Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/10.3.1
10.3.1 Inleiding
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS621656:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
M.J.A. van Mourik, Onderneming en erfrecht (oratie Leiden), Zwolle: BV Uitgeversmaatschappij W.E.J. Tjeenk Willink 1975.
Zie over deze en andere erfrechtelijke (bedrijfsopvolgings)faciliteiten onder meer T.J. Mellema-Kranenburg, Bedrijfsopvolging en Boek 4 NBW, Quod Licet (Kleijn-bundel), Deventer: Kluwer 1992, p. 229 e.v.; M.J.A. van Mourik, De onderneming en het nieuwe versterferfrecht, Vorm & Norm (Moltmaker-bundel), Deventer: Kluwer 1998, p. 153 e.v.; W Burgerhart, Bedrijfsopvolging en Boek 4 NBW, WPNR 6355 (1999); T.J. Mellema-Kranenburg, Bedrijfsopvolging in het nieuwe erfrecht, FTV november 2000, nr. 11; W. Burgerhart, M.J. Hoogeveen, Bedrijfsopvolgingsplanning: stel niet uit tot morgen, wat u vandaag kunt doen, WPNR 6433 (2001); W. Burgerhart, Het ondernemerstestament, eerste hulp bij bedrijfsopvolging, FTV januari 2002, nr. 1; W Burgerhart, Bedrijfsopvolging Civielrechtelijke en fiscaalrechtelijke aspecten (preadvies KNB), Den Haag: Sdu Uitgevers 2005, p. 386 e.v.; W.J.J.G. Speetjens, De ‘som ineens’ als billijke vergoeding voor verrichte arbeid, FTV juni 2005, nr. 6; W. Burgerhart, Als de knecht niet krijgt wat hem toekomt, zorgt de wetgever daar wel voor! Het salaire différé, TAR, november 2005, nr. 11; W. Burgerhart, B.M.E.M. Schols, Andere agrarische testamenten, andere wettelijke rechten?, Nieuw Erfrecht 2006-01.
Voor de goede orde merk ik op dat de som ineens van art. 4:36 BW ook kan strekken tot een billijke vergoeding voor de in de huishouding van erflater verrichte arbeid.
In het tot 1 januari 2003 geldende Boek 4 BW ontbrak iedere aandacht voor de ondernemende erflater en – de erfrechtelijke overgang van – diens onderneming dan wel de daartoe behorende goederen en schulden.1 Het ondernemingsvermogen werd in het erfrecht niet anders behandeld dan bijvoorbeeld een postzegelverzameling of een bibliotheek, waarbij overigens de hiervoor in paragraaf 2 opgeworpen vraagstukken omtrent het ondernemingsbegrip ook destijds speelden. In het huidige Boek 4 BW zijn verschillende bepalingen te vinden waarin het beroep of bedrijf van erflater dan wel de daaraan dienstbaar – geweest – zijnde goederen en schulden, van de wetgever uitdrukkelijk een plaats toegewezen hebben gekregen, te weten art. 4:36, 4:38 en art. 4:74 BW.
Deze bepalingen hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat zij faciliteiten in het leven roepen.2 Zo kan de ‘thuiswerker’ op grond van art. 4:36 BW een som ineens als billijke vergoeding voor door hem in erflaters beroep of bedrijf verrichte, maar niet of onvoldoende gehonoreerde arbeid verlangen, en kan de bedrijfsopvolger op grond van art. 4:38 BW aan de kantonrechter verzoeken om de rechthebbende op het ondernemingsvermogen tot overdracht daarvan aan hem te verplichten tegen vergoeding van een ‘redelijke prijs’. Ten slotte biedt art. 4:74 BW de ondernemende erflater de mogelijkheid om later dan zes maanden na zijn overlijden, periodiek opeisbare geldlegaten ‘superieur’ te maken door daaraan in de desbetreffende uiterste wilsbeschikking de in dit artikel opgenomen beweegreden toe te voegen, en daarmee als het ware de opeisbaarheid van de legitieme portie uit te stellen.
Faciliteiten in het recht veronderstellen voorwaarden. Zonder voorwaarden kan immers niet van een faciliteit worden gesproken. Men kan de aan de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten gestelde voorwaarden ordenen, door een onderscheid te maken tussen de eisen die aan de erflater, aan de ‘onderneming’ en aan de opvolger worden gesteld. In het kader van deze proeve, en dus in dit hoofdstuk, beperk ik het onderzoek tot de aan de onderneming gestelde voorwaarden.
In de gemelde artikelen worden de bedoelde ‘objecteisen’ als volgt verwoord:
art. 4:36 BW: de – te vergoeden – arbeid dient te zijn verricht ‘in het door erflater uitgeoefende beroep of bedrijf;’3
art. 4:38 BW: het ‘overdrachtsrecht’ kan worden uitgeoefend met betrekking tot ‘goederen die dienstbaar waren aan een door erflater uitgeoefend beroep of bedrijf;’
art. 4:74 BW: zonder het in deze bepaling bedoelde geldlegaat zou de voortzetting van ‘een beroep of bedrijf van de erflater’ in ernstige mate worden bemoeilijkt.
Deze bepalingen vertonen, ondanks de centrale rol voor erflaters beroep of bedrijf, meer verschillen dan overeenkomsten. Wat het laatste betreft, in alle gevallen dient de erflater een beroep of bedrijf te hebben uitgeoefend. De aan dit beroep of bedrijf dienstbare goederen, het ondernemingsvermogen, is slechts in art. 4:38 BW onderwerp van de desbetreffende faciliteit. In art. 4:36 BW staat immers de som ineens ter billijke vergoeding centraal, terwijl art. 4:74 BW een voorziening voor het in beginsel inferieure geldlegaat biedt.
Voorts ziet art. 4:36 BW op het door erflater tijdens leven uitgeoefende beroep of bedrijf, terwijl art. 4:38 BW de daaraan dienstbare goederen betreft. Art. 4:74 BW ziet, als het om de objecteis gaat, op het beroep of bedrijf van erflater na diens overlijden, te weten op de voortzetting daarvan. Een ander verschil is dat in art. 4:36 BW bedoelde arbeid dient te zijn verricht in het beroep of bedrijf van erflater, terwijl art. 4:38 en art. 4:74 BW faciliteiten bieden in verband een beroep of bedrijf van erflater.
In de volgende paragraaf zal ik ingaan op de objecteisen in gemelde drie artikelen. Ik zal de terzake relevante parlementaire geschiedenis, literatuur en eventuele jurisprudentie inventariseren, en daarna – in paragraaf 3.3 – voorzien van enige kanttekeningen en conclusies. Op de ‘techniek’ van de bepalingen, en hun plaats in Boek 4 BW zal ik niet ingaan. Voor een algemene beschouwing over de onderneming, het beroep of bedrijf in het erfrecht, verwijs ik naar paragraaf 2.3 van dit hoofdstuk.