Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/4.3.7:4.3.7 Bewijsvoering
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/4.3.7
4.3.7 Bewijsvoering
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940232:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 4.3.4.1 en de noot van Schreuder-Vlasblom bij ABRvS 19 augustus 1999, AB 1999, 403.
Schuurmans 2005, p. 243-244, par. 4.3.3 en p. 24.
Zie paragraaf 4.3.4.1.
Schuurmans 2005, par. 6.2.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook voor de bewijsvoering zijn in de jurisprudentie richtlijnen afgeleid van het zorgvuldigheidsbeginsel van art. 3:2 Awb en van het bepaalde in art. 4:2 lid 2 Awb.1 De partij op wie de bewijslast rust, is als eerste aan zet. Doorgaans is dat het bestuursorgaan (bij ambtshalve besluiten), soms ook de belanghebbende (bij beschikkingen op aanvraag). Slaagt die partij in zijn bewijslast, dan is de wederpartij aan zet. De wederpartij kan vervolgens tegenbewijs leveren.2 Het bestuursorgaan heeft de plicht om de belanghebbende voor te lichten over zijn verplichtingen tot bewijsvoering en moet hem vervolgens ook voldoende gelegenheid tot daadwerkelijke bewijsvoering bieden.3
De Awb kent geen geschreven regels over het bewijsaanbod. Uit de jurisprudentie komt naar voren dat een bewijsaanbod ter zake dienend en voldoende gespecificeerd moet zijn en bovendien tijdig moet zijn gedaan. De rechter mag een bewijsaanbod voorts passeren wanneer hij verwacht dat het te leveren bewijs geen invloed zal hebben op zijn beslissing.4