Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/6.2.4
6.2.4 (Verhouding tot) beschermingsgedachten in andere procedures
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS466786:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Timmerman 2003, p. 1633: ‘Zo schijnt het mij toe dat het door het bestuur onjuist informeren van aandeelhouders bij een beursvennootschap eerder een ernstiger fout is dan in een besloten vennootschap. Bij een beursvennootschap kan immers het niet adequaat informeren van aandeelhouders allerlei nadelige gevolgen hebben voor het functioneren van de aandelenmarkt. Op dit punt kan een minder terughoudende toetsing gerechtvaardigd zijn. Dit geldt te meer, wanneer het bestuur een in de wet geregelde informatieverplichting heeft geschonden.’
Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 9 (Nota naar aanleiding van het eindverslag). Zie voor een uitgebreider overzicht van de beweegredenen voor aanpassing van art. 2: 138(248) BW: Huizink (Rechtspersonen), art. 2: 138, aant. 1 (Wetsgeschiedenis).
Zie in instemmende zin: Van der Heijden/Van der Grinten 1992, nr. 399.1 (p. 682); Asser-Maeijer 2-III 2000, nr. 329 (p. 453); Borrius 2003, p. 91.
HR 8 juni 2001, NJ 2001, 454, r.o. 3.7 (Panmo Produktie). Vergelijk de minister, t.a.p.: ‘Bij de interpretatie van kennelijk onbehoorlijk moet niet alleen gelet worden op wat iedereen in het maatschappelijk verkeer zou vinden – gedrag waarvan de onbehoorlijkheid bij wijze van spreken in ieders oog springt –, maar ook op wat verstandige ondernemers in dezelfde of aanverwante branche van bedrijvigheid als onbehoorlijk zouden beschouwen. Uiteraard is uiteindelijk het oordeel van de rechter beslissend.’
HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360, r.o. 3.3.1 (Staleman/Van de Ven, m.nt. Maeijer). Hieraan dient nog te worden toegevoegd dat indien de vennootschap haar vordering jegens een bestuurder baseert op art. 6: 162 BW, hem eenzelfde mate van bescherming wordt geboden, aldus HR 2 maart 2007, JOR 2007, 137, r.o. 3.4.4 (Holding Nutsbedrijf Westland, m.nt. Olden): art. 2: 9 BW, dat een beperking van de aansprakelijkheid impliceert, kan en moet alsdan evenzeer toepassing vinden. Dit betekent, zo volgt uit r.o. 3.4.5, dat de vraag moet worden beantwoord (a) of het gedrag van de bestuurder een onrechtmatige daad oplevert en zo ja, (b) wat ter bepaling van de aansprakelijkheid van de bestuurder de in art. 2: 9 BW neergelegde maatstaf meebrengt.
Van der Heijden/Van der Grinten 1992, nr. 257. Zie voorts: Asser-Maeijer 2-III 2000, nr. 321 (p. 435); Timmerman 2003, p. 1636; Kroeze 2006, p. 10-11; Van Schilfgaarde/Winter 2009, nr. 47.
MvT bij het Wetsvoorstel tot wijziging van Boek 2 BW in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in NV’s en BV’s, p. 10-11: ‘Ten slotte: ondernemen is en blijft risico lopen. Van bestuurders kan niet worden verwacht dat zij uitsluitend handelen in die situaties waarin de te nemen stap al op alle mogelijke manieren is onderzocht, doorgerekend, van accountantsverklaringen voorzien en in schema’s gevat. Er moet ruimte blijven voor creativiteit, vernuft en durf. De samenleving is niet gediend met regelgeving die ondernemers stimuleert om telkens de voorkeur te geven aan risicomijdende beslissingen met weinig economisch voordeel. Een andere opstelling zou ook haaks staan op het streven van dit kabinet naar een vitale en innovatieve economie waarin bijvoorbeeld de overstap van werknemerschap naar zelfstandig ondernemerschap wordt gestimuleerd. Een grens wordt echter bereikt wanneer onverantwoordelijke risico’s worden genomen; dan bestaat aansprakelijkheidsrisico voor bestuurders.’
Zie wat betreft de persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders jegens schuldeisers van de vennootschap HR 8 december 2006, NJ 2006, 659, r.o. 3.5 (Ontvanger/Roelofsen), en wat betreft de persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders jegens aandeelhouders HR 20 juni 2008, JOR 2008, 260, r.o. 5.3 (Willemsen c.s./NOM Investerings- en Ontwikkelingsmaatschappij, m.nt. Borrius).
De Witt Wijnen 1997, p. 103. Vergelijk ook Rb. Rotterdam 12 december 1996, JOR 1997, 50, r.o. 5.5 (Verto, m.nt. Van Solinge).
Zie in deze zin ook Geerts 2004, p. 230. Geerts meent dat in de procedure ex art. 2: 354 BW hetzelfde criterium dient te gelden als bij art. 2: 9 BW en dat de vennootschap de onderzoekskosten alleen kan verhalen indien vast komt te staan dat de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Slagter 2003, p. 466-467.
