Grensoverschrijdende overgang van onderneming
Einde inhoudsopgave
Grensoverschrijdende overgang van onderneming (MSR nr. 69) 2015/3.6.1:3.6.1 Overgang van werkgever op verkrijger
Grensoverschrijdende overgang van onderneming (MSR nr. 69) 2015/3.6.1
3.6.1 Overgang van werkgever op verkrijger
Documentgegevens:
Mr. I.A. Haanappel-van der Burg, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
Mr. I.A. Haanappel-van der Burg
- JCDI
JCDI:ADS438312:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Arbeidsrecht / Collectief arbeidsrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 21 oktober 2010, JAR 2010/298 (Albron/FNV Bondgenoten), waarover uitgebreid: Zwemmer 2010, Zwemmer 2011, p. 16-20, Knipschild & van Fenema 2011, p. 3-9 Bouwens & Witteveen 2011, p. 10-15 en Beltzer & Haanappel 2011, p. 57-77.
Hof Amsterdam 25 oktober 2011, NJ 2012, 163 en JAR 2011/292 m.nt. A.P.P. Witteveen (Albron/FNV Bondgenoten).
HR 5 april 2013, NJ 2013, 389 m.nt. E. Verhulp en JAR 2013/125 m.nt. R.M. Beltzer (Albron/FNV Bondgenoten).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Nederlandse implementatiewetgeving gebruikt voor het begrip ‘vervreemder’ het woord ‘werkgever’, terwijl wel het begrip ‘verkrijger’ wordt gebruikt. Dit kan leiden tot verwarring, aangezien het begrip vervreemder niet gelijk is aan het civiele werkgeversbegrip. Deze onduidelijkheid heeft geleid tot de zaak Albron/FNV Bondgenoten.1
In de zaak Albron was de heer Roest in dienst bij Heineken Nederlands Beheer B.V., maar permanent tewerkgesteld bij Heineken Nederland B.V. Vervolgens zijn de werkzaamheden van Heineken Nederland B.V. uitbesteed aan Albron Catering B.V. en het was de vraag of de heer Roest uit hoofde van overgang van onderneming van rechtswege was overgegaan naar Albron Catering B.V. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat bij de overgang van onderneming van een tot een concern behorende onderneming naar een onderneming buiten dat concern, ook de tot het concern behorende onderneming waarbij de werknemers permanent zijn tewerkgesteld (zonder door een arbeidsovereenkomst aan die onderneming te zijn gebonden) als een vervreemder in de zin van de richtlijn overgang van onderneming kan worden beschouwd, hoewel er binnen dat concern een onderneming bestaat waaraan de betrokken werknemers wel door een dergelijke arbeidsovereenkomst zijn gebonden.
Het Hof Amsterdam oordeelde dat uitgangspunt is dat de uitbesteding van de cateringactiviteiten van Heineken Nederland B.V. naar Albron Catering B.V. als een overgang van onderneming in de zin van de richtlijn moest worden aangemerkt.2 Het hof Amsterdam oordeelde:
‘Het hof overweegt allereerst dat de bewoordingen van art. 7:663 BW geen rechtstreeks uitsluitsel geven over de vraag hoe het daar gebezigde begrip werkgever moet worden geduid in een geval dat hier aan de orde is. (…) Naar het oordeel van het hof bieden de bewoordingen van de onderhavige wetsbepaling in elk geval ruimte voor een dergelijk meervoudig werkgeversbegrip. Daaraan doet niet af dat art. 7:663 BW spreekt over de overgang van rechten en verplichtingen die op het tijdstip van de overgang voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst tussen hem en een daar werkzame werknemer. Gelet op het hiervoor geformuleerde uitgangspunt inzake de bedoeling die bij de wetgever bij de implementatiewet geacht moet worden te hebben voorgezeten vormen enkel de gecursiveerde woorden onvoldoende grond voor de veronderstelling dat de wetgever zou hebben beoogd de richtlijn niet ten volle te implementeren. Dit klemt temeer, nu uit de wetsgeschiedenis geen enkele aanwijzing in die richting valt te putten. Albron heeft ter ondersteuning van haar standpunt gewezen op een passage in de Memorie van Toelichting waaruit naar voren komt dat de regering het niet nodig heeft gevonden om in de wet naast het begrip arbeidsovereenkomst het begrip arbeidsverhouding of arbeidsbetrekking, waarop de richtlijn ook betrekking had, op te nemen. Dat kan Albron echter niet baten, reeds omdat het in de zaak die thans aan de orde is gaat om bescherming van de rechten van werknemers uit hoofde van arbeidsovereenkomsten. Vervolgens moet worden beoordeeld of de wetsystematiek van titel 10 van boek 7 BW in brede zin zich tegen richtlijnconforme interpretatie verzet. Volgens Albron is dit het geval omdat het door het Hof van Justitie EU geïntroduceerde begrip niet-contractuele werkgever zich niet verdraagt met het werkgeversbegrip dat elders in de Nederlandse wetgeving wordt gebruikt, zoals, afgezien van de toepassing in titel 10 van boek 7 BW, in de Arbeidstijdenwet en de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Het hof volgt Albron hierin niet, omdat aan de uitleg van de richtlijn door het Hof van Justitie EU een dergelijke vergaande werking niet mag worden toegekend. Deze uitleg heeft immers slechts betrekking op de wijze waarop de richtlijn in verband met de hier aan de orde zijnde rechtsvraag – die zich beperkt tot de uitleg en toepassing van uitsluitend art. 7:663 BW in een geval als het onderhavige – moet worden verstaan.’
Het Hof Amsterdam richt zich – evenals het Hof van Justitie – op het werkgeversbegrip. Het Hof Amsterdam is van mening dat onder het begrip werkgever van artikel 7:663 BW ook de niet-contractuele werkgever kan worden verstaan. Inmiddels heeft de Hoge Raad geoordeeld dat moetworden aangenomen dat de Nederlandsewetgever met het begrip ‘werkgever’ hetzelfde heeft bedoeld als is bedoeld met het begrip ‘vervreemder’ in de richtlijn.3
Anders dan het werknemersbegrip blijkt uit de memorie van toelichting niet dat de Nederlandse wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen het begrip werkgever te gebruiken, waardoor de interpretatie van het begrip werkgever in vervreemder op het eerste gezicht niet contra legem lijkt.