Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/5.2
5.2 Verwantschap van art. 6:181 met art. 6:170 en 171
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS297966:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Van Lennep 1895, p. 56-69; Klaassen 1991, p. 45.
Zie hierna par. 5.3.1 en ook par. 6.6.2.
Art. 6:169 lid 2 is geen (zuivere) kwalitatieve aansprakelijkheid, want gekoppeld aan een eigen ‘fout’ van de ouder/voogd.
Art. 6.3.10 O.M.
Lubach 2005, p. 125. Zie ook Parl. gesch. Boek 6, p. 722, 725, 726.
Toen nog verspreid over art. 6.3.8 en 6.3.9 O.M. Zie hierover ook de bijlage achter hoofdstuk 9, par. 3.
Zie het Gewijzigd Ontwerp (Parl. gesch. Boek 6, p. 725-729), waarin de art. 6.3.8, 6.3.9 en 6.3.10 O.M. werden vervangen door art. 6.3.2.2 (6:170) en 6.3.2.3 (6:171) G.O.
Parl. gesch. Boek 6, p. 728-729; Lubach 2005, p. 129-132. Zie ook HR 23 juni 2017, RvdW 2017/723 (Ennia/Taliesin), r.o. 3.5.2.
Parl. gesch. Boek 6, p. 714, alsook p. 746, waaruit vanuit de ‘eenheidsgedachte’ het verband blijkt tussen (de wenselijkheid van) de regelingen van art. 6:170, 171 en 181.
Parl. gesch. Boek 6, p. 745-746.
Parl. gesch. Boek 6, p. 745-746.
Parl. gesch. Boek 6, p. 746-747. Zo ook Sieburgh 2000, p. 181-187.
Parl. gesch. Boek 6, p. 714, 718-719, 746; Parl. gesch. Boek 3 (Inv. Boek 3, 5 en 6), p. 1003. Zie ook het verband dat wordt gelegd tussen art. 6:170, 171 en 181 in Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 6- 8.
Zie voor art. 6:170 Parl. gesch. Boek 6, p. 718; voor art. 6:171 Parl. gesch. Boek 6, p. 719; voor art. 6:181 Parl. gesch. Boek 6, p. 746.
Art. 6:170, 171 en 181 staan, los van de eigen kleur die iedere bepaling uiteraard heeft, met elkaar in onderling verband. Art. 6:170 en 171 zien op het ‘gebruik’ van hulppersonen, art. 6:181 ziet op het ‘gebruik’ van hulpzaken. Het gaat in alle drie artikelen om een aansprakelijkheid voor ‘instrumenten’ waarvan de aansprakelijke persoon zich bedient, zij het dat de hulppersoon uit art. 6:170/171 een ‘levend werktuig’ is,1 een hulpzaak uit art. 6:181 veelal ‘levenloos’ (art. 6:173 en 174) maar soms evenzeer ‘levend’ (art. 6:179). Het gebruik van de hulppersoon of -zaak speelt zich blijkens alle drie artikelen af in de ‘bedrijfsmatige’ sfeer. Waar art. 6:171 en 181 ter aanduiding van de aansprakelijke spreken van degene die een ‘bedrijf’ uitoefent, blijkt uit de tekst van art. 6:170 lid 1 de bedrijfsmatige context minder expliciet maar is deze aansprakelijkheid daarvoor toch (met name) wel bedoeld.2
Voorts betreffen de art. 6:170, 171 en 181 alle ‘zuivere’ kwalitatieve aansprakelijkheden: de aansprakelijkheid van degene die de hulppersoon of -zaak gebruikt, treedt in zonder eigen ‘foutief’ gedrag. Ik besef dat dit aspect niet de meest kenmerkende gelijkenis tussen de art. 6:170, 171 en 181 is, aangezien nagenoeg alle in afd. 6.3.2 BW opgenomen aansprakelijkheden een ‘zuivere’ kwalitatieve aansprakelijkheid zijn.3 Toch is bedoeld aspect in mijn ogen het vermelden waard. Art. 6:171 werd in het kader van de totstandkoming van het NBW aanvankelijk namelijk geredigeerd als een ‘schuldaansprakelijkheid’ met een weerlegbaar vermoeden van ‘schuld’.4 De aansprakelijkheid voor schade door een zelfstandige hulppersoonex art. 6:171 trad niet in, indien de opdrachtgever kon aantonen dat bij de keuze van de hulppersoon en het houden van toezicht voldoende zorgvuldigheid was betracht.5 De aansprakelijkheid voor ondergeschikten ex art. 6:170 had in het totstandkomingsproces