Asser-Maeijer 2-III 2000, nr. 329 (p. 453); Maeijer in zijn noot in NJ 2003, 538 (onder HR 4 april 2003 (Skipper Club Charter)); Borrius 2003, p. 102 (conclusie); de noot van Borrius in JOR 2003, 134 (onder HR 4 april 2003 (Skipper Club Charter)). Zie over de verhouding tussen de verschillende criteria ook De Valk 2009, p. 221 e.v.; Huizink 2009b, p. 100-113.
OK 22 maart 2005, ARO 2005, 67, r.o. 3.15 (Van Doorn Corporate Development Group).
HR 18 april 2003, NJ 2003, 286, r.o. 3.26 (RNA, m.nt. Maeijer). Verzoekers tot cassatie hebben onder andere gesteld dat de OK blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans haar oordeel niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed, omdat alleen strijd met elementaire beginselen van behoorlijk ondernemerschap kan worden aangenomen als sprake is van beleidsfouten die voldoende ernstig zijn om de kwalificatie wanbeleid te rechtvaardigen.
Hof’s-Gravenhage 6 april 1999, JOR 1999, 142, r.o. 13 (Verto, m.nt. Van Solinge).
Vergelijk ook Hof’s-Gravenhage 8 juni 1999, r.o. 3.1 (Panmo Produktie), te kennen uit NJ 2001, 454: kennelijk onbehoorlijk bestuur impliceert dat aan bestuurders een ernstig verwijt kan worden gemaakt van onverantwoordelijk handelen met de wetenschap – objectief te bepalen – dat schuldeisers daarvan de dupe zouden worden.
Hof Leeuwarden 2 mei 2001, r.o. 9 (Skipper Club Charter), te kennen uit NJ 2003, 538.
188. De in het enquêterecht doorklinkende gedachte dat bestuurders (en commissarissen) binnen een zekere bandbreedte fouten mogen maken zonder dat dit leidt tot de kwalificatie wanbeleid of onjuist beleid, staat niet op zichzelf. Ook in diverse aansprakelijkheidsprocedures is de opvatting heersend dat bestuurders (en commissarissen) tot op zekere hoogte moeten worden beschermd (thans tegen persoonlijke aansprakelijkheid). Illustratief is in de eerste plaats de redengeving van de minister wat betreft de toevoeging van het woord ‘kennelijk’ in art. 2: 138(248) lid 1 BW1 – ‘[d]e toevoeging dient om de beduchtheid weg te nemen, die terecht door leden van verscheidene fracties werd gevoeld, dat een ondernemer te snel in de aansprakelijkheidszone zou kunnen belanden. Dat zou onredelijk zijn gezien het feit dat ondernemen nu eenmaal uit de aard van de zaak een riskante bezigheid is en dat een ondernemer vaak snel moet beslissen in situaties die hij op dat moment wellicht nog niet voldoende grondig heeft kunnen onderzoeken’2 – en het in navolging hiervan door de Hoge Raad in het arrest Panmo gegeven oordeel dat van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2: 138(248) lid 1 BW slechts kan worden gesproken ‘als geen redelijk denkend bestuurder – onder dezelfde omstandigheden – aldus zou hebben gehandeld.’3 Ik wijs voorts op het arrest Staleman/Van de Ven, waarin de Hoge Raad wat betreft de maatstaf die moet worden gehanteerd bij de beantwoording van de vraag of een bestuurder Zozeer in een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak is tekortgeschoten dat hij krachtens art. 2: 9 BW tegenover de vennootschap aansprakelijk is, heeft uitgemaakt dat beslissend is of hem, alle omstandigheden in acht genomen, een ernstig verwijt kan worden gemaakt.4 Deze beslissing stemt overeen met de gedachte van Van der Grinten, die al in 1992 heeft opgemerkt dat ‘de aanrekening moet berusten op een ernstig verwijt dat aan de bestuurder kan worden gemaakt. Geen bestuurder zal feilloos handelen. De vennootschap draagt het risico dat de bestuurder wel eens te kort schiet, dat hij vermijdbare fouten maakt.’5 Ook anno 2008 is deze beschermingsgedachte actueel, getuige de toelichting van de minister op het Wetsvoorstel bestuur en toezicht in NV’s en BV’s.6 Ik merk ten slotte op dat het ernstige verwijtbaarheidscriterium en de beschermingsgedachte die hierin opgesloten ligt, blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad eveneens leidend is in procedures waarin bestuurders persoonlijk worden aangesproken door aandeelhouders of schuldeisers van de vennootschap.7 Tekenend is de motivering door ons hoogste rechtscollege in het arrest Willemsen c.s./NOM Investerings- en Ontwikkelingsmaatschappij: ‘Door een hoge drempel te aanvaarden voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover de door hem bestuurde vennootschap wordt mede het belang van die vennootschap en de daarmee verbonden onderneming gediend omdat daardoor wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. Gezien de zelfgekozen betrokkenheid van individuele aandeelhouders bij de gang van zaken binnen de vennootschap, brengen de in art. 2: 8 lid 1 BW bedoelde maatstaven van redelijkheid en billijkheid mee dat de hoge drempel van art. 2: 9 BW overeenkomstig van toepassing is bij een door een individuele aandeelhouder tegen een bestuurder aanhangig gemaakte aansprakelijkheidsprocedure.’
