Quasi-erfrecht
Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/III.2.4:III.2.4. Het verbod bekeken vanuit degene die eventueel erfrechtelijke aanspraken kan doen gelden
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/III.2.4
III.2.4. Het verbod bekeken vanuit degene die eventueel erfrechtelijke aanspraken kan doen gelden
Documentgegevens:
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS574405:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Nota naar aanleiding van het Verslag, 17 213, nr. 6, p. 22.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het verbod van art. 4:4 lid 1 BW heeft een grote invloed op de beantwoording van de vraag in hoeverre de testateur zich kan binden of gebonden worden. Van directe binding kan in Nederland geen sprake zijn. Ook clausules die een testateur in een bepaalde richting willen sturen, lijken aan het verbod onderworpen. Duitsland heeft met § 2302 BGB een vergelijkbaar verbod, zij het dat directe binding mogelijk is gelet op het bestaan van het Erbvertrag. Het verbod wat betreft testamentaire clausules wordt soepel uitgelegd. Gelet op dit gegeven zou men voor het Nederlandse recht het verbod, daar waar het betreft de behandelde voorbeelden, nauwelijks van toepassing durven achten. Wellicht dat voor het niet toepasselijk zijn van het verbod op de vermelde situaties nog steun te vinden is bij de volgende passage uit de parlementaire stukken,1 die echter betrekking had op de regeling van de quasi-legaten en dus thans door mij enigszins uit het verband wordt getrokken:
‘Aangezien op de erflater geen juridische verplichting rust tot het doen van enige making, spreekt zijn vrijheid om beperkingen aan te brengen op makingen ook vanzelf.’
Wil men echter de zekerheid voor de praktijk dat ook wij in Nederland met bepaalde testamentaire clausules de testateur zouden kunnen sturen, dan is op zijn minst verduidelijking van de reikwijdte van lid 1 van art. 4:4 BW noodzakelijk. Vooralsnog ga ik er van uit dat het verbod ruim is en ‘erfrechtelijk sturende clausules’ nietig zijn. Op de wenselijkheid hiervan wordt nader stilgestaan in par. 7 van hoofdstuk VI.