Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/6.3.5
6.3.5 Vermoeden van overdracht bij filmwerken
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS479314:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Uitgezonderd zijn de componist van de filmmuziek en de dichter van de daarbij behorende tekst.
HR 28 maart 2014, NJ 2015/365, m.nt. P.B. Hugenholtz (Norma/NLKabel c.s.), r.o. 5.4.7. Zie daarover nader nr. 242.
Zie voor een overzicht Kabel 2014, p. 75. Zie ook Hugenholtz, in zijn noot onder HR 28 maart 2014, NJ 2015/365 (Norma/NLKabel c.s.), nr. 17-18.
Supplement Commissie Auteursrecht 2011, p. 7. Zie ook NV Kamerstukken II 2012/ 13, 33 308, nr. 6, p. 27, waar deze passage wordt aangehaald. In vergelijkbare zin Rb. Amsterdam 27 augustus 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:5397 (LIRA/UPC c.s.).
MvT, Kamerstukken II 1980/81, 16740, nr. 3-4, p. 9.
Het stelsel van een wettelijk vermoeden van overdracht (ook wel aangeduid als de présomption de cession) werd verkozen boven stelsels waarin de producent de rechthebbende is op het auteursrecht op het hele werk (een film copyright) of waarin degenen die een creatieve bijdrage hebben geleverd als mede-auteurs van het werk worden erkend, maar de uitoefening van het exploitatierecht van rechtswege toekomt aan de producent (de cessio legis).
Bovendien sloot de regeling aan bij de Franse en Duitse wetgeving op dit punt. MvT, Kamerstukken II 1980/81, 16740, nr. 3-4, p. 9-10.
Art. 3 lid 4 van Richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom. Art. 3 lid 5 van de Verhuurrichtlijn geeft de lidstaten het recht voor auteurs in een soortgelijk vermoeden te voorzien. Zie ook HvJ EU 9 februari 2012, NJ 2013/196 (Luksan), r.o. 74-75.
Vgl. HvJ EU 9 februari 2012, NJ 2013/196 (Luksan), r.o. 77-82.
HvJ EU 9 februari 2012, NJ 2013/196 (Luksan), r.o. 87.
Zie onder anderen Kabel 2014, p. 75-77.
Vgl. A-G Verkade, in zijn conclusie bij HR 28 maart 2014, NJ 2015/365, m.nt. P.B. Hugenholtz (Norma/NLKabel c.s.), nr. 6.7.7. Vgl. ook Rb Amsterdam 4 september 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:5554 (VEVAM/Ziggo c.s.).
A-G Verkade, in zijn conclusie bij HR 28 maart 2014, NJ 2015/365, m.nt. P.B. Hugenholtz (Norma/NLKabel c.s.), nr. 6.6.1; en Supplement Commissie Auteursrecht 2011, p. 7.
260. Een bijzonder geval uit het intellectuele eigendomsrecht is de samenloop van een levering bij voorbaat van toekomstige auteursrechten en naburige rechten ten aanzien van een filmwerk met het wettelijke vermoeden van overdracht aan de producent op grond van art. 45d Aw.
Tenzij de makers en de producent van een filmwerk schriftelijk anders zijn overeengekomen, worden de makers (bijv. de regisseur en scenarist) op grond van art. 45d lid 1 Aw geacht het auteursrecht voor de normale exploitatie – vanaf het tijdstip dat het filmwerk vertoningsgereed is (art. 45c Aw) – aan de producent te hebben overgedragen.1 Op grond van de schakelbepaling van art. 4 lid 1 WNR geldt hetzelfde voor de uitvoering van een uitvoerende kunstenaar (acteur), die bestemd is als bijdrage aan de totstandkoming van een filmwerk.