In de vorige paragraaf is opgemerkt dat niet duidelijk is hoe de begrippen wanbeleid en onjuist beleid zich tot elkaar verhouden. Onduidelijk is eveneens hoe de beide enquêterechtelijke begrippen zich verhouden tot de criteria uit Panmo en Staleman/Van de Ven alsmede of de bestuurders en commissarissen in de procedure op de voet van art. 2: 138(248) lid 1 BW eenzelfde mate van bescherming wordt geboden als in de procedure op de voet van art. 2: 9 BW. Is bijvoorbeeld, zo heeft De Witt Wijnen zich afgevraagd, ‘strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap’ (art. 2: 355 BW) niet (wezenlijk) identiek aan (kennelijk) onbehoorlijk bestuur (art. 2: 138(248) BW)?8 Een antwoord op deze vraag wordt gegeven door Slagter. Hij betoogt, nadat hij heeft geconstateerd dat eerder tot onjuist beleid kan worden geconcludeerd dan tot wanbeleid, dat de term onjuist beleid dezelfde inhoud heeft als het onbehoorlijk bestuur uit art. 2: 9 BW9, terwijl wanbeleid op één lijn staat met kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2: 138(248) BW.10 Deze opvatting wordt echter niet gedeeld door Maeijer en Borrius. Zij menen dat in de procedures op de voet van art. 2: 9 BW en art. 2: 138(248) BW, niettegen staande het verschillende begrippenapparaat, een en dezelfde (objectiverende) norm geldt waaraan het bestuurlijk handelen moet worden getoetst.11
De jurisprudentie biedt ten aanzien van de verhouding van de verschillende criteria (eveneens) weinig houvast. Enerzijds lijkt uit een aantal uitspraken in onderling verband beschouwd te kunnen worden afgeleid dat in alle procedures een en dezelfde norm geldt en dat de bandbreedtes waarbinnen bestuurders en commissarissen fouten mogen maken, dientengevolge dezelfde zijn. Ik geef een paar voorbeelden. De Ondernemingskamer overweegt in de beschikking inzake Van Doorn Corporate Development Group dat voor toewijzing van het verzoek tot kostenverhaal ‘minst genomen noodzakelijk is dat sprake is van wanbeleid’ (en dat de betrokken bestuurder of commissaris daarvoor verantwoordelijk is te achten)12, terwijl de Hoge Raad in de beschikking inzake RNA concludeert dat het oordeel van de Ondernemingskamer ‘dat de door haar afgekeurde handelwijze van RNA ernstig verwijtbaar is en daarom de kwalificatie wanbeleid verdient’ geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting13. Ik wijs voorts op de overweging van het Hof’s-Gravenhage in de procedure inzake Verto dat van een ernstig verwijt in de zin van art. 2: 9 BW sprake is indien het gaat ‘om een ernstige tekortkoming, een situatie waarin geen redelijk oordelend en handelend bestuurder/commissaris aldus zou hebben gehandeld’14, nu deze overweging een maatman-bestuurder in zich bergt die erg lijkt op die uit het arrest Panmo van de Hoge Raad.15 Anderzijds dient te worden opgemerkt dat het Hof Leeuwarden in de procedure inzake Skipper Club Charter een maatman-bestuurder presenteert die eveneens associaties oproept met die uit Panmo – ‘[e]en op art. 2: 9 BW gegronde aansprakelijkheid als door Skipper gesteld kan slechts worden aangenomen in het geval de betrokken bestuurder als zodanig (en derhalve niet als aandeelhouder) zo onmiskenbaar en duidelijk in de vervulling van zijn taken is tekortgekomen dat daarover geen redelijk oordelend ondernemer zou kunnen twijfelen’16 – en dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het Hof aldus een te strenge maatstaf heeft aangelegd voor aansprakelijkheid op grond van art. 2: 9 BW. Uit zijn motivering wordt overigens niet duidelijk waarom dit het geval is: ‘Voor deze aansprakelijkheid is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of van een ernstig verwijt sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval (...). De bewoordingen van de hiervoor (...) weergegeven rov. 9 van het Hof lijken erop te wijzen dat het Hof aldus een te strenge maatstaf heeft aangelegd. Geheel duidelijk is dit evenwel niet, nu het Hof met zijn rov. 10 tegen de achtergrond van het debat in feitelijke instanties (...) onvoldoende inzicht heeft gegeven in de gedachtegang die heeft geleid tot de verwerping van de stelling van SCC dat [verweerder] zich heeft schuldig gemaakt aan onbehoorlijk bestuur. Ook uit rov. 10 valt niet af te leiden welke maatstaf het Hof precies heeft gehanteerd.’17