Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.6.3
II.5.6.3 Materiële aard van testamentair bewind
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS625538:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook art. 4:154 BW met betrekking tot zaaksvervanging: ‘Tenzij bij de instelling anders is bepaald, omvat het bewind ook de goederen die geacht moeten worden in de plaats van een onder bewind staand goed te treden, benevens de vruchten en andere voordelen die zulk een goed oplevert, zolang de vruchten niet zijn uitgekeerd aan degene die daarop recht heeft ingevolge artikel 162 (curs. NB).’
Asser/Perrick 2013 (4), nr. 713. Zie ook Parl. Gesch. Boek 3, p. 474 (met betrekking tot titel 3.6 en de aard van de bewindsfiguur).
Parl. Gesch. Boek 3, p. 481.
Het moment waarop het bewind aanvangt, hoeft niet gelijk te zijn aan het moment waarop men bewindvoerder wordt. Zie art. 4:157 lid 5 en lid 6 BW waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen de benoeming van een bewindvoerder door de rechter en de benoeming van een bewindvoerder die niet door de rechter geschiedt. De door de rechter benoemde bewindvoerder wordt bewindvoerder daags nadat de griffier hem van zijn benoeming mededeling heeft gedaan, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt (lid 5). De kantonrechter vergewist zich hierbij van de bereidheid van de door hem te benoemen personen (lid 1), waardoor een expliciete aanvaarding door de bewindvoerder niet meer nodig is. De niet door de rechter benoemde bewindvoerder wordt bewindvoerder daags nadat hij de benoeming heeft aanvaard (lid 6).
Zie over het wezen van bewind ook B. Schols, Handboek Erfrecht 2011, p. 568 waarin wordt opgemerkt dat: ‘bewind betekent vóór alles beheer.’
Van Mourik 2011, nr. 18.
De bepalingen van volmacht (titel 3 van Boek 3 BW) zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing op de rechten en verplichtingen van een wederpartij. Regels die de bevoegdheid van de bewindvoerder betreffen, en feiten die voor een oordeel omtrent zijn bevoegdheid van belang zijn, kunnen niet aan de wederpartij worden tegengeworpen, indien deze met die regels of feiten niet bekend was of behoorde te zijn (art. 4:172 lid 2 BW).
Vgl. hetgeen ik opmerkte in paragraaf 4.4 en 5.2 ten aanzien van goederenrechtelijke verhoudingen.
Art. 4:171 BW bepaalt evenwel dat bij uiterste wil de bevoegdheden en verplichtingen van een bewindvoerder nader kunnen worden geregeld; zij kunnen ruimer of beperkter worden vastgesteld dan uit de voorgaande bepalingen van afdeling 4.5.7 BW voortvloeit. De erflater kan in beginsel dus, zoals B. Schols in Handboek Erfrecht 2011, p. 568 opmerkt: ‘zelf invulling geven aan het ‘wezen’ van het bewind’.
Zie voor deze bepalingen de paragrafen hierna, te weten paragraaf 5.6.4 en 5.6.5.
Een testamentair bewind kan worden ingesteld over een of meer door erflater nagelaten of vermaakte goederen (art. 4:153 lid 1 BW).1 Het ziet zodoende niet op de persoon van de bewindvoerder noch op de persoon of personen in wiens belang het bewind wordt ingesteld:
‘Het bewind is een verband dat op de goederen ligt, onafhankelijk van de persoon, die als bewindvoerder optreedt. Zie TM, Parl Gesch. BW Boek 3 1981 (curs. NB).’2
En:
‘Het bewind is een verband op bepaalde goederen, en niet aan de persoon van de rechthebbende gebonden (curs. NB).’3
Het testamentair bewind kan dan ook aanvangen zonder dat er een bewindvoerder is (art. 4:157 lid 1 jo. 4:153 lid 2 BW).4
Tijdens het bewind komt het beheer over de onder het bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder (art. 4:166 e.v.).5 Onder beheer dient te worden verstaan al dat wat nodig is voor het op normale wijze exploiteren van goederen. Daartoe behoren eveneens daden van beschikking die door een normale exploitatie worden gevorderd (art. 3:170 lid 2 BW).6 Op grond van art. 4:172 lid 1 BW is de bewindvoerder, die anders dan in de vorm van medewerking of toestemming, zijn taak uitoefent, bevoegd daarbij de rechthebbende te vertegenwoordigen of in eigen naam te zijnen behoeve op te treden.
