Einde inhoudsopgave
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/6.2.5
6.2.5 Ontwerp Wet natuurbescherming
Mr. J.H.G. van den Broek, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
Mr. J.H.G. van den Broek
- JCDI
JCDI:ADS357412:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
Milieurecht (V)
Omgevingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 1.1 ontwerp Wnb.
Art. 1.5 ontwerp Wnb.
Art. 1.8 ontwerp Wnb: een ieder neemt voldoende zorg in acht voor in het wild levende dieren en planten en voor Natura-2000-gebieden.
Art. 1.9 ontwerp Wnb. In een dergelijke regeling zal in ieder geval de huidige programmatische aanpak van de stikstofproblematiek zijn plaats krijgen, aldus de concept-MvT, p. 60.
Art. 2.2 ontwerp Wnb.
Art. 2.2 ontwerp Wnb.
Art. 2.3 ontwerp Wnb.
Art. 2.7 ontwerp Wnb.
Art. 2.9 ontwerp Wnb.
Met inbegrip van redenen van sociale of economische aard (art. 2.8 lid 4 onder b ontwerp Wnb).
Art. 2.8 ontwerp Wnb.
Art. 1.1 lid 1 ontwerp Wnb jo. art. 1 lid 1 Vogelrichtlijn.
Par. 3.1 ontwerp Wnb: Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn.
Par. 3.3 ontwerp Wnb: Beschermingsregime overige soorten.
Art. 3.1 ontwerp Wnb.
Dit verbod is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (art. 3.1 lid 5 ontwerp Wnb).
Art. 3.3 ontwerp Wnb.
Art. 3.4 ontwerp Wnb.
Het gaat om soorten, opgenomen in bijlage IV onderdeel a Habitatrichtlijn (art. 3.5 lid 1 ontwerp Wnb).
Art. 3.5 lid 1-4 ontwerp Wnb.
Het gaat om soorten, opgenomen in bijlage IV onderdeel b Habitatrichtlijn (art. 3.5 lid 5 ontwerp Wnb).
Art. 3.5 lid 5 ontwerp Wnb.
Het gaat om soorten, opgenomen in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn (art. 3.6 ontwerp Wnb).
Art. 3.6 ontwerp Wnb.
Art. 3.8 ontwerp Wnb.
Art. 3.9 ontwerp Wnb.
Art. 3.10 ontwerp Wnb. Verdrag van Bern: op 19 september 1979 te Bern tot stand gekomen Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijke leefmilieus (Trb. 1980, 60). Verdrag van Bonn: op 23 juni 1979 te Bonn tot stand gekomen Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten (Trb. 1980, 145) (zie definities in art. 1.1 lid 1 ontwerp Wnb).
Art. 3.11 ontwerp Wnb.
Par. 3.4 ontwerp Wnb.
Par. 3.5 ontwerp Wnb.
Par. 3.6 ontwerp Wnb.
Par. 3.7. Het gaat bijvoorbeeld om de bepaling dat ieder die een in het wild levend dier dood of vangt moet voorkomen dat het dier onnodig lijdt (art. 3.29 ontwerp Wnb) en het verbod om door middel van bijvoeren de stand van dieren van bejaagbare soorten te bevorderen (art. 3.30 ontwerp Wnb).
Par. 3.8 ontwerp Wnb.
Zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die: a. een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of b. bestaat uit een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen (art. 1.1 lid 1 ontwerp Wnb). Het gaat in beginsel om houtopstanden buiten de bebouwde kom (art. 4.1 onder a ontwerp Wnb).
Vellen dat uitsluitend geschiedt ter verzorging of ontwikkeling van de overblijvende houtopstand (art. 1.1 lid 1 ontwerp Wnb).
Art. 4.2 ontwerp Wnb.
Art. 4.3 ontwerp Wnb.
Par. 4.2 ontwerp Wnb.
Met uitzondering van een besluit als bedoeld in artikel 7.5 ontwerp Wnb (art. 8.1 lid 1 ontwerp Wnb).
Art. 10.7 onder B ontwerp Wnb.
Het ontwerp Wet natuurbescherming bevat 11 hoofdstukken die in overzicht 6.4 zijn genoemd.
