De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/8.3.1.4:8.3.1.4 Heffing van erfbelasting van overige doelvermogens
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/8.3.1.4
8.3.1.4 Heffing van erfbelasting van overige doelvermogens
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232267:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor zijn de afzonderlijk in de wet geregelde erfbelastingregimes voor stichtingen de revue gepasseerd. Niettemin bestaat nog een vierde, niet afzonderlijk in de wet geregeld, regime dat op de bij dode opgerichte stichting van toepassing kan zijn.1
Het is mogelijk dat de bij dode opgerichte stichting anders dan als ANBI, (steunstichting) SSBI of APV in de heffing wordt betrokken. Dit is bijvoorbeeld het geval als de stichting tot doel heeft het verlenen van studiebeurzen aan familieleden van de erflater die verder dan de vierde graad aan hem verwant zijn. Van een APV is dan geen sprake omdat de APV-regeling beperkt is tot bloed- en aanverwanten in de derde graad (zie artikel 2.14 lid 3 letter b Wet IB 2001). Een ander voorbeeld is de stichting die wel voldoet aan de voorwaarden van de ANBI maar geen verzoek doet tot rangschikking als zodanig.
Samengevat is sprake van een stichting als overig doelvermogen als deze stichting materieel of formeel niet voldoet aan de eisen gesteld aan een ANBI, (steunstichting) SSBI of APV. In dat geval wordt de bij leven of bij dode opgerichte stichting in de heffing van erfbelasting betrokken als iedere andere verkrijger (artikel 1 lid 1 onder 1˚ Sw 1956). De ontkenning van het bestaan van een niet specifiek in de wet geregeld regime voor stichtingen zoals door Roerink, berust op een denkfout.2 Bespreking van de heffing over de verkrijging als overig doelvermogen past niet binnen de onderzoeksvraag als geformuleerd in hoofdstuk 1.