Het instellen van testamentair bewind heeft primair een goederenrechtelijk karakter: het bewind rust immers op goederen. Stelt erflater een testamentair bewind in, dan verliest de rechthebbende de bevoegdheid tot beheer over een of meer van de aan hem nagelaten of vermaakte goederen (art. 4:166 BW e.v.). Tussen de persoon van de bewindvoerder en de rechthebbende kan evenwel een verbintenisrechtelijke verhouding bestaan, namelijk die van vertegenwoordiging.7 Deze verbintenisrechtelijke verhouding is voor het wezen van testamentair bewind evenwel van secundair belang. Testamentair bewind kan immers ook bestaan zonder bewindvoerder (art. 4:157 lid 1 BW jo. 4:153 lid 2 BW).
Gelet op het primaire goederenrechtelijk karakter van het testamentaire bewind, kan worden betoogd dat ten aanzien van het testamentair bewind een strikt bepaaldheidsvereiste geldt:8 de goederen waarover het bewind wordt ingesteld zullen door de erflater in zijn uiterste wil moeten worden bepaald. Of kan de erflater wellicht toch volstaan met bepaalbaarheid en kan hij het aan een ander overlaten om te bepalen welke goederen onder het bewind vallen? Deze vraag komt aan bod in paragraaf 5.6.5.
Geldt het strikte bepaaldheidsvereiste ook voor de persoon van de bewindvoerder? Zoals reeds opgemerkt, ziet het instellen van het testamentair bewind op de goederen en niet op de persoon van de bewindvoerder. Kan dit betekenen dat erflater de bewindvoerder niet steeds zelf in zijn uiterste wilsbeschikking moet benoemen? Op deze vraag ga ik nader in, in paragraaf 5.6.4.1.
Voorts heb ik in paragraaf 5.6.4.2 aandacht voor de taken en bevoegdheden van een bewindvoerder. Bewind is immers in wezen niets anders dan beheer. En de wet schrijft reeds voor wat onder beheer wordt verstaan (art. 3:170 lid 2 BW).9 Voor andermans subjectief oordeel lijkt in dit kader dan ook geen plaats. Niettemin kent afdeling 4.5.7 BW voor erflater mogelijkheden om van de wettelijke regelingen af te wijken, namelijk: art. 4:153 lid 2 BW, art. 4:154 BW, art. 4:157 lid 1 BW, art. 4:158 lid 1 en 2 BW, art. 4:159 lid 1 BW, art. 4:160 lid 2 BW, art. 4:161 lid 1 en 2 BW, art. 4:162 BW, art. 4:164 lid 1 sub d BW en art. 4:171 BW.10 Een aantal van deze bepalingen betreft een afwijking van de wettelijke taken en bevoegdheden van de bewindvoerder, zoals bijvoorbeeld art. 4:161 BW en art. 4:171 BW. Met name art. 4:171 BW is op delegatievlak interessant. Dit artikel biedt namelijk de mogelijkheid voor erflater om de bevoegdheden van de bewindvoerder uit te breiden. Kan erflater hiermee ook bevoegdheden aan de bewindvoerder geven die door diens subjectieve oordeel nader worden ingekleurd? Ofwel kan erflater met behulp van art. 4:171 BW de bewindvoerder als gedelegeerde laten optreden? En kan hij nog andere taken of bevoegdheden aan de bewindvoerder verlenen, die niet door hem maar door andermans subjectieve oordeel nader worden geconcretiseerd?