Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/6.2.3
6.2.3 Beschermingsgedachte in het enquêterecht
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS465590:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk ook de in tekstnummer 183 weergegeven overweging dat [N] ook in belangrijke mate rechtstreeks heeft bijgedragen aan de omschreven bestuursstructuur en -cultuur en verdere omstandigheden.
Paragraaf 3.3.5.1. A-G Mok heeft in zijn conclusie (overweging 7) bij HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466 (OGEM Holding) enkele overwegingen weergegeven van Minister Polak aangaande het begrip wanbeleid.
Vergelijk hierover Asser-Maeijer 2-III 2000, nr. 534: ‘Uit in de rechtspraak gebezigde formuleringen (strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap; het onzorgvuldig of laakbaar handelen moet een zo ernstig karakter hebben dat etc.) blijkt dat de OK marginaal toetst of er wanbeleid is. Dit wil zeggen dat de OK alleen beoordeelt of de ondernemer in de gegeven omstandigheden in redelijkheid tot zijn beleid heeft kunnen komen, en daarbij niet een te erkennen marge aan beleidsvrijheid heeft overschreden.’
Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXa – 59 (MvA Algemeen (onder ‘Verspreide opmerkingen’)).
Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXa – Art. 53e – 1-2 (MvA II).
Vergelijk Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXa – 16 (MvT Algemeen).
Vergelijk Maeijer in zijn noot (onder 5) in NJ 1994, 273 (onder HR 8 december 1993 (Van den Berg II)). Maeijer merkt op naar aanleiding van de overweging van de HR dat de enquêteregeling er niet toe strekt ‘om door de rechter te doen vaststellen aan wiens schuld dat wanbeleid is te wijten’ (aldus HR 17 mei 1989, NJ 1993, 206, r.o. 3.7 (Van den Berg I, m.nt. Maeijer)): ‘Schuld moet hier m.i. niet worden opgevat als subjectieve verwijtbaarheid, maar als verkeerde gedraging.’
Assink 2007, p. 404-473.
Assink 2007, p. 454.
Assink 2007, p. 454. Veelzeggend is ook zijn bevinding (Assink 2007, p. 438) dat wat betreft de formule ‘elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap’ sprake is van een wildgroei aan toetsingscriteria.
Assink 2007, p. 658.
Zie bijvoorbeeld: OK 19 juni 1997, JOR 1997, 83, r.o. 4.7 jo. 4.25 en 5 (Bobel, m.nt. Van den Ingh); OK 28 juni 2001, JOR 2001, 148, r.o. 3.18 jo. 3.20 (De Vries Robbé Groep, m.nt. Van den Ingh). Zie hierover ook: Van Solinge 1998, p. 53; Josephus Jitta in zijn noot (onder 9) in JOR 1999, 145 (onder HR 19 mei 1999 (Bobel)); Asser-Maeijer 2-III 2000, nr. 529.
Assink 2007, p. 473.
187. Ik heb in hoofdstuk 3 reeds kort stilgestaan bij de beslissing van de Hoge Raad in de beschikking van 10 januari 1990 inzake OGEM Holding dat uit de ontstaansgeschiedenis van art. 2: 355 BW volgt ‘dat niet iedere beleidsfout als wanbeleid kan worden aangemerkt, maar dat de fout van voldoende ernst moet zijn om deze kwalificatie te rechtvaardigen.’ (rechtsoverweging 7.2).1 Uit deze overweging kan worden afgeleid dat de (leden van de) organen een zekere marge wordt geboden waarbinnen zij ‘straffeloos’ fouten mogen maken, dat wil zeggen zonder dat dit tot de kwalificatie wanbeleid leidt. De reactie van ons hoogste rechtscollege in rechtsoverweging 7.3 vormt hiervan de bevestiging. Hij constateert dat de Ondernemingskamer eerst heeft onderzocht of OGEM Holding ten aanzien van een aantal concrete onderwerpen onzorgvuldig dan wel laakbaar heeft gehandeld en dat zij vervolgens, indien zij deze vraag bevestigend beantwoordde, heeft onderzocht of dit handelen van een zo ernstig karakter is dat moet worden geoordeeld dat OGEM Holding te dier zake heeft gehandeld in strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap.2 Deze handelwijze geeft, zo concludeert de Hoge Raad, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip wanbeleid.
