Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/6.4.4
6.4.4 Verstrekking van niet-bindende inlichtingen door douaneautoriteiten
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258721:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 33 jo. artikel 44 DWU.
Een beroep op het nationale vertrouwensbeginsel lijkt uitgesloten nu het Unierecht een eigen en hogere rechtsorde vormt en het douanerecht op Unierechtelijk niveau is vastgesteld. Zie HvJ EEG 5 februari 1963, nr. 26/62 (Van Gend & Loos NV tegen Nederlandse Administratie der Belastingen), ECLI:EU:C:1963:1, HvJ EEG 15 juli 1964, nr. 6/64 (Flaminio Costa tegen E.N.E.L.), ECLI:EU:C:1964:66, HvJ EEG 5 maart 1978, nr. C-265/78 (H. Ferwerda BV tegen Produktschap voor Vee en Vlees), ECLI:EU:C:1980:66, r.o. 15 en 17 en HvJ EEG 14 november 1985, nr. C-299/84 (Firma Karl-Heinz Neumann tegen Bundesanstalt für landwirtschaftliche Marktordnung), ECLI:EU:C:1985:463, r.o. 24-26. Vgl. G.J. van Slooten, Een “inlichting” is pas een “inlichting” als deze bindend is, Wfr 2018/4, p. 13.
Uit rechtspraak van het Hof van Justitie zou afgeleid kunnen worden dat aan het ongeschreven Unierechtelijke vertrouwensbeginsel geen ruimte wordt geboden bij de navordering van invoerrechten of terugvordering van in strijd met Unierecht uitbetaalde rechten, zie HvJ EEG 5 oktober 1988, nr. 210/87 (R. Padovani en erfgenamen Mantovani tegen Amministrazione delle finanze dello Stato), ECLI:EU:C:1988:476, r.o. 18, HvJ EEG 21 september 1983, nrs. 205-215/82 (Deutsche Milchkontor GmbH en anderen tegen Bondsrepubliek Duitsland), ECLI:EU:C:1983:233, r.o. 19 en HvJ EG 21 juni 2007, nr. C-158/06 (Stichting ROM-projecten tegen Staatssecretaris van Economische Zaken), ECLI:EU:C:2007:370, r.o. 23-24. Gebaseerd op recentere jurisprudentie geeft Van Slooten aan dat er evenwel ruimte bestaat voor het ongeschreven Unierechtelijke vertrouwensbeginsel, zie G.J. van Slooten, Een “inlichting” is pas een “inlichting” als deze bindend is, Wfr 2018/4, p. 13 en de arresten: HvJ EU 7 april 2011, nr. C-153/10 (Staatssecretaris van Financiën tegen Sony Supply Chain Solutions (Europe) BV.), ECLI:EU:C:2011:224, r.o. 47-49, HvJ EU 20 juni 2013, nr. C-568/11 (Agroferm A/S tegen Ministeriet for Fødevarer, Landbrug og Fiskeri), ECLI:EU:C:2013:407, r.o. 47, 51 en 52 en HvJ EG 13 maart 2008, nrs. C-383-385/06 (Vereniging Nationaal Overlegorgaan Sociale Werkvoorziening (C-383/06) en Gemeente Rotterdam (C-384/06) tegen Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Sociaal Economische Samenwerking West-Brabant (C-385/06) tegen Algemene Directie voor de Arbeidsvoorziening.), ECLI:EU:C:2008:165, r.o. 53.
HvJ EG 27 juni 1991, nr. C-348/89 (Mecanarte - Metalúrgica da Lagoa Ldª tegen Chefe do Serviço da Conferência Final da Alfândega do Porto), ECLI:EU:C:1991:278, r.o. 23; HvJ EG 14 mei 1996, nrs. C-153/94 en C-204/94 (The Queen tegen Commissioners of Customs & Excise, ex parte Faroe Seafood Co. Ltd, Føroya Fiskasøla L/F (C-153/94) en Commissioners of Customs & Excise, ex parte John Smith en Celia Smith, handeldrijvende onder firma Arthur Smith (C-204/94)), ECLI:EU:C:1996:198, r.o. 91.
