een patiënt. Ook al worden een dergelijke organisatie en coördinatie wezenlijk en wenselijk geacht op het vlak van gezondheidskundige verzorging van de mens, een dergelijke vaststelling volstaat volgens het Hof niet om de medische vrijstelling op een dergelijke dienst van toepassing te achten.
1.17
Nu volgens het Hof de werkzaamheden van belanghebbenden in het kader van de GEZ niet opgaan in de vrijgestelde hoofdprestatie van belanghebbenden, beoordeelt het Hof of de GEZ-activiteiten die belanghebbenden verrichten voor de stichting zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel f, van de Wet OB en Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968, onderdeel b, aanhef en onderdeel 20 (post b.20).
1.18
Belanghebbenden kunnen zich volgens het Hof niet met succes op post b.20 beroepen. Blijkens de artikelsgewijze toelichting bij post b.20 is het samenwerkingsverband de schakel tussen de zorgverzekeraar en de eerstelijnszorgverleners. Het is het samenwerkingsverband dat de gelden van de zorgverzekeraars ontvangt. Het samenwerkingsverband verdeelt vervolgens het van de zorgverzekeraars ontvangen bedrag over de betrokken eerstelijnszorgverleners. Het Hof is Hof van oordeel dat de stichting het samenwerkingsverband is dat in post b.20 is aangewezen en belanghebbenden, die diensten verricht voor de stichting, geen samenwerkingsverband zijn als bedoeld in post b.20.
1.19
Belanghebbenden doen voorts een rechtstreeks beroep op artikel 132, lid 1, onder g), richtlijn 2006/112/EG (Btw-richtlijn). Eén van de voorwaarden van artikel 132, lid 1, onder g), van de Btw-richtlijn is dat de desbetreffende organisatie door de betrokken lidstaat als instelling van sociale aard wordt erkend. Nu belanghebbenden niet vallen onder post b.20 en niet om erkenning hebben verzocht, voldoen zij volgens het Hof niet aan de op grond van artikel 132, lid 1, onder g), van de Btw-richtlijn gestelde voorwaarde voor toepassing van de vrijstelling. Voor zover belanghebbenden stellen dat zij voldoen aan de vereisten voor erkenning, kunnen zij conform artikel 7, lid 2, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 een verzoek indienen. Een dergelijk verzoek ligt in de onderhavige procedures niet voor, zodat het Hof daarover niet kan oordelen en zolang er niet op een dergelijk verzoek positief is beslist, is van een erkenning als bedoeld in artikel 132, lid 1, onder g), van de Btw-richtlijn geen sprake.
Geding in cassatie
1.20
Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij drie middelen voorgesteld.
1.21
Middel 1 richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de werkzaamheden van belanghebbenden voor de stichting, die worden bekostigd op basis van de GEZ-module, niet zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel g, Wet OB. Volgens het middel heeft het Hof ten onrechte beoordeeld of de activiteiten van de stichting en de activiteiten van belanghebbenden kunnen worden gezien als één (samengestelde) prestatie. Het betoogt dat beoordeeld had moeten worden of de werkzaamheden van belanghebbenden in het kader van de GEZ en de rechtstreekse zorgverlening aan de patiënten kunnen worden aangemerkt als één prestatie. Volgens het middel is onbegrijpelijk dat het Hof in rechtsoverweging 4.3 overweegt dat om te bepalen of de prestaties van belanghebbenden in het kader van de GEZ zijn vrijgesteld van omzetbelasting, van belang is vast te stellen of de stichting (welke mede door belanghebbenden en haar andere, vaste eerstelijnszorgpartners is opgericht om te kunnen contracteren voor de GEZ-module) als ondernemer moet worden aangemerkt. Het ondernemerschap van de stichting is voor de beoordeling van de activiteiten van belanghebbenden niet relevant, aldus het middel. Indien uit de uitspraak van het Hof moet worden afgeleid dat het Hof van oordeel is dat belanghebbenden twee afzonderlijke prestaties verrichten, dan is dit oordeel onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd.
1.22
Middel 2 richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de werkzaamheden van belanghebbenden voor de stichting, die worden bekostigd op basis van de GEZ-module, niet zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel f, Wet OB. Het middel voert aan dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de activiteiten van belanghebbenden niet onder post b.20 vallen.
1.23
Middel 3 stelt dat het Hof ten onrechte niet heeft getoetst of de Nederlandse autoriteiten de grenzen van de beoordelingsbevoegdheid die artikel 132, lid 1, aanhef en onder g) van de Btw-richtlijn bij het opstellen van de nationale regeling opgenomen in artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 en bijlage B bij dit besluit hebben geëerbiedigd. Daarnaast heeft volgens belanghebbenden het Hof - in strijd met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) - niet beoordeeld of belanghebbenden moeten worden aangemerkt als instelling van sociale aard in het licht van de door het Hof van Justitie genoemde relevante elementen.