Uit hetgeen ik in paragraaf 6.2.2.2 heb geconcludeerd, kan worden opgemaakt dat de Ondernemingskamer bestuurders en commissarissen ook tot op zekere hoogte beschermt tegen aansprakelijkheid ter zake van de onderzoekskosten. Deze handelwijze stemt eveneens overeen met de ideeën uit de ontstaansgeschiedenis. De minister overweegt: ‘De toewijzing wordt door de regels van billijkheid beheerst; vandaar het woord “kan” en de mogelijkheid van een slechts gedeeltelijk verhaal. De rechter moet hier naar omstandigheden beslissen, waarbij hij alle omstandigheden, zoals de mate van schuld en de omvang van de kosten tegen elkaar moet afwegen.’ 3Hij voegt hier op een later moment aan toe: ‘Zoals reeds ter beantwoording van het laatste onderdeel van het algemene gedeelte van het verslag (Verspreide opmerkingen) is aangegeven, moet de rechter bij het kostenverhaal naar billijkheid beslissen; het is derhalve zijn taak om uit te maken of een beleidsfout ernstig genoeg is om grond tot (geheel of gedeeltelijk) verhaal te geven.’4 Een en ander roept wel de vraag welke de bandbreedte is waarbinnen een bestuurder of commissaris fouten mag maken zonder aansprakelijk te zijn ter zake van de onderzoekskosten. De minister heeft zich hierover niet uitgelaten, behalve dat hij van mening lijkt te zijn dat handelen eerder als onjuist beleid dan als wanbeleid kan worden gekwalificeerd.5
De Ondernemingskamer dient onder meer rekening te houden met de mate van schuld. Hoe dient deze vingerwijzing te worden begrepen? Uit de in het tweede citaat vervatte toelichting – het is de taak van de Ondernemingskamer om te bepalen of de gemaakte beleidsfout ernstig genoeg is – lijkt te kunnen worden afgeleid dat de minister niet zozeer het oog heeft op (een vorm van gekwalificeerde) faalschuld, maar op oorzaakschuld (de bestuurder of commissaris is (mede) veroorzaker van de problemen).6
De Ondernemingskamer is de vrijheid gegeven beleid te ontwikkelen ten aanzien van de begrippen wanbeleid en onjuist beleid. Dat het niet eenvoudig is wat betreft de invulling van deze begrippen – en daarmee wat betreft de marges die bestuurders en commissarissen wordt gelaten – heldere lijnen uit de jurisprudentie te distilleren, blijkt uit de dissertatie van Assink.7 Een uitgebreide analyse van uitspraken waarin de Ondernemingskamer tot wanbeleid heeft geconcludeerd, brengt hem uiteindelijk weinig verder dan de conclusie dat de bestuurlijke beleidsvrijheid niet onbegrensd is en de kwalificatie wanbeleid (zeer) ernstig tekortschietend beleid vereist. 8Voor het overige kan, zo blijkt uit zijn onderzoek, uit de jurisprudentie niet echt een duidelijke lijn worden ontwaard. Ook het gebruik van de formule ‘strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap’ biedt weinig houvast: welbeschouwd gaat het ‘goeddeels om een lappendeken aan enquêterechtelijke casuïstiek waarin de echte onderlinge samenhang ontbreekt’.9 De analyse van de beschikkingen waarin verzoeken tot kostenverhaal zijn toe- of afgewezen, voert Assink tot een soortgelijke conclusie: de contouren van het begrip onjuist beleid zijn welbeschouwd ‘nog mistiger’ dan de contouren van de ‘elementaire beginselen’-formule.10 De onduidelijkheid op dit punt wordt versterkt door de omstandigheid dat de Ondernemingskamer de begrippen onjuist beleid en wanbeleid de ene keer uitwisselt11 en de ander keer niet: ‘Het is kennelijk maar net hoe het haar uitkomt.’12 Timmerman benadrukt dat ter beantwoording van de vraag of de door ondernemers gemaakte fouten dusdanig ernstig zijn, dat van wanbeleid kan worden gesproken, onder meer acht dient te worden geslagen op de aard van de betrokken rechtspersoon13, alsook op de aard van de gemaakte fout: ‘Het lijkt mij verdedigbaar dat een rechtspersoon minder beleidsvrijheid heeft, wanneer het gaat om de procedures met behulp waarvan een besluit genomen dient te worden dan wanneer de inhoud zelf van een besluit wordt aangevallen. Van een ondernemer mag men immers minimaal verwachten dat hij correcte en zorgvuldige procedures volgt. Er is geen vrijheid voor de ondernemer om een onzorgvuldig voorbereide beslissing te nemen.’ Timmerman acht het voorts goed te verdedigen ‘dat de rechter ondernemingsbeleid strenger beoordeelt, wanneer een vennootschap zich in financiële moeilijkheden bevindt dan in geval deze in blakende, financiële gezondheid verkeert. Bij een vennootschap in financiële problemen mag een grotere diligentie van bestuur en raad van commissarissen worden verwacht.’ Zijn opmerkingen lijken welhaast te zijn toegesneden op de in paragraaf 6.2.1 behandelde uitspraken.