Het vermoeden van overdracht kan samenlopen met een levering bij voorbaat van de toekomstige auteursrechten en naburige rechten in verband met deze film. De betrokken makers en acteurs kunnen deze toekomstige rechten bijvoorbeeld hebben geleverd aan een collectieve beheersorganisatie als onderdeel van een tussen hen gesloten exploitatieovereenkomst. De makers en acteurs kunnen door een bundeling van hun rechten bij een collectieve beheersorganisatie hun onderhandelingspositie ten opzichte van de producent versterken. Zodra de auteursrechten en naburige rechten met betrekking tot de film ontstaan, althans de film vertoningsgereed is, doet zich een botsing voor van de aanspraken van producent enerzijds en makers en acteurs anderzijds. Prevaleert in dat geval het vermoeden van overdracht ex (art. 4 WNR jo.) art. 45d Aw of de eerdere levering bij voorbaat op grond van de prioriteitsregel? De Hoge Raad kon in het arrest Norma/NLKabel c.s. het antwoord op deze vraag in het midden laten, nu in cassatie tevergeefs was opgekomen tegen het oordeel dat de levering bij voorbaat aan de collectieve beheersorganisatie ongeldig was vanwege onvoldoende bepaaldheid.2 De literatuur en rechtspraak is verdeeld over het antwoord op deze vraag.3
De Commissie Auteursrecht heeft zich op het standpunt gesteld dat een eerdere levering bij voorbaat prevaleert boven het vermoeden van art. 45d Aw. Zij geeft het voorbeeld van een scenarioschrijver die op voorhand de exploitatierechten heeft overgedragen aan een derde, met name een collectieve beheersorganisatie. Indien deze auteur het scenario daarna beschikbaar stelt voor een film kunnen de exploitatierechten niet worden vermoed te zijn overgedragen aan de filmproducent. Omdat de auteur niet meer rechten aan een ander kan overdragen dan hij of zij zelf heeft (het nemo plusbeginsel), blijven de rechten bij de collectieve beheersorganisatie, aldus de commissie.4 Deze redenering snijdt vermogensrechtelijk bezien geen hout. Zij lijkt – ten onrechte – aan te nemen dat de rechten reeds door de levering bij voorbaat zijn overgaan op collectieve beheersorganisatie. Voor zover de prioriteitsregel van art. 3:97 lid 2 BW op het geval wordt toegepast, is niet evident dat het vermoeden van overdracht moet worden behandeld als een concurrerende levering bij voorbaat.
Ik meen dat het recht van de producent ex (art. 4 WNR jo.) art. 45d Aw prevaleert. Zowel de wettekst als de strekking van de regeling pleiten voor deze opvatting. In de eerste plaats wijst de tekst van het wetsartikel erop dat de producent de exploitatierechten alleen dan niet verkrijgt, indien hij afwijkende afspraken maakt met de makers en acteurs. Een “afwijkend beding” waar de producent geen partij bij is, zoals een afspraak tussen de makers of acteurs en een collectieve beheersorganisatie, volstaat niet om van het vermoeden af te wijken. Dat de maker of acteur niet de wil heeft om de rechten aan de producent te laten toekomen, is in zoverre niet relevant.
