Einde inhoudsopgave
Speaking the same language (AN nr. 181) 2023/3.3.9.2.5.2
3.3.9.2.5.2 Het recht van de begunstigde als vermogensrecht ex art. 3:6 BWC
mr. K.R. Filesia, datum 25-09-2023
- Datum
25-09-2023
- Auteur
mr. K.R. Filesia
- JCDI
JCDI:ADS717392:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie echter art 3:154 lid 3 BWC waarin is bepaald dat uitkeringen ter voorziening in de kosten van levensonderhoud en studie in beginsel niet feitelijk kunnen worden gebruikt voor betaling van schulden die geen verband houden met het doel waarvoor deze gedaan zijn en is de begunstigde niet bevoegd over het recht op die uitkeringen te beschikken.
Vgl. ook: W.H.M. Reehuis e.a., Pitlo. Het Nederlands burgerlijk recht. Deel 3. Goederenrecht, Deventer: Kluwer 2019, p. 290-291; B. Schuijling, Levering en verpanding van toekomstige goederen (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2016, nr. 3.2.3.3.
Zie paragraaf 3.3.9.
Vgl. in dit kader: C.J. van Zeben, J.W. du Pon & M.M. Olthof (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 3, Vermogensrecht in het algemeen, Deventer: Kluwer 1981, p. 89-90, waarin de Nederlandse wetgever aangeeft dat bepaalde rechten die noch tot het verkrijgen van stoffelijk voordeel strekken, noch overdraagbaar zijn, wel als vermogensrechten kunnen worden aangemerkt. Het zijn van vermogensrecht is voor zodanige rechten vooral van belang met het oog op de toepasselijkheid van de titels betreffende verbintenissen en rechtsvorderingen, aldus de Nederlandse wetgever. Het betoog dat de bundel van rechten, bevoegdheden en remedies van een potentiële begunstigde als een vermogensrecht kwalificeert, kan mijns inziens zijn grond vinden in hetgeen de Nederlandse wetgever in het voornoemde tot uitdrukking brengt. Voorts is de opsomming in art. 3:6 BWC niet limitatief. Vgl. ook: E.M. Meijers, De Algemene Begrippen van het Burgerlijk Recht, Leiden: Universitaire Pers Leiden 1948, p. 86 en p. 248; S.E. Bartels & A.I.M. van Mierlo (m.m.v. H.D. Ploeger), Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 3. Vermogensrecht algemeen. Deel IV. Algemeen goederenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 1-2; W.H.M. Reehuis e.a., Pitlo. Het Nederlands burgerlijk recht. Deel 3. Goederenrecht, Deventer: Kluwer 2019, p. 4-5.
De memorie van toelichting vermeldt dat “ten aanzien van de wijze waarop kan worden beschikt gelden de algemene regels van vermogensrecht.” Zie hiervoor: MvT Landsverordening trust, Publicatieblad 2011, nr. 67, p. 12-13.
Het recht van de begunstigde kan derhalve tevens onder trustverband worden geplaatst, zodat een zogenoemde subtrust ontstaat. Zie ook: J. de Boer, ‘De trust naar Curaçaos recht’, WPNR 2012/6926, p. 289.