1.24
De staatssecretaris van Financiën heeft verweerschriften ingediend. Hij concludeert dat de ingestelde beroepen niet tot cassatie kunnen leiden.
1.25
Belanghebbenden hebben conclusies van repliek ingediend. De staatssecretaris van Financiën heeft, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, medegedeeld van dupliek af te zien.
Conclusie
1.26
Ik concludeer dat middel 1 (deels) en middel 2 slagen en de middelen (voor het overige) geen behandeling behoeven.
1.27
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbenden gegrond te verklaren.
2. Samenwerkingsverbanden op het gebied van multidisciplinaire eerstelijns- en geboortezorg
De samenwerkingsstichting
2.1
Om de samenwerking in het kader van de geïntegreerde eerstelijnszorg mogelijk te maken, is het nodig dat een samenwerkingsverband wordt opgericht. Daarbij bestaat de keuze tussen een samenwerkingsverband met of zonder rechtspersoonlijkheid (1.6).
2.2
Het is algemeen aanvaard dat de stichting door (rechts)personen kunnen worden gebruikt als samenwerkingsvorm ter verwezenlijking van een gezamenlijk doel. Asser e.a. schrijven:8.
“De stichting leent zich voor samenwerkingsconstructies en voor afhankelijkheidsverhoudingen binnen een groep. Dergelijke verhoudingen zullen in de statuten van de stichting en eventueel contractueel moeten worden gecreëerd en kunnen op verschillende wijzen worden vormgegeven. Ook wordt de stichting veelvuldig gebruikt om zeggenschap en/of economische macht te concentreren.”
2.3
In de praktijk wordt vrij veel gebruik gemaakt van de samenwerkingsstichting. Dergelijke stichtingen kennen statutair deelnemers, aangeslotenen en dergelijke. Het gaat dan om personen die een duurzame band met de stichting hebben, waaraan vaak statutair bepaalde rechten en verplichtingen zijn verbonden.9.
2.4
Aan organisatierechtelijke regelgeving zijn de aangeslotenen slechts gebonden voor zover dit in de aansluitingsovereenkomst is bepaald. Tussen de bij de stichting aangeslotenen onderling ontstaat in beginsel geen organisatierechtelijke rechtsverhouding.10.Dat kan echter wel zo zijn. Overes e.a. schrijven daarover:11.
“Een ander punt is dat aan de samenwerkingsstichting een samenwerkingsovereenkomst tussen haar deelnemers ten grondslag kan liggen. De stichting dient dan als vehikel ter realisering van die samenwerkingsovereenkomst. Tussen de deelnemers onderling bestaat dan uiteraard wel een rechtsverhouding. Deze is contractueel en niet organisatierechtelijk van aard, zoals de lidmaatschapsverhouding. Hierbij is aan te tekenen dat de aard en inhoud van de samenwerkingsovereenkomst mede het belang van de stichting bepaalt, en daarmee mede tot richtsnoer dient van bestuurders en commissarissen. (…)”
2.5
Belanghebbenden hebben bij hun samenwerking gekozen voor de stichting. Dat zij niet hebben gekozen voor een maatschap of B.V. kan ik, anders dan de Inspecteur in hoger beroep betoogt, goed volgen. Aan de laatste rechtsvormen zitten haken en ogen bij iedere toe- of uittreding van ‘aangeslotenen’. Bij de stichtingsvorm heeft toe- of uittreding geen vermogensrechtelijke gevolgen en kan worden volstaan met een procedure die leidt tot in- of uitschrijving uit het stichtingenregister.12.
Ondernemerschap
2.6
Leveringen en diensten zijn blijkens artikel 2 van de Btw-richtlijn slechts aan de heffing van omzetbelasting onderworpen, indien die handelingen worden verricht door een als zodanig handelende belastingplichtige.
2.7
Artikel 9, lid 1, van de Btw-richtlijn bepaalt dat als ‘belastingplichtige’ wordt beschouwd eenieder die zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit.
2.8
Volgens artikel 7, lid 1, van de Wet wordt als ondernemer aangemerkt ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent. De wetgever heeft aan het in deze bepaling gebruikte begrip ondernemer geen andere betekenis willen toekennen dan toekomt aan het begrip belastingplichtige in artikel 9, lid 1, van de Btw-richtlijn.13.
2.9
De in artikel 9, lid 1, van Btw-richtlijn bedoelde zelfstandigheid ontbreekt indien economische activiteiten worden uitgeoefend in een verhouding van ondergeschiktheid. Artikel 10 Btw-richtlijn bepaalt in dit verband:
“De in artikel 9, lid 1, bedoelde voorwaarde dat de economische activiteit zelfstandig moet worden verricht, sluit loontrekkenden en andere personen van de belastingheffing uit, voor zover zij met hun werkgever een arbeidsovereenkomst hebben aangegaan of enige andere juridische band hebben waaruit een verhouding van ondergeschiktheid ontstaat ten aanzien van de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden en de verantwoordelijkheid van de werkgever.”