In de tweede plaats strookt de prioriteit van het wettelijk vermoeden van overdracht ook met de strekking van de regeling. Het vermoeden beoogt de producent immers een redelijke mate van zekerheid te verschaffen omtrent het exploitatierecht van het filmwerk ter bevordering van de financiering van de productie.5 Art. 45d lid 1 Aw strekt tot uitvoering van art. 14 lid 2, sub b, van de (herziene) Berner Conventie van 9 september 1886 voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst (Trb. 1972, 157), dat op zijn beurt strekt tot het vergemakkelijken van de internationale circulatie en exploitatie van cinematografische werken.6 Met het stelsel van art. 45d Aw heeft de wetgever enerzijds de producent de nodige rechten willen geven zonder anderzijds de rechten van de auteurs te zeer aan te tasten.7
Het wettelijk vermoeden heeft thans ook een Unierechtelijke grondslag. Zo bepaalt de Verhuurrichtlijn dat wanneer een uitvoerend kunstenaar een contract voor de productie van een film heeft gesloten met de producent, de kunstenaar wordt geacht, behoudens andersluidend beding, zijn verhuurrecht te hebben overgedragen aan de producent.8 De regel strekt eveneens ertoe de producent de mogelijkheid te bieden om de investeringen terug te verdienen die hij heeft gedaan voor de totstandbrenging van het cinematografische werk. De opt-out door een “andersluidend beding” strekt tot het bewaken van het evenwicht tussen de belangen van, enerzijds, de verschillende natuurlijke personen die aan de intellectuele totstandbrenging van de film hebben bijgedragen en, anderzijds, de filmproducent, die op eigen initiatief en verantwoordelijkheid het cinematografische werk heeft geschapen en de aan deze investering verbonden risico’s draagt.9 Het Hof van Justitie heeft in het Luksan-arrest in dit kader geoordeeld dat het Unierecht de lidstaten de mogelijkheid laat om te voorzien in een vermoeden van overdracht van de exploitatierechten van het cinematografische werk aan de producent daarvan, vooropgesteld dat dit vermoeden weerlegbaar is, zodat de hoofdregisseur van dit werk iets anders kan overeenkomen.10 Een deel van de literatuur meent echter, met een beroep op het Luksan-arrest, dat de auteur steeds vrij en zelfstandig moet kunnen beschikken over zijn auteursrechten. Door zijn rechten aan een ander over te dragen kan hij eenzijdig het vermoeden van overdracht aan de producent weerleggen.11 Die uitleg deel ik niet. Het doet te zeer afbreuk aan de zekerheid die men de producent heeft willen verschaffen, indien men aanneemt dat het vermoeden van overdracht kan worden weerlegd zonder de instemming van die producent.
Kortom, slechts indien de makers of acteurs en de producent bij schriftelijk beding anders overeenkomen, kan het wettelijk vermoeden van overdracht worden ‘weerlegd’. Buiten dat geval moet steeds worden aangenomen dat de producent rechthebbende is geworden, ongeacht of de maker of acteur zijn rechten eerder bij voorbaat aan een derde heeft geleverd. Door de werking van art. 45d Aw wordt het exploitatierecht geacht te zijn overgegaan in het vermogen van de producent, zodat een overdracht aan een derde door de maker of acteur niet tegen hem kan worden tegengeworpen. De prioriteitsregel van art. 3:97 lid 2 BW heeft hier echter niets mee van doen.12
261. In de praktijk wordt bijna steeds op voorhand een exploitatieovereenkomst gesloten tussen de producent en de makers. Door een levering bij voorbaat door de makers van hun rechten aan de producent worden de exploitatierechten geconcentreerd bij de producent.13 De producent neemt in dat geval een juridisch risico. In een dergelijk geval ontstaat wél een toestand van een dubbele levering bij voorbaat waarop de regel van art. 3:97 lid 2 BW toepassing kan vinden. Prevaleert in dat geval een eerdere levering bij voorbaat aan een collectieve beheersorganisatie wél boven een latere levering bij voorbaat aan de filmproducent? Een strikte toepassing van de prioriteitsregel brengt mee dat de collectieve beheersorganisatie nu de rechten zal verkrijgen. Ik meen echter dat hier een uitzondering op zijn plaats is. De levering bij voorbaat aan de producent is geen “gewone” levering bij voorbaat, maar zij is – materieel beschouwd – veeleer een bevestiging van het vermoeden van overdracht. Deze levering behoort – gelet op de strekking van art. 45d Aw – te prevaleren boven een levering bij voorbaat aan een derde, ongeacht of deze levering eerder in tijd plaatsvond. Door de rechten alsnog aan de producent te leveren ter uitvoering van een exploitatieovereenkomst, kan worden gezegd dat partijen niet werkelijk “schriftelijk anders zijn overeengekomen” omtrent het vermoeden van overdracht.