De begunstigde is, voor zover de trustakte niet anders bepaalt, bevoegd om over zijn rechten en bevoegdheden in de trust te beschikken.1/2 Op de vraag of het ‘recht van de begunstigde’ op zichzelf als vermogensrecht en derhalve als goed kan worden beschouwd, geeft de Curaçaose wetgever echter geen antwoord. Het ‘recht van een begunstigde’ bij een ‘fixed’ trust omvat – naast een aantal rechten, bevoegdheden en remedies – tevens een economisch belang. Daarnaast is dit recht, zo volgt uit art. 3:154 lid 2 BWC, in beginsel vatbaar voor overdracht. Aangezien het recht van de begunstigde in dergelijke gevallen overdraagbaar is, ertoe strekt de begunstigde stoffelijk voordeel te verschaffen en derhalve een bepaalde waarde in het economisch verkeer representeert, lijdt het naar mijn mening geen twijfel dat zulks onder de noemer ‘vermogensrecht’ valt en daarmee ook een goed is ex art. 3:1 BWC. Daarentegen omvat het ‘recht van de begunstigde’ bij een ‘discretionary’ trust géén economisch belang dat recht geeft op (toekomstige) overdracht van één of meer trustgoederen. Dit impliceert dat een dergelijk recht van de begunstigde niet direct een economische waarde representeert. De enkele verwachting van een potentiële begunstigde ten aanzien van een (toekomstige) overdracht van één of meer trustgoederen, kan op zichzelf niet worden beschouwd als een zelfstandig vermogensrecht en daarmee evenmin als een zelfstandig (overdraagbaar) goed.3 Niettemin kwalificeert de bundel van rechten, bevoegdheden en remedies van de potentiële begunstigde als zodanig naar mijn opvatting als vermogensrecht ex art. 3:6 BWC en derhalve ook als een goed ex art 3:1 BWC. De reden die hieraan ten grondslag ligt is dat de potentiële begunstigde – hoewel hij geen economisch belang heeft in de trust – wel een aantal basisrechten, bevoegdheden en remedies verkrijgt ter handhaving van de trust.4 Dit samenstel van rechten, bevoegdheden en remedies is het spiegelbeeld van de taken c.q. verplichtingen van de trustee die hij jegens en in het belang van de potentiële begunstigde dient te vervullen c.q. na te komen. Zo heeft de potentiële begunstigde – zoals eerder is belicht – het recht op behoorlijk beheer van de trust en kan hij onder meer schadevergoedingsclaims indienen en heeft hij onder omstandigheden de mogelijkheid om (gesubstitueerde) trustgoederen op te vorderen bij een ‘breach of trust’. Het feit dat de bundel van rechten, bevoegdheden en remedies van de potentiële begunstigde in dat soort gevallen weliswaar niet ertoe strekt stoffelijk voordeel te leveren doch wel gericht is op bepaalde prestaties van de trustee, brengt ongetwijfeld voordeel voor de potentiële begunstigde met zich.5
Overdracht van een overdraagbaar recht van de begunstigde in een ‘fixed’ trust vindt plaats krachtens de in art. 3:84 lid 1 BWC neergelegde vereisten.6/7 De levering geschiedt – gelet op het type recht – door een daartoe bestemde akte, en mededeling daarvan aan de trustee ingevolge art. 3:94 lid 1 BWC. Theoretisch gezien behoort een stille cessie van het recht van de begunstigde in een ‘fixed’ trust op grond van art. 3:94 lid 3 BWC – dat wil zeggen een overdracht waarvan een mededeling niet is vereist – evenzeer tot de mogelijkheden. Of een stille cessie in casu praktisch realiseerbaar is, is niet in de memorie van toelichting terug te vinden. Een stille cessie van een recht van de begunstigde in een ‘fixed’ trust kan naar ik meen het beheer en de goede werking van de trust in de weg staan. De trustee kan zonder enige mededeling geconfronteerd worden met een nieuwe onbekende begunstigde, terwijl van hem op grond van het trustrecht vereist wordt dat hij te allen tijde in het belang van een begunstigde dient te handelen. Aan dit vereiste kan hij alleen voldoen op het moment dat hij in kennis is gesteld van de overgang van het recht van de begunstigde op de nieuwe begunstigde. Wordt hij echter niet geïnformeerd door partijen, dan bestaat de mogelijkheid dat dit leidt tot een ‘breach of trust’ door bijvoorbeeld informatie over de trust aan de verkeerde persoon te doen toekomen of trustgoederen aan de verkeerde persoon te leveren. De mededeling aan de trustee als constitutief vereiste voor de levering bij de overdracht van het recht van de begunstigde in een ‘fixed’ trust cessie acht ik derhalve wenselijk.
Het recht van de begunstigde in een ‘discretionary’ trust is krachtens art. 3:83 lid 1 BWC naar zijn aard niet vatbaar voor overdracht. Dit is naar mijn mening te wijten aan het gegeven dat aan het recht van de begunstigde in een ‘discretionary’ trust een onzeker element verbonden is ter zake de aanwijzing van een begunstigde. Voorts is het onwenselijk dat een overdracht plaatsvindt aan personen buiten de groep der potentiële begunstigden, hetgeen in strijd is met de intentie van de insteller bij de totstandkoming van de trust. Dit leidt ertoe dat art. 3:154 lid 2 BWC in casu niet van toepassing is.