2.10
Een verhouding van ondergeschiktheid is niet aanwezig wanneer de betrokken persoon de werkzaamheden of handelingen verricht (i) in eigen naam, (ii) voor eigen rekening, (iii) onder eigen verantwoordelijkheid, en (iv) indien hij het aan die activiteiten verbonden economische risico draagt.
2.11
De rechtspraak van het Hof van Justitie over artikel 9 en 10 van de Btw-richtlijn, heb ik besproken in mijn conclusie van 26 juni 2020, nr. 18/02684.14.Ik volsta met een verwijzing naar de onderdelen 3 en 4 van die conclusie en noem hier alleen het arrest IO15.. Dat arrest gaat over de activiteiten van een lid van een raad van commissarissen. Het Hof van Justitie beoordeelt in de eerste plaats of het lid zijn activiteiten in een verhouding van ondergeschiktheid uitoefent als bedoeld in artikel 10 Btw-richtlijn. Dat is niet het geval:
“37 Bij het ontbreken van een verhouding van ondergeschiktheid ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, hebben de leden van een dergelijke raad van commissarissen dus geen andere juridische band waaruit een verhouding van ondergeschiktheid ontstaat in de zin van artikel 10 van de btw-richtlijn. Dientengevolge dient vervolgens in het licht van artikel 9 van die richtlijn te worden beoordeeld of een activiteit zoals aan de orde in het hoofdgeding moet worden aangemerkt als een activiteit die zelfstandig wordt uitgeoefend.
38 In dat verband blijkt uit de rechtspraak van het Hof over dit artikel 9 dat, om te beoordelen of iemand zelfstandig een economische activiteit uitoefent, moet worden nagegaan of sprake is van een verhouding van ondergeschiktheid in de uitoefening van die activiteit (zie in die zin arrest van 29 september 2015, Gmina Wrocław, C‑276/14, EU:C:2015:635, punten 33 en 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 Om vast te stellen of er sprake is van een dergelijke ondergeschiktheidsverhouding moet worden nagegaan of de betrokken persoon zijn activiteiten in eigen naam, voor eigen rekening en onder zijn eigen verantwoordelijkheid verricht en of hij het aan die activiteiten verbonden economische risico draagt. Om vast te stellen of de betrokken activiteiten zelfstandig worden verricht, heeft het Hof dus in aanmerking genomen dat de betrokkene op geen enkele wijze hiërarchisch ondergeschikt was, en dat hij voor eigen rekening en onder zijn eigen verantwoordelijkheid handelt, vrijelijk zijn werkwijze bepaalt en zelf de vergoedingen ontvangt waaruit hij zijn inkomen haalt (arrest van 29 september 2015, Gmina Wrocław, C‑276/14, EU:C:2015:635, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 Zoals opgemerkt in de punten 35 en 36 van het onderhavige arrest, wordt de situatie van een lid van de raad van commissarissen van een stichting – zoals verzoeker in het hoofdgeding – gekenmerkt door het ontbreken van een verhouding van hiërarchische ondergeschiktheid ten opzichte van het bestuursorgaan van die stichting en van de raad van commissarissen, met betrekking tot de uitoefening van de werkzaamheden als lid van voornoemde raad van commissarissen.
2.12
Vervolgens beoordeelt het Hof van Justitie of het lid zelfstandig een economische activiteit uitoefent in de zin van artikel 9 van de Btw-richtlijn. Ook dat is niet zo:
41 Niettemin handelt verzoeker in het hoofdgeding volgens de verwijzende rechter in de uitoefening van zijn functie als lid van de raad van commissarissen van de betrokken stichting noch in eigen naam, noch voor eigen rekening, noch onder zijn eigen verantwoordelijk. Zoals blijkt uit de statuten van deze stichting impliceren de werkzaamheden als lid van die raad van commissarissen in bepaalde gevallen dat hij de stichting vertegenwoordigt op juridisch vlak, wat de mogelijkheid inhoudt om de stichting juridisch te binden. Bovendien preciseert de verwijzende rechter dat de leden van voornoemde raad van commissarissen de aan deze raad toegekende bevoegdheden niet individueel kunnen uitoefenen, en dat zij handelen voor rekening en onder de verantwoordelijkheid van die raad. Zo blijkt dus dat de leden van de raad van commissarissen van de betrokken stichting geen individuele verantwoordelijk dragen voor de handelingen van deze raad die zijn vastgesteld in het kader van de juridische vertegenwoordiging van voornoemde stichting, en evenmin aansprakelijk zijn voor schade die bij de uitoefening van hun functie aan derden wordt toegebracht, en dat zij bijgevolg niet onder hun eigen verantwoordelijkheid handelen (zie naar analogie arrest van 25 juli 1991, Ayuntamiento de Sevilla, C‑202/90, EU:C:1991:332, punt 15).
