Verlofstelsels in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/8.6.c:8.6.c Werklast en fasering
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/8.6.c
8.6.c Werklast en fasering
Documentgegevens:
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS611951:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Snijders 1986, p. 515; Van Koppen 1990, p. 21.
Paragraaf 6.5a.
Van Woensel 2007, p. 13.
Vgl. Boksem in noot onder Conclusie P-G Fokkens 16 december 2014, ECLI:PHR:2304, NbStraf 2015/27; het aantal conclusies per jaar is meer dan gehalveerd sinds in 80a-gevallen van concluderen wordt afgezien. Van 2010 tot en met 2015 werden gemiddeld ruim 2200 conclusies genomen, in 2016 waren dit er slechts 963, zie Hoge Raad 2011 tot en met Hoge Raad 2017.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Snijders en Van Koppen wezen erop dat een verlofstelsel alleen voor verlichting van werklast zorgt als de rechter zeer streng is in het selecteren van beroepen, omdat de capaciteit die wordt gebruikt voor verloftoetsing ten koste gaat van de capaciteit die kan worden besteed aan de reguliere behandeling en beoordeling van beroepen.1
Het verlofstelsel in hoger beroep is illustratief voor dit bezwaar. In de gevallen waarin in hoger beroep wél verlof is verleend, is namelijk problematisch dat de verlofrechter in sommige zaken omwille van de eis van onpartijdigheid niet mag deelnemen aan het op toelating volgende onderzoek ter terechtzitting.2 Daar komt bij dat in het appointeringsproces niet altijd rekening wordt gehouden met de rol die de verlofrechter reeds in die zaak heeft gespeeld. Dat heeft tot gevolg dat in een deel van de doorgelaten verlofzaken niet één of drie, maar twee of vier raadsheren zich met de zaak bezighouden: eerst de verlofvoorzitter, vervolgens een enkel- of meervoudige kamer met andere raadsheren. Ten opzichte van hoger beroep zonder verlofstelsel vindt hierdoor juist werkverzwaring plaats.3 Zelfs als de verlofvoorzitter deelneemt aan het latere zittingsonderzoek, levert dat meer werk op dan wanneer deze rechter alleen aan de laatste beoordeling zou deelnemen. Dat geldt vooral indien de tweede beoordeling inhoudelijk afwijkt, bijvoorbeeld omdat ter zitting nieuwe feiten of verweren naar voren zijn gebracht of de tenlastelegging in hoger beroep is gewijzigd.
Omdat het verlofstelsel in hoger beroep dus is vormgegeven als een dwingend tweefasenproces – eerst verlofbeoordeling, dan eventueel ook reguliere behandeling – kan de totale werklast in hoger beroep toenemen. Pas als rigoureus verlof wordt geweigerd, wordt de aanvullende belasting in gevallen waarin wél verlof wordt verleend voldoende gecompenseerd. Meer algemeen geformuleerd zal een verlofstelsel waarin de verlofprocedure sterk is afgescheiden van de reguliere procedure de totale werklast juist kunnen verzwaren. De bewerkelijkheid per zaak van verlofweigering is weliswaar laag, maar na verlofverlening kan de bewerkelijkheid per zaak toenemen. Dit geldt nadrukkelijk ook voor verlofstelsels waarin de verlofbeoordeling primair is opgedragen aan de iudex a quo of een onafhankelijke commissie en tegen de beslissingen van deze organen weer beroep openstaat. In cassatie geldt dit nadeel wellicht ook indien het parket afziet van een conclusie of volstaat met zeer korte overwegingen.4