HvJ EG 11 november 1999, nr. C-48/98 (Firma Söhl & Söhlke tegen Hauptzollamt Bremen), ECLI:EU:C:1999:548, r.o. 55, HvJ EG 13 maart 2003, nr. C-156/00 (Koninkrijk der Nederlanden tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen), ECLI:EU:C:2003:149, r.o. 92 en HvJ EG 20 november 2008, nr. C-375/07 (Staatssecretaris van Financiën tegen Heuschen & Schrouff Oriëntal Foods Trading BV.), ECLI:EU:C:2008:645, r.o. 58-59.
Gerecht 8 oktober 2008, nr. T-51/07 (Agrar-Invest-Tatschl GmbH tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen), ECLI:EU:T:2008:420, r.o. 41 e.v.
Voor een nadere toelichting op de voorwaarden verwijs ik naar: G.J. van Slooten, Van knoflooktenen, opblaasbare matrassen en de eigenaardigheden van het recht van de Unie, Wfr 2014/980, p. 980-987.
Zie de in voetnoot 174 aangehaalde rechtspraak.
Hoge Raad 30 juni 2017, nr. 15/02923, ECLI:NL:HR:2017:1171, r.o. 2.4.2. In deze zaak ging het om telefonisch ingewonnen inlichtingen. Ik kan mij voorstellen dat een marktdeelnemer in een dergelijk geval moeilijkheden ondervindt bij het verdedigen van zijn bewijspositie. Gerecht van eerste aanleg 25 september 1991, nr. T-163/89 (Elfriede Sebastiani tegen Europees Parlement), ECLI:EU:T:1991:49; Gerecht van eerste aanleg 7 mei 1991, nr. T-18/90 (Egidius Jongen tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen), ECLI:EU:T:1991:21; Gerecht van eerste aanleg 14 mei 1991, nr. T-30/90 (Wolfdietrich Zoder tegen Europees Parlement), ECLI:EU:T:1991:24 en Gerecht van eerste aanleg 16 oktober 1993, nr. T-22/92 (Roderich Weißenfels tegen Europees Parlement), ECLI:EU:T:1993:90. Niettemin zou dit er niet bij voorbaat toe moeten leiden dat de marktdeelnemer niet in rechte vertrouwen kan ontlenen aan deze inlichtingen. Gerecht van eerste aanleg 21 juli 1998, nrs. T-66/96 en T-221/97 (John Mellett tegen Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen), ECLI:EU:T:1998:187.
Vgl. voor de indeling van ingevoerde goederen in de GN bijvoorbeeld: European Commission, 21 Dec. 2018, Administrative Guidance on the Binding Tariff Information Process, p. 10.
N.A. de Vos, Europeanisering van het vertrouwensbeginsel. De betekenis van het Europese vertrouwensbeginsel voor de equivalente beginselen in Nederland, Frankrijk en België in het kader van een groeiend ius commune (diss. Utrecht), 2011, p. 157-162.
N.A. de Vos, Europeanisering van het vertrouwensbeginsel. De betekenis van het Europese vertrouwensbeginsel voor de equivalente beginselen in Nederland, Frankrijk en België in het kader van een groeiend ius commune (diss. Utrecht), 2011, p. 158.
Op grond van artikel 14 DWU kunnen marktdeelnemers de douaneautoriteiten verzoeken om het verstrekken van inlichtingen aangaande de toepassing van de douanewetgeving. Naar mijn mening kan een marktdeelnemer op grond van dit artikel een verzoek om inlichtingen over de toepassing van de douanewaardebepalingen indienen bij de douaneautoriteiten, zolang dit verzoek verband houdt met daadwerkelijk voorgenomen activiteiten in het kader van het internationale goederenverkeer. Op een verzoek om inlichtingen over de toepassing van douanewaardebepalingen op niet-bestaande activiteiten hoeft derhalve niet gereageerd te worden. De inlichtingen zouden naar mijn mening, net als bij de bindende waarde-inlichting (onderdeel 6.4.5), inzicht moeten geven op basis van welke waarderingsmethode de douanewaarde vastgesteld moet worden en welke prijselementen in ogenschouw genomen moeten worden voor de vaststelling van de douanewaarde overeenkomstig de van toepassing zijnde waarderingsmethode.