42 Voorts wordt de situatie van een lid van een raad van commissarissen, zoals verzoeker in het hoofdgeding, in tegenstelling tot die van een ondernemer, gekenmerkt door het feit dat hij geen enkel economisch bedrijfsrisico draagt. Volgens de verwijzende rechter ontvangt een dergelijk lid immers een vaste vergoeding die niet afhankelijk is van zijn deelname aan vergaderingen of van zijn feitelijk gewerkte uren. In tegenstelling tot een ondernemer heeft hij dus geen aanzienlijke invloed op zijn inkomsten en uitgaven (zie, a contrario, arrest van 12 november 2009, Commissie/Spanje, C‑154/08, niet gepubliceerd, EU:C:2009:695, punt 107 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Wanneer een lid van een dergelijke raad van commissarissen nalatig is in de vervulling van zijn taken, kan dit bovendien geen rechtstreekse invloed hebben op de vergoeding van dat lid, aangezien een dergelijke taakverwaarlozing volgens de statuten van de betrokken stichting slechts tot het ontslag van voornoemd lid kan leiden nadat een specifieke procedure is gevolgd.
43 Een persoon die niet een dergelijk bedrijfsrisico draagt, kan niet worden geacht zelfstandig een economische activiteit uit te oefenen in de zin van artikel 9 van de btw-richtlijn (zie in die zin arresten van 23 maart 2006, FCE Bank, C‑210/04, EU:C:2006:196, punten 35‑37; 18 oktober 2007, Van der Steen, C‑355/06, EU:C:2007:615, punten 24‑26, en 24 januari 2019, Morgan Stanley & Co International, C‑165/17, EU:C:2019:58, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”
2.13
HR 26 juni 2020, nr. 18/02684 betreft een min of meer vergelijkbare zaak over een lid van een bezwaaradviescommissie. De Hoge Raad oordeelt:16.
“2.5.1 Volgens artikel 7, lid 1, van de Wet wordt als ondernemer aangemerkt ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent. De wetgever heeft aan het in deze bepaling gebruikte begrip ondernemer geen andere betekenis willen toekennen dan toekomt aan het begrip belastingplichtige in artikel 9, lid 1, van BTW-richtlijn 2006.17.Volgens artikel 9, lid 1, eerste alinea, van BTW-richtlijn 2006 wordt als belastingplichtige beschouwd eenieder die zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit.
2.5.2
De in artikel 9, lid 1, van BTW-richtlijn 2006 bedoelde zelfstandigheid ontbreekt indien economische activiteiten worden uitgeoefend in een verhouding van ondergeschiktheid. Een verhouding van ondergeschiktheid is niet aanwezig wanneer de betrokken persoon de werkzaamheden of handelingen verricht (i) in eigen naam, (ii) voor eigen rekening, (iii) onder eigen verantwoordelijkheid, en (iv) indien hij het aan die activiteiten verbonden economische risico draagt.18.Daarbij geldt dat de vereiste zelfstandigheid in elk geval ontbreekt voor loontrekkenden en voor andere personen die met hun werkgever een arbeidsovereenkomst hebben aangegaan of enige andere juridische band hebben waaruit een verhouding van ondergeschiktheid ontstaat ten aanzien van de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden en de verantwoordelijkheid van de werkgever, een en ander als bepaald in artikel 10 van BTW-richtlijn 2006.
2.5.3
Voor het antwoord op de vraag of belanghebbende de commissiewerkzaamheden zelfstandig verricht, moeten de juridische en de feitelijke context waaronder deze werkzaamheden worden verricht, in aanmerking worden genomen.”
2.14
Het Hof heeft in 4.3 tot en met 4.8 beoordeeld of de stichting zelfstandig als ondernemer als bedoeld in artikel 7, lid 1, Wet OB optreedt.
2.15
Naar het oordeel van het Hof verricht de stichting zelfstandig coördinerende handelingen waarvoor zij zorgverleners inschakelt en de zorgverleners verrichten – naast werkzaamheden voor de stichting – zelfstandig rechtstreeks aan de patiënt zorghandelingen. In punt 4.8 overweegt het Hof:
“Gelet op het bestaan van twee overeenkomsten (overeenkomst 1 en overeenkomst 2), de inhoud van deze overeenkomsten en de toelichting ter zitting van het Hof, kan naar het oordeel van het Hof niet anders worden geconcludeerd dan dat de stichting en de zorgverleners elk een activiteit verrichten in eigen naam, voor eigen rekening en onder eigen verantwoordelijkheid en elk het aan die activiteiten verbonden economische risico dragen. De omstandigheid dat de stichting en de zorgverleners hun activiteiten op elkaar afstemmen, vereist weliswaar een zekere samenwerking, doch deze leidt er niet toe dat zij hun activiteiten niet zelfstandig verrichten. Het Hof is van oordeel dat de stichting zelfstandig coördinerende handelingen verricht waarvoor zij zorgverleners inschakelt en de zorgverleners - naast werkzaamheden voor de stichting - zelfstandig rechtstreeks aan de patiënt zorghandelingen verrichten.”