van het NBW daarentegen wel van meet af aan te gelden als een (echte) kwalitatieve aansprakelijkheid.6 Uiteindelijk werden de aansprakelijkheden voor niet-ondergeschikten en ondergeschikten gelijkgeschakeld:7 in het Gewijzigd Ontwerp werd ervoor gekozen de aansprakelijkheid voor niet-ondergeschikten niet meer te doen rusten op eigen ‘foutief’ gedrag van de opdrachtgever, maar net zoals bij art. 6:170 op de ‘fout’ van een ander.8Art. 6:181 was sinds zijn introductie in het Gewijzigd Ontwerp direct een (echte) kwalitatieve aansprakelijkheid: de aansprakelijkheid werd niet gekoppeld aan een (eigen) ‘fout’ van de bedrijfsmatige gebruiker, maar aan de ‘gebrekkigheid’ van de roerende zaak of opstal dan wel de ‘eigen energie’ van het dier. Ook de kwalitatieve aard van de aansprakelijkheden ex art. 6:170, 171 en 181 komt vandaag de dag dus overeen.
Met het kwalitatieve karakter van de aansprakelijkheden van art. 6:170, 171 en 181 hangt een andere gelijkenis tussen deze bepalingen samen. Nu de aansprakelijkheid op grond van alle drie artikelen niet wordt afgebakend door eigen ‘foutief’ gedrag van de aansprakelijke persoon, vindt de begrenzing van art. 6:170, 171 en 181 op andere wijze plaats. De op voet van deze bepalingen aangesprokene is namelijk niet aansprakelijk voor schade veroorzaakt door íedere ‘fout’ van een hulppersoon (art. 6:170/171) of íedere gebrekkige zaak dan wel íedere eigen gedraging van een dier (art. 6:181). De risicosfeer van de op grond van art. 6:170, 171 en 181 aangesprokene wordt begrensd aan de hand van een zogeheten functioneel verband-vereiste: voor het intreden van aansprakelijkheid is steeds nodig dat op het moment van de schadeveroorzaking een voldoende sprekende band bestond tussen enerzijds de (activiteiten van de) op grond van art. 6:170, 171 en 181 aangesprokene en anderzijds (het gebruik van) de schadeveroorzakende hulppersoon of hulpzaak.
Ook de argumenten die ter rechtvaardiging van de aansprakelijkheden van art. 6:170, 171 en 181 worden gebezigd, vertonen gelijkenis. Zo gaat achter deze bepalingen allereerst dezelfde algemene gedachte van slachtofferbescherming schuil: beoogd wordt benadeelden ten behoeve van hun verhaalsmogelijkheden, náást de (eventueel) ‘foutaansprakelijke’ ex art. 6:162, een ‘extra’ aan te spreken partij te bieden. Omdat met iedere in afd. 6.3.2 BW opgenomen aansprakelijkheid in beginsel (mede) een dergelijke versterking van de positie van benadeelden is beoogd, is het in dit verband treffender dat de specifieke gedachten achter aansprakelijkheid op grond van art. 6:170, 171 en 181 evenzeer overeenkomen. Zo zijn art. 6:171 en 181 sterk geënt op de idee om in geval van schade door bedrijfsmatige activiteiten het slachtoffer een handreiking te bieden, in die zin dat deze zich ter vergoeding van zijn schade (in ieder geval) steeds kan wenden tot één duidelijk aanwijsbare persoon, te weten degene die het desbetreffende bedrijf uitoefent.9 Aan art. 6:170 ligt een overeenkomstige eenheids- en opspoorbaarheidsgedachte ten grondslag, namelijk het beginsel dat benadeelden de ‘meester’ en diens ondergeschikten als een zekere eenheid kunnen beschouwen.10 Gaat er binnen een van de voornoemde professionele ‘eenheden’ iets mis, dan moet de benadeelde zich ook aan (het hoofd van) die eenheid kunnen houden. Op deze wijze worden art. 6:170, 171 en 181 nadrukkelijk in onderling verband aan de orde gesteld in de parlementaire geschiedenis van afd. 6.3.2 BW. Het voorbeeld wordt gegeven van een