Een inlichting lijkt niet aangemerkt te kunnen worden als beschikking. Er lijkt derhalve geen bezwaar- of beroepsprocedure open te staan tegen een verkregen inlichting, wat anders is bij een bindende inlichting waarvoor dit wel het geval is aangezien dit type inlichting wel als beschikking wordt aangemerkt.1 Voorts is het de vraag of aan een verkregen inlichting gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend. Kan een marktdeelnemer bijvoorbeeld zich in rechte beroepen op een verkregen inlichting, indien de douaneautoriteiten daarin de douanewaardebepalingen gunstiger uitleggen dan in een controle na invoer? In dat kader moet getoetst worden of een gerechtvaardigd beroep kan worden gedaan op het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel.2 In het Unierechtelijk douanerecht lijkt het vertrouwensbeginsel in geschreven vorm uitputtend geregeld te zijn in artikel 119 DWU (voorheen artikel 220, lid 2, onderdeel b, CDW).3 In dit artikel zijn voorwaarden opgenomen waaraan voldaan moet worden om bij een zogenaamde ‘ambtelijke vergissing’ een geslaagd beroep te doen op het vertrouwensbeginsel om daarmee een navordering van invoerrechten af te wenden. Uit artikel 119 DWU en jurisprudentie gewezen onder artikel 220, lid 2, onderdeel b, CDW, volgt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel voldaan moet worden aan de volgende vier cumulatieve voorwaarden: i) het moet gaan om een vergissing van de douaneautoriteiten,4 ii) de douaneschuldenaar had de vergissing redelijkerwijs niet kunnen ontdekken,5 iii) de douaneschuldenaar moet te goede trouw hebben gehandeld,6 en iv) de douaneschuldenaar moet aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte hebben voldaan.7 Voor de beantwoording van de vraag of een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan kan worden als een inlichting wordt gegeven, moet gelet op voornoemde voorwaarden allereerst worden vastgesteld of sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten, wat veronderstelt dat sprake is van een actieve gedraging van de douaneautoriteiten.8 De Hoge Raad heeft in dat kader geoordeeld dat aan enige andere inlichting anders dan een bindende inlichting, geen in rechte te beschermen vertrouwen ontleend kan worden.9 Dat lijkt met zich te brengen dat aan een inlichting over de toepassing van de douanewaardebepalingen op grond van artikel 14 DWU niet kan worden aangemerkt als vergissing van de douaneautoriteiten, zelfs niet als alle relevante feiten zijn aangevoerd om de toepassing van de douanewaardebepalingen te beoordelen.10 Dit is anders, zoals hiervoor aangegeven, als een bindende inlichting wordt aangevraagd (onderdeel 6.4.5). Het beperken van het vertrouwensbeginsel tot bindende inlichtingen kan te maken hebben met het feit dat anders de nuttige werking van de toevoeging ‘bindend’ ten opzichte van ‘niet-bindende’ inlichtingen verloren gaat. Ik zie dat anders. Ik meen namelijk dat afhankelijk van de uiting die volgt op een verzoek tot inlichtingen betreffende de toepassing van de douanewaardebepalingen op grond van artikel 14 DWU, de marktdeelnemer een geslaagd beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel. Dit is bijvoorbeeld het geval indien de marktdeelnemer een specifieke, onvoorwaardelijke en wettige toezegging wordt gedaan door de douaneautoriteiten waarop de marktdeelnemer zijn verwachtingen heeft afgestemd.11 De vorm waarin de uiting wordt gedaan doet mijns inziens niet ter zake,12 al heeft dit eventueel betekenis voor het slagen van de bewijslast die de marktdeelnemer toekomt.