2.16 ’
’s Hofs oordeel dat de stichting en belanghebbenden elk een activiteit verrichten in eigen naam, voor eigen rekening en onder eigen verantwoordelijkheid en elk het aan die activiteiten verbonden economische risico dragen, lijkt – gelet op de overwegingen in 4.3-4.8 – voor de belanghebbenden alleen te zien op het verlenen van individuele medische zorg. Als het Hof ook heeft beoordeeld of belanghebbenden de activiteiten in de hoedanigheid van eerstelijnszorgpartners ten behoeve van het samenwerkingsverband heeft verricht als ondernemer als bedoeld in artikel 7, lid 1, Wet OB, dan voert het middel mijns inziens terecht aan dat de uitspraak van het Hof onvoldoende – want niet – is gemotiveerd.
2.17
De vraag of belanghebbenden in een verhouding van ondergeschiktheid werken of juist zelfstandig als ondernemer, is op zich een feitelijke vraag waarvoor verwijzing zou moeten plaatsvinden. Ik meen echter dat, gelet op de vaststaande feiten, de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen.
2.18
Blijkens artikel 3 lid 1 van de samenwerkingsovereenkomst tussen belanghebbenden en de stichting is de wijze van besluitvorming verankerd in de statuten en het huishoudelijk reglement van de stichting. De statuten en het huishoudelijk reglement heb ik niet bij de stukken aangetroffen.19.Het vierde lid van artikel 3 van de samenwerkingsovereenkomst schrijft voor dat partijen werken conform de procedures rond het werken in werkgroepen zoals geformuleerd in Bijlage 2: Procedures [stichting]. Bijlage 2 behoort wel tot de stukken.
2.19
De werkgroepen worden aangestuurd door het bestuur (1.10). Dat doet vermoeden dat belanghebbenden hun werkzaamheden in het kader van die werkgroepen uitoefenen in een verhouding van ondergeschiktheid ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden en de verantwoordelijkheid van ‘de werkgever’.
2.20
Als de werkgroepleden hun activiteiten niet in een verhouding van ondergeschiktheid verrichten, kan naar mijn mening op basis van de vaststaande feiten worden geconcludeerd dat belanghebbenden voor deze werkzaamheden niet optreden als ondernemer als bedoeld in artikel 7, lid 1, Wet OB. De leden van de werkgroepen hebben geen individuele taken of verantwoordelijkheden, maar hebben een gezamenlijke taak en verantwoordelijkheid. Zij verrichten de werkzaamheden of handelingen als lid van de werkgroep niet op eigen naam, voor eigen rekening en/of onder eigen verantwoordelijkheid. Economisch risico lopen zij ook niet.
2.21
Middel I slaagt in zoverre.
2.22
Mocht de Raad mij hierin niet volgen, dan meen ik dat belanghebbenden zich met succes kunnen beroepen op post b.20, waarover hierna meer.
De vrijstelling voor prestaties van sociale of culturele aard
2.23
Artikel 11, lid 1, aanhef en onderdeel f, Wet OB bepaalt dat onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden van de belasting zijn vrijgesteld:
“de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen leveringen en diensten van sociale of culturele aard, mits de ondernemer geen winst beoogt en niet een verstoring van concurrentieverhoudingen optreedt ten opzichte van ondernemers die winst beogen;”
2.24
De aanwijzing van de leveringen en diensten van sociale of culturele aard heeft plaatsgevonden in artikel 7, lid 1, van het Uitv.besl. OB:
“Als leveringen en diensten van sociale of culturele aard als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de wet, worden aangewezen de leveringen en diensten, genoemd in de bij dit besluit behorende bijlage B.”
2.25
Aan bijlage B is op 1 januari 2016 een post b.20 toegevoegd voor de leveringen en diensten van samenwerkingsverbanden op het gebied van multidisciplinaire eerstelijns- en geboortezorg. Post b. 20 luidt:
“b. De leveringen en diensten als bedoeld in artikel 7 van het besluit, die als zodanig worden verricht door de hierna genoemde instellingen: (…)
20. Samenwerkingsverbanden op het gebied van multidisciplinaire eerstelijns- en geboortezorg die kosten voor zorgprestaties declareren voor zover deze diensten worden bekostigd op grond van de Zorgverzekeringswet en nader staan beschreven in de door de Nederlandse Zorgautoriteit voor deze vormen van zorg vastgestelde beleidsregels ingevolge de Wet marktordening gezondheidszorg;”
2.26
De artikelsgewijze toelichting vermeldt over de btw-vrijstelling voor samenwerkingsverbanden op het gebied van multidisciplinaire eerstelijns- en geboortezorg het volgende:20.
“Post b.20 en de algemene aantekening
Deze wijziging strekt ertoe de vrijstelling van btw voor sociaal-culturele prestaties uit te breiden met werkzaamheden in het kader van de organisatie van de eerstelijnszorg voor patiënten met een chronische ziekte en de geboortezorg door bepaalde samenwerkingsverbanden. Hiertoe worden de samenwerkingsverbanden die deze werkzaamheden verrichten opgenomen in bijlage B, onderdeel b, post 20, van het UBOB 1968.