explosie binnen een bedrijf waarvan de oorzaak niet in details opgehelderd kan worden.11 Alsdan moet volgens de toelichting ter vaststelling van de aansprakelijkheid discussie worden voorkomen over de vraag welke fout van een binnen het bedrijf werkzame persoon de schade heeft veroorzaakt, ofwel welke binnen het bedrijf gebruikte zaak de schade heeft aangericht en wie daarvan de bezitter is. Aldus vormen de art. 6:170, 171 en 181 tezamen het fundament van de concentratiegedachte: de wetgever heeft de aansprakelijkheid voor hulppersonen en -zaken steeds willen concentreren bij ‘het bedrijf’ als centraal adres, om benadeelden bij het verhalen van hun schade een zoektocht te besparen en om te voorkomen dat zij zouden moeten kiezen uit vele potentieel aansprakelijken. Tegelijkertijd kunnen met een dergelijke concentratie van aansprakelijkheid aan de zijde van de (potentieel) aansprakelijken dubbele verzekeringslasten worden voorkomen.12 Voorts wordt aansprakelijkheid op grond van de art. 6:170, 171 en 181 wel verdedigd met een beroep op het profijtbeginsel: degene die zich bedient van personen en zaken dient daarvan niet alleen (in economische zin) de lusten te genieten maar behoort, indien daarbij iets misgaat, ook de daaraan verbonden lasten te dragen.13 Voorts wordt de gevaartheorie gebezigd als rechtvaardiging van aansprakelijkheid op grond van art. 6:170, 171 en 181: hij die ervoor kiest zijn ‘actieradius’ te vergroten door andere personen handelingen voor zich te laten verrichten of door gebruik te maken van zaken, en zodoende voor derden eenzijdig de kans op schade door verwezenlijking van de daarmee in het leven geroepen gevaren verhoogt, dient ook voor die risico’s in te staan.14 Een ander argument voor de aansprakelijkheden van art. 6:170, 171 en 181 betreft de zogenoemde ‘risk-spreading capacity’: de aansprakelijkheid voor schade door hulppersonen en -zaken kan als ‘bedrijfsrisico’ worden gezien waarvan de kosten, al dan niet in de vorm van verzekeringspremies, door de aansprakelijke persoon over zijn afnemers kunnen worden gespreid.15 Hiermee hangt nauw samen het verzekeringsaspect waarmee de aansprakelijkheid uit alle drie bepalingen wel wordt verdedigd. Behoudens het zojuist al genoemde aspect van het voorkomen van dubbele verzekeringslasten, wordt van de ex art. 6:170, 171 en 181 aansprakelijke persoon wel aangenomen dat hij bij uitstek in staat is zich voor de gevolgen van aansprakelijkheid te verzekeren. Hij wordt als gezegd geacht de mogelijkheid te hebben de verzekeringspremies als bedrijfskosten door te berekenen aan zijn afnemers in de prijzen van zijn producten of diensten.16
Uit het vorenstaande volgt dat art. 6:170, 171 en 181 een onmiskenbare samenhang vertonen. De vraag die evenwel nog voorligt, is bij welke aansprakelijkheid voor hulppersonen aansluiting kan worden gezocht voor de uitleg van art. 6:181 betreffende hulpzaken. Hier dient het belang van een plaatsbepaling van art. 6:181 ten opzichte van art. 6:170 en 171 zich aan: art. 6:170 wordt namelijk ruimhartig toegepast, terwijl voor art. 6:171 juist een restrictieve benadering geldt. Om art. 6:181 ten opzichte van art. 6:170 en 171 goed te kunnen positioneren, worden in het navolgende allereerst de aansprakelijkheden van art. 6:170 en 171 nog afzonderlijk nader beschouwd. Zodra zicht bestaat op de aspecten die deze aansprakelijkheden kenmerken, is de positie van art. 6:181 ten opzichte van art. 6:170 en 171 vervolgens gefundeerd(er) te bepalen.