1 Algemene bepalingen
5 Vergunningen, ontheffingen en verplichtingen
9 Overgangsrecht
2 Gebieden
6 Financiële bepalingen
10 Wijziging
andere wetten
3 Soorten
7 Handhaving
11 Slotbepalingen
4 Houtopstanden
8 Overig
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen bevat onder meer begrippen1 en de regels over de vaststelling van de natuurvisie2 waarin de hoofdlijnen moeten worden opgenomen van het te voeren rijksbeleid met het oog op het behoud en duurzaam beheer van de biologische diversiteit, in samenhang met het economisch beleid van het Rijk. In het kader van algemene beschermingsmaatregelen geldt een zorgplicht3 en kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat een verbeteringsprogramma wordt vastgesteld.4
Hoofdstuk 2 Gebieden geeft de minister van ELenl de bevoegdheid om Natura 2000-gebieden aan te wijzen als speciale beschermingszones ter uitvoering van artikel 3 lid 2 onderdeel a Vogelrichtlijn en artikel 4 lid 4 Habitatrichtlijn. Daarbij worden de instandhoudingsdoelstellingen aangewezen ten aanzien van de leefgebieden voor vogelsoorten of de natuurlijke habitats en habitats voor soorten.5 Gedeputeerde Staten moeten ervoor zorgen dat instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen worden getroffen die nodig zijn voor de Natura 2000-gebieden.6 Ook moeten zij voor elk Natura 2000-gebied een beheerplan vaststellen.7 Het is verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Het verbod geldt niet als het gaat om een activiteit die kan worden aangemerkt als een project waarvoor een omgevingsvergunning op grond van de Wabo is vereist.8 Het verbod geldt niet als het gaat om een project dat is beschreven in en wordt gerealiseerd overeenkomstig een beheerplan.9 Voor een plan of project moet een passende beoordeling worden gemaakt van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Het plan mag uitsluitend worden vastgesteld en voor het project mag uitsluitend een vergunning worden verleend als uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan of het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Is de vereiste zekerheid niet verkregen, dan kan het plan toch worden vastgesteld of de vergunning worden verleend als er geen alternatieve oplossingen zijn, het plan of project nodig is om dwingende redenen van groot openbaar belang10 en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. In geval het plan of project significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied kan het plan worden vastgesteld of de vergunning worden verleend als de realisatie van het plan of project nodig is vanwege argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of andere dwingende redenen van openbaar belang na advies van de Europese Commissie.11
Hoofdstuk 3 Soorten kent een beschermingsregime voor vogels als bedoeld in de Vogelrichtlijn12, 13 een beschermingsregime voor andere dieren en planten als bedoeld in de Habitatrichtlijn14 en een beschermingsregime voor andere soorten.15 Ten aanzien van vogels geldt16 onder meer dat het is verboden om opzettelijk vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen, eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben of vogels opzettelijk te storen.17 Ontheffing of vrijstelling is in bepaalde gevallen mogelijk.18 Als het vangen of doden van vogels is toegestaan, stelt de wet regels over de middelen.19 Het is verboden om in het wild levende dieren20in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk te verstoren, hun eieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen, en hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen.21 Het is verboden planten22in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.23 Voorts is het verboden aan de natuur onttrokken dieren of planten24onder zich te hebben, te vervoeren, te verhandelen, te ruilen of te koop of te ruil aan te bieden.25 Ontheffing of vrijstelling is in bepaalde gevallen mogelijk.26 Als het vangen of doden van vogels is toegestaan, stelt de wet regels over de middelen.27 Een aantal van de genoemde bepalingen geldt ook ten aanzien van soorten die zijn aangewezen bij het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn.28 Ten aanzien van de andere soorten geldt een verbod om in het wild levende zoogdieren, amfibieën of reptielen opzettelijk te doden. Op dit verbod bestaat een aantal uitzonderingen, onder meer voor de huismuis, verwilderde dieren en exoten.29 Hoofdstuk 3 bevat voorts regels inzake schadebestrijding en faunabeheer,30 jacht,31 toegestane middelen voor het vangen en doden van vogels en zoogdieren,32 overige bepalingen ten aanzien van in het wild levende dieren en planten33 en handel in en bezit van planten en dieren.34
Hoofdstuk 4 Houtopstanden bepaalt dat het uitsluitend is toegestaan een houtopstand35 geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van dunnen,36 na voorafgaande melding daartoe bij Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten kunnen het vellen van houtopstanden telkens voor maximaal vijf jaar verbieden ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.37 De rechthebbende van de grond waarop de velling plaatsvindt, moet de houtopstand binnen drie jaren na het vellen herbeplanten op bosbouwkundig verantwoorde wijze op dezelfde grond als waarop de velling heeft plaatsgevonden.38 Hoofdstuk 4 bevat voorts bepalingen inzake invoer en op de markt brengen van hout en houtproducten.39
Hoofdstuk 5 Vergunningen, ontheffingen en verplichtingen kent een aantal procedurele bepalingen, zoals de beslistermijn op de aanvraag om een vergunning of ontheffing, en de gronden voor intrekking van een jachtakte.
Hoofdstuk 6 Financiële bepalingen heeft betrekking op schadeloosstelling en leges.
Hoofdstuk 7 Handhaving bevat regels inzake toezicht op de naleving, last onder dwangsom, last onder bestuursdwang, bijzondere sancties, bestuurlijke boete en uitwisseling van gegevens tussen toezichthouders.
Hoofdstuk 8 Overig bevat een aantal procedurele bepalingen zoals de bepaling dat een belanghebbende beroep kan instellen tegen een op grond van de Wet natuurbescherming genomen besluit.40
Hoofdstuk 9 Overgangsrecht bevat overgangsrecht.
Hoofdstuk 10 Wijziging andere wetten voegt onder meer de natuurbeschermingsvergunning toe aan de omgevingsvergunning door een wijziging van de Wabo.41
Hoofdstuk 11 Slotbepalingen bevat onder meer de intrekking van de Boswet, de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998.