De hier bedoelde samenwerkingsverbanden worden gevormd door zorgverleners op het gebied van de geïntegreerde eerstelijnszorg. Deze vorm van eerstelijnszorg betreft zorg die door meerdere zorgaanbieders met verschillende multidisciplinaire achtergronden (bijvoorbeeld huisartsen en andere zorgverleners als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 1°, sub a, van de Wet OB 1968) in samenhang geleverd wordt en waarbij regie noodzakelijk is om het zorgproces rondom de patiënt te leveren. Eerstelijnszorg kenmerkt zich in het bijzonder door een generalistische zorgverlening, door een laagdrempelige toegang, door zorg in de buurt, door zorg gericht op de mens in zijn omgeving, door een ambulant karakter en doordat de werkzaamheden gericht zijn op coördinatie en continuïteit van de zorg. Het samenwerkingsverband is een schakel tussen de zorgverzekeraar en de eerstelijnszorgverleners. In het kader van integrale bekostiging ontvangt het samenwerkingsverband van de zorgverzekeraar één vast bedrag per patiënt per jaar ten behoeve van de integrale eerstelijnsbehandeling van (vooralsnog) een beperkt aantal chronische ziektebeelden, te weten diabetes mellitus, verhoogd risico op hart- en vaatziekten, Chronic Obstructive Pulmonary Disease (COPD) en astma. Deze integrale bekostiging dekt naast de kosten van de (para)medische beroepsbeoefenaars eveneens de kosten van de organisatie van de zorg. Het samenwerkingsverband verdeelt vervolgens het van de zorgverzekeraar ontvangen bedrag over de betrokken eerstelijnszorgverleners onder inhouding van een vergoeding voor de door het samenwerkingsverband verrichte organisatorische werkzaamheden. Met de wijziging wordt het bedrag dat het samenwerkingsverband inhoudt voor de organisatie van de eerstelijnszorg van btw vrijgesteld.
Integrale bekostiging doet zich ook voor in de geboortezorg. Evenals bij de hiervoor bedoelde samenwerkingsverbanden in de eerstelijnszorg koopt de zorgverzekeraar de geboortezorg in bij één partij, te weten de geboortezorgorganisatie, die ervoor verantwoordelijk is dat de zorgverleners in het totale traject van prenatale, natale en postnatale zorg op een gelijkwaardig niveau en goed met elkaar samenwerken. Ook hier wordt het van de zorgverzekeraar ontvangen bedrag door het samenwerkingsverband die de organisatie van de geboortezorg op zich neemt doorbetaald aan de zorgverleners. Het samenwerkingsverband houdt van dat bedrag een deel in als vergoeding voor de organisatorische werkzaamheden. Dat bedrag is – als gevolg van de wijziging – van btw vrijgesteld.
De vrijstelling van btw voor sociaal-culturele prestaties geldt alleen voor de diensten van samenwerkingsverbanden die worden verricht in het kader van de organisatie van multidisciplinaire afspraken over het uitvoeren van een zorgprestatie waarvoor beleidsregels zijn vastgesteld ingevolge de Wet marktordening gezondheidszorg door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), al dan niet op aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Alleen van btw zijn vrijgesteld de organisatorische werkzaamheden waarvoor door de zorgverzekeraar een vergoeding wordt betaald op grond van de Zorgverzekeringswet en welke nader staan beschreven in de door de NZa voor deze vormen van zorg vastgestelde beleidsregels ingevolge de Wet marktordening gezondheidszorg. Dit betreft met ingang van 1 januari 2016 de beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg (BR/CU-7144)21.respectievelijk de beleidsregel verloskunde 2015 (BR/CU-7109)22.. Voor de volledigheid, deze vrijstelling betreft ook de eerstelijnssamenwerking voor zover deze niet gefinancierd wordt middels een integraal tarief, maar met een zogenoemd koptarief (een vergoeding voor overheadkosten van zorggroepen) en de in de beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg genoemde GEZ-module. Voor de toepassing van de vrijstelling van btw, bedoeld in de nieuwe post b.20 van bijlage B bij het UBOB 1968, is niet van belang of met de diensten winst wordt beoogd of gemaakt. Daarom is genoemde post b.20 ingevoegd in de algemene aantekening.”
2.27
Tijdens de behandeling van het Belastingplan 2017 zijn Kamervragen gesteld over de belastingheffing ter zake van GEZ-gelden. De nota naar aanleiding van het verslag bij het Belastingplan 2017 bevat onder meer de volgende opmerking (CE: voetnoot niet opgenomen):23.
