Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/4.4.1.3
4.4.1.3 Andere onmiddellijke voorzieningen dan waarom is verzocht
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS463134:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 30 maart 2007, JOR 2007, 138, r.o. 4.4 (ATR Leasing).
Zie hierover paragraaf 3.3.4.1.
OK 12 juli 2006, ARO 2006, 131, r.o. 3.13 (Becq & Millan Europe). Zie voor soortgelijke gevallen: OK 27 maart 2003, ARO 2003, 62 (Projectontwikkeling Friesland); OK 24 maart 2005, ARO 2005, 55 (ACI Beheer/ACI Holding); OK 13 oktober 2006, ARO 2006, 172 (Hartevelt Holding); OK 27 december 2007, ARO 2008, 8 (Pool Elements Holding); OK 12 februari 2008, ARO 2008, 44 (Verhuis- en Transportbedrijf Gul en Albers).
Vergelijk OK 29 december 2006, ARO 2007, 8 (Victor Verhuis Promotions). Nadat de beide (middellijk) 50%-aandeelhouders [T] en [D] de OK over en weer hebben verzocht de ander als bestuurder te schorsen, heeft [T] zich eigener beweging teruggetrokken. De OK overweegt dat het niet evident is dat [D] als bestuurder moet worden geschorst. Wel acht zij het geboden een commissaris te benoemen teneinde toezicht te houden op het door [D] te voeren bestuur. Zie voor een soortgelijk geval OK 21 juni 2005, ARO 2005, 98 (Knapen Trailers International).
Zie bijvoorbeeld OK 5 augustus 2008, ARO 2008, 133, r.o. 3.18 (Rokin87). Verzoeker heeft de noodzaak om de door [H I] gehouden aandelen tijdelijk ten titel van beheer over te dragen aan een derde, niet aannemelijk gemaakt. De OK zal dan ook een minder verstrekkende voorziening treffen: zij stelt art. 10 lid 2 statuten – inhoudend dat de in dit artikel genoemde besluiten van het bestuur aan de goedkeuring van de AVA zijn onderworpen – tijdelijk buiten werking.
Zie voor andere voorbeelden: OK 20 juli 2005, ARO 2005, 119 (BKV Beheer); OK 3 mei 2006, ARO 2006, 97 (Bonne Route Holding); OK 20 juli 2007, ARO 2007, 124 (Hogeboom).
HR 30 maart 2007, JOR 2007, 138, r.o. 4.4 (ATR Leasing). Zie ook paragraaf 3.3.4.1.
Een uitzondering vormt OK 29 april 2009, ARO 2009, 67 (Diepenbeek Holding). Beide 50%-aandeelhouders/bestuurders hebben over en weer verzocht om schorsing van de ander als bestuurder en de benoeming van een derde tot bestuurder. De OK beslist – ‘mede gezien de omstandigheid dat beide partijen ter terechtzitting desgevraagd hebben verklaard zich hierin te kunnen vinden’ – dat beide bestuurders worden geschorst, onder benoeming van een derde als zodanig (r.o. 3.5).
Bijvoorbeeld: OK 3 februari 2004, ARO 2004, 34 (Headscanning Patent); OK 7 april 2004, ARO 2004, 52 (Clamor Holding); OK 1 oktober 2004, ARO 2004, 119 (Autogroep Twente); OK 13 april 2007, ARO 2007, 71 (Vendenco); OK 16 oktober 2007, ARO 2007, 166 (e-Traction Europe).
102. In zowel de beschikkingen inzake Skygate Holding en Versatel als in die betreffende ATR Leasing1ligt besloten dat de Ondernemingskamer andere onmiddellijke voorzieningen mag treffen dan waarom is verzocht.2 De Ondernemingskamer heeft in tientallen procedures gebruik gemaakt van deze bevoegdheid. Dit is met name het geval in situaties waarin de aandeelhouders haar (over en weer) verzoeken voorzieningen te treffen jegens de ander, terwijl de Ondernemingskamer vooral het belang van de vennootschap voor ogen staat. Illustratief wat dit betreft is de beschikking inzake Becq & Millan Europe, waarin door beide 50%-aandeelhouders, die elkaar over en weer verwijten maken, is verzocht de ander als bestuurder te schorsen en de stemrechten op de aandelen van de ander te schorsen. De Ondernemingskamer overweegt dat het vooralsnog voldoende is dat de bestaande patstelling in het bestuur en de AVA wordt opgeheven. Zij benoemt daartoe een derde tot bestuurder met een doorslaggevende stem in het bestuur en zij beveelt beide aandeelhouders ieder 1% van de door hen gehouden aandelen ten titel van beheer over te dragen aan een buitenstaander.3 Andere redenen om andere voorzieningen te treffen dan waarom is verzocht, zijn bijvoorbeeld dat de situatie inmiddels is gewijzigd4of dat volstaan kan worden met minder vergaande voorzieningen5.6De beschikkingen waarin de Ondernemingskamer andere onmiddellijke voorzieningen heeft getroffen dan waarom is verzocht, roepen nog wel de vraag op (a) of zij steeds voorzieningen heeft getroffen waarop de betrokken partijen, gelet op het verloop van het geding en het processuele debat, bedacht konden zijn (anders gezegd: stroken de getroffen voorzieningen steeds met de strekking van de onderliggende verzoeken?) en (b) of de partijen zich hebben kunnen uitlaten over de consequenties daarvan (vergelijk ATR Leasing7). De beschikkingen bevatten hierover geen informatie8, hetgeen in zoverre niet verwondert dat de constatering dat de Ondernemingskamer de onder (a) en/of (b) weergegeven voorwaarde(n) niet heeft nageleefd, veelal een constatering achteraf zal zijn. Bij mijn weten heeft ook de Hoge Raad zich nog nooit hoeven uitlaten over een ter zake op art. 24 Rv9gebaseerde klacht. Ik volsta daarom met en kele algemene opmerkingen. Wat betreft de oorspronkelijke verzoekers, die de omvang van de rechtsstrijd bepalen, kan worden geconcludeerd dat de onder (a) gestelde vraag niet snel tot problemen zal leiden, nu verreweg de meeste verzoeken blijkens de beschikkingen die in dit hoofdstuk zijn aangehaald de toevoeging bevatten dat de Ondernemingskamer ‘althans (een) zodanige onmiddellijke voorziening(en) treft, als haar geraden voorkomt’ (of woorden van soortgelijke strekking).10 Ik begrijp de onder (b) vervatte voorwaarde aldus dat indien de Ondernemingskamer andere onmiddellijke voorzieningen treft dan waarom expliciet is verzocht (en ongeacht of het verzoekschrift de boven genoemde toevoeging bevat), zij zowel de verzoeker(s) als de verweerder(s) de gelegenheid moet bieden zich uit te laten over de consequenties daarvan. Vervolgens komt de vraag op hoe deze voorwaarde in de praktijk uitpakt. Komt de Ondernemingskamer tijdens de mondelinge behandeling reeds tot het inzicht dat andere onmiddellijke voorzieningen vereist zijn dan die waarom expliciet is verzocht, dan kan zij partijen terstond de mogelijkheid bieden zich hierover uit te laten (vergelijk de procedure inzake Diepenbeek Holding, aangehaald in noot 131). Maar hoe te oordelen indien de Ondernemingskamer pas tot dit inzicht komt nádat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden? De uitspraak van de Hoge Raad lijkt te impliceren dat de Ondernemingskamer een nieuwe datum moet bepalen voor een mondelinge behandeling, zodat de partijen zich alsnog kunnen uitlaten over de consequenties van de mogelijk te treffen onmiddellijke voorzieningen.