De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap
Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/7.5:5 De vakorganisaties
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/7.5
5 De vakorganisaties
Documentgegevens:
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS387692:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vakorganisaties worden geconfronteerd met afnemende representativiteit en een discussie over hun legitimiteit. Dat zou hen kunnen brengen tot een herbezinning op hun maatschappelijke positie en, vooral, op hun rol bij het strategisch beleid van de vennootschap.
Een van de methoden om invloed daarop te bewerkstelligen is de enquêtebevoegdheid die de vakorganisaties bij wet is toegekend. Uit mijn onderzoek blijkt dat ze zeer terughoudend zijn bij het gebruik van het enquêterecht, en dat dit mogelijk berust op de misvatting dat uitoefening van dit recht hun weinig heil brengt. Dat is wellicht juist bij enquêteprocedures die zich in wezen richten op strategische besluiten van de vennootschap, zoals reorganisaties of het uitvoeren van insolventieprocedures. De vakorganisaties zijn, zo beschreef ik in hoofdstuk 6, wel succesvol geweest als ze enquêteprocedures voerden tegen het strategisch beleid, voor zoveel dat verder strekt dan een poging tot behoud van werkgelegenheid.
De zaken PCM en Meavita vormen hiervan duidelijke voorbeelden. De vakorganisaties hebben hier jurisprudentie gemaakt die heeft geleid tot algemene regels over het handelen van private-equitypartijen of complexe zorgconcerns en die zo andere vennootschappen tot voorbeeld kan strekken. De Ondernemingskamer heeft beslist dat het recht van de vakorganisaties om een onderzoek te verzoeken niet beperkt is tot het beleid op sociaal en economisch gebied; het gaat dus om een ruime bevoegdheid, waarbij de enquête een waarschuwingsfunctie voor andere vennootschappen kan vervullen. De vakorganisaties kunnen, door op te treden in situaties die mogelijk als wanbeleid kunnen worden gekwalificeerd, niet alleen een bijdrage leveren aan de rechtsontwikkeling, maar ook aan gezag binnen de Nederlandse samenleving winnen. Door vergroting van dit gezag verwacht ik dat zij ook hun representativiteit en legitimiteit kracht kunnen bijzetten en zo in staat zijn tot overleg over de strategie van de vennootschap in het coalitiemodel.
Als toetsingspunt voor de werking van het coalitiemodel zie ik daarom een toename van het aantal door de vakorganisaties gevoerde enquêteprocedures over het strategisch beleid, ook wanneer het daarin aan de orde gestelde belang breder is dan de gang van zaken bij de vennootschap die onderwerp is van het verzoek of het onderzoek. Het gebruik van de enquêtebevoegdheid zou onder omstandigheden een vervanging van collectieve actie kunnen vormen. De strategieën van organizing en corporate campaigns lijken in Nederland weinig tot ontwikkeling te zijn gekomen. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad over het stakingsrecht blijkt dat gebruik van rechtsmiddelen door de vakorganisaties van invloed kan zijn op de vraag of collectieve acties geoorloofd zijn. De enquêtebevoegdheid zal in veel gevallen waar kritiek op het strategisch beleid bestaat een betere uitkomst kunnen bieden dan een collectieve actie.