“Btw-heffing zorgverleners
De leden van de fractie van de PvdA vragen naar het in de heffing betrekken van diensten verricht door eerstelijns zorgverleners aan samenwerkingsverbanden op het gebied van multidisciplinaire eerstelijns- en geboortezorg. Zij vragen of het kabinet dit wil aanpassen. Naar aanleiding van het aangenomen amendement Groot/Neppérus bij het Belastingplan 2016 is per 1 januari 2016 een btw-vrijstelling gecreëerd voor coördinerende werkzaamheden verricht door samenwerkingsverbanden op het gebied van multidisciplinaire eerstelijns- en geboortezorg, zoals de toelichting bij dit amendement ook vermeldt. Deze vrijstelling is vormgegeven door aanpassing van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Een uitbreiding van de reikwijdte van de vrijstelling van coördinerende werkzaamheden naar de bij het samenwerkingsverband aangesloten eerstelijnszorgverleners, zoals de leden van de fractie van de PvdA lijken te wensen, leidt tot een budgettaire derving. Voor deze uitbreiding van de reikwijdte van de vrijstelling zou eveneens dekking moeten worden gezocht. Daarnaast zou nog moeten worden beoordeeld of deze maatregel in de praktijk goed uitvoerbaar is in verband met bijvoorbeeld afbakeningsproblemen.”
2.28
De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de staatssecretaris van Financiën over het beëindigen van de verruimde toepassing van btw-koepelvrijstelling. Bij brief van 20 december 2017 zijn de vragen als volgt beantwoord, voor zover hier van belang:24.
“Andere vrijstelling in relatie tot de zorg
De leden van de fractie van het CDA vragen wat de reden is dat voor eerstelijnszorgpartners btw verschuldigd is. Ten slotte vragen deze leden of er mogelijkheden zijn deze btw-last, en dus een stijging van de zorgkosten, te voorkomen en of er voor de samenwerkingsverbanden in de zorg ook de mogelijkheid bestaat om vooraf met de Belastingdienst te overleggen.
Deze door de leden van de fractie van het CDA gestelde vraag staat los van de koepelvrijstelling. De vrijstelling waarover deze fractie een vraag stelt ziet op de btw-vrijstelling voor de vergoeding die samenwerkingsverbanden voor multidisciplinaire zorg ontvangen van zorgverzekeraars voor de coördinatie van multidisciplinaire zorg (GEZ- of ketenzorgmodules). Deze vrijstelling is geregeld in post 20 van Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. In die post staat dat van btw zijn vrijgesteld:
«de leveringen en diensten die als zodanig worden verricht door samenwerking verbanden op het gebied van Multi-disciplinaire eerstelijns- en geboortezorg die kosten voor zorgprestaties declareren voor zover deze diensten worden bekostigd op grond van de Zorgverzekeringswet en nader staat beschreven in de door de Nederlandse Zorgautoriteit voor deze vormen van zorg vastgestelde beleidsregels ingevolge de Wet marktordening gezondheidszorg».
De vergoeding die eerstelijnszorgpartners (bijvoorbeeld huisartsen) via het samenwerkingsverband ontvangen voor daadwerkelijk aan patiënten geleverde (keten)zorg, is vrijgesteld van btw. De vergoeding die dergelijke eerstelijnszorgpartners echter ontvangen voor andere activiteiten die zij verrichten voor het samenwerkingsverband (bijvoorbeeld het door het samenwerkingsverband uitbesteedde coördinatie van de ketenzorg of opstellen protocollen) is niet vrijgesteld van btw omdat deze prestaties niet onder de reikwijdte van post 20 van Bijlage B vallen en ook niet kunnen worden aangemerkt als btw-vrijgestelde zorg aan patiënten.
Voor zover de zorg activiteiten omvat die zijn vermeld in artikel 132 van de btw-richtlijn is de koepelvrijstelling nog steeds van toepassing. De Belastingdienst staat altijd open voor overleg met een samenwerkingsverband in de zorg over hun individuele situatie. Bij een dergelijk overleg staan echter de uitgangspunten zoals hiervóór beschreven centraal.”
2.29
Het Hof heeft geoordeeld dat de werkzaamheden van de stichting op grond van post b.20 zijn vrijgesteld van omzetbelasting en die van belanghebbenden niet. Het Hof oordeelt in dit verband onder meer:
4.15.
Vaststaat dat de stichting onder post B.20 valt. In geschil is of [belanghebbenden] ook onder post B.20 vallen. Het Hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Blijkens de toelichting bij post B.20 is het samenwerkingsverband de schakel tussen de zorgverzekeraar en de eerstelijnszorgverleners. Het is het samenwerkingsverband dat de gelden van de zorgverzekeraars ontvangt. Het samenwerkingsverband verdeelt vervolgens het van de zorgverzekeraars ontvangen bedrag over de betrokken eerstelijnszorgverleners. Met die toelichting is het Hof van oordeel dat de stichting het samenwerkingsverband is dat in post B.20 is aangewezen en [belanghebbenden] die diensten [verrichten] voor de stichting niet [vallen] onder de samenwerkingsverbanden als bedoeld in post B.20.
2.30
Ik meen dat de tekst van post b.20 niet zo strikt moet worden uitgelegd als het Hof doet. De vrijstelling is in het leven geroepen voor samenwerkingsverbanden die kosten voor zorgprestaties declareren volgens de Nza-beleidsregels. In de samenwerkingsovereenkomst tussen de belanghebbenden en de stichting is bepaald dat invulling is gegeven aan geïntegreerde eerstelijnszorg op basis van de NZa-beleidsregel “samenwerking ten behoeve van geïntegreerde eerstelijnszorgproducten”. Onder samenwerkingsverband wordt volgens de Nza- beleidsregels verstaan een organisatorisch verband, waarbinnen een aantal beroepsbeoefenaren, die eerstelijnsgezondheidszorg leveren, structureel met elkaar samenwerken. De term samenwerkingsverband in post b.20 duidt dus op het samenwerkingsverband in brede zin, inclusief de aangeslotenen. Volgens de Nza-beleidsregels is de hoofdcontractant/-declarant de zorgaanbieder die namens een samenwerkingsverband de module geïntegreerde eerstelijnszorg contracteert en declareert. De stichting is binnen het samenwerkingsverband slechts declarant. De strikte uitleg van het Hof, die inhoudt dat alleen de declarant zich kan beroepen op post b.20, schiet het doel van de vrijstelling voorbij.
2.31
Middel II slaagt.
2.32
Voor het overige behoeven de middelen geen behandeling meer.
3. Conclusie
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbenden gegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 30‑12‑2022
Het proces-verbaal van de zitting vermeldt op p. 3: “Verder mag het Hof ervan uitgaan dat de feiten voor alle belanghebbenden hetzelfde zijn (…)”.
Stcrt. 29 november 2011, nr. 21431: Regeling administratie- en declaratievoorschriften module samenwerking ten behoeve van geïntegreerde eerstelijnszorg. Zie voor daarmee overeenkomstige begripsomschrijvingen ook bijvoorbeeld: Beleidsregel samenwerking ten behoeve van geïntegreerde eerstelijnszorgproducten BR/CU–7092.
Huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg 2016 - BR/REG-17171. Vanaf 1 januari 2017: Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg 2017 - BR/REG-17172.
Ik neem dat het gaat om Beleidsregel samenwerking ten behoeve van geïntegreerde eerstelijnszorgproducten - BR/CU-7092.
Op grond van artikel 3, lid 2, van de samenwerkingsovereenkomst staat voor uitvoering van taken in het kader van die overeenkomst in beginsel een vergoeding ter beschikking conform door de stichting vast te stellen begroting rekening houdende met de verwachte financiële middelen. Volgens bijlage I wordt de vergoeding berekend op basis van afspraken vooraf.
Ik noem hier alleen de uitspraken van de belanghebbende in de zaak met nummer 22/00856 (zie 1.3). Rechtbank Gelderland 23 december 2019, nrs. AWB 17/5145, 17/5147, 15/5148 en 18/950, ECLI:NL:RBGEL:2019:6034. De uitspraak is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Ik noem hier alleen de uitspraken van de belanghebbende in de zaak met nummer 22/00856 (zie 1.3). Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 februari 2022, nrs. 20/00268 tot en met 20/00271 ECLI:NL:GHARL:2022:912.
C.H.C. Overes, T.J. van der Ploeg & W.J.M. van Veen, Van vereniging en stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, Deventer: Wolters Kluwer 2019, (6.1.2)
Ibidem, [11.4].
Ibidem, [11.4].
Bijlage 1 van de samenwerkingsovereenkomst bevat procedurebepalingen over de toe- en uittreding.
Vgl. HR 2 mei 1984, nr. 22 153, ECLI:NL:HR:1984:AW8625. Deze uitspraak is niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl. Zie ook: HR 26 juni 2020, 18/02684, ECLI:NL:HR:2020:1143 (conclusie van mijn hand), 2.5.1.
Conclusie van 12 december 2019, nr. 18/02684, ECLI:NL:PHR:2019:1327.
HvJ 13 juni 2019, IO, C-320/18, ECLI:EU:C:2019:490.
HR 26 juni 2020, 18/02684, ECLI:NL:HR:2020:1143 (conclusie van mijn hand).
Voetnoot in origineel: Vgl. HR 2 mei 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8625.
Voetnoot in origineel: Vgl. HvJ 29 september 2015, Gmina Wroclaw, C-276/14, ECLI:EU:C:2015:635, punt 34, en HvJ 13 juni 2019, IO, C-420/18, ECLI:EU:C:2019:490, punten 37 tot en met 39.
Dat is jammer, want de statuten of het huishoudelijk reglement bevatten naar alle waarschijnlijkheid bepalingen over het werken in de werkgroepen.
Stb. 2015, 544, Besluit van 23 december 2015 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van belastingen en toeslagen, p. 27 en 28.
Kamerstukken II 2016-2017, 34552 nr. 14, p. 85.
Kamerstukken II 2017-2018, 34775-VII, nr. 43, p. 15-16.