Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/8.3.1.2
8.3.1.2 Toevoegingen aan de oudedagsreserve ingeval geen onderneming bestond
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS420537:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
In BNB 1988/44 klaagt belanghebbende over een buitenproportionele verhoging van zijn belastbaar inkomen door opheffing van de oudedagsreserve.
De redelijke tegemoetkoming wordt uitgewerkt in hoofdstuk 9.
Volgens het middel dient analoge toepassing van de foutenleer ook plaats te vinden in een geval, waarin een belastingplichtige nimmer een zelfstandig beroep heeft uitgeoefend en, gelet op het bepaalde in artikel 44d, eerste lid, Wet IB 1964, in het geheel geen oudedagsreserve kan hebben.
Cursiveringen van Verburg.
In zijn conclusie bij BNB 1995/175 merkt A-G Van Soest op dat het begrijpelijk is, dat voor de zich in BNB 1988/43 en BNB 1988/44 voordoende situatie de oplossing gezocht en gevonden werd door voor het overige de regeling van de oudedagsreserve zo goed als mogelijk is, toe te passen, derhalve door over het jaar waarin een en ander aan het licht komt, de ten onrechte gevormde oudedagsreserve te stellen op het bedrag waartoe zij in voorafgaande jaren nu eenmaal ontstaan en toegenomen was, en haar vervolgens te doen afnemen volgens de overige regels.
Cursivering van Verburg.
In dit kader stelt A-G Verburg bij BNB 1988/43: ‘Het standpunt van de Staatssecretaris leidt bovendien tot de uit een oogpunt van rechtszekerheid minder gelukkige consequentie dat de Inspecteur gedurende een willekeurig aantal jaren het bij aangifte gestelde ondernemerschap zou kunnen volgen, zonder dat een belanghebbende er (behoudens de werking van het vertrouwensbeginsel) zeker van kan zijn dat zijn oudedagsreserve niet, als gevolg van een standpuntwijziging van de Inspecteur, ten volle en mogelijk op een ontijdig moment in het belastbaar inkomen zal worden betrokken. Er kunnen dan onaangename tariefconsequenties zijn.’
Dit wordt door de Hoge Raad expliciet in BNB 1988/43 en BNB 1988/44 overwogen.
Op 14 oktober 1987 heeft de Hoge Raad twee arresten gewezen, welke zijn gepubliceerd als BNB 1988/43 (inzake een fysiotherapeute) en BNB 1988/44 (inzake een kunstenaar), met betrekking tot een oudedagsreserve die in strijd met de wettelijke bepalingen is opgebouwd. Deze zaken vertonen op diverse punten overeenkomsten met elkaar. Voor beide zaken geldt dat de inspecteur gedurende enkele jaren heeft geaccepteerd dat de voordelen uit de door de belastingplichtigen ondernomen activiteiten werden aangemerkt als winst uit onderneming; daarbij zijn toevoegingen aan de oudedagsreserve toegelaten. Met ingang van het jaar 1982 nam de inspecteur echter het standpunt in dat geen sprake was van winst uit onderneming en dat de – ten onrechte – opgebouwde oudedagsreserve in het belastbare inkomen over dat jaar diende te worden begrepen. In de hofprocedures die volgden, liepen de zaken uiteen.
Hof ’s-Gravenhage, verantwoordelijk voor de aan BNB 1988/43 ten grondslag liggende hofuitspraak, oordeelde – kort gezegd – dat de fysiotherapeute in 1982, evenmin als in de jaren daarvóór, een onderneming dreef en dat de inspecteur in 1981 (en wellicht ook in de jaren vóór 1981) ten onrechte toevoegingen aan de oudedagsreserve heeft toegestaan. Naar de mening van het Hof kon de inspecteur dit niet herstellen door het totale saldo van de oudedagsreserve in 1982 aan het inkomen toe te voegen. Daar waar geen onderneming is of was, kan – naar het oordeel van Hof ’s-Gravenhage – ook geen vermindering van ondernemingsvermogen aan de orde komen.
Hof Leeuwarden besliste in de zaak van de kunstenaar dat belanghebbende geen winst uit onderneming genoot en in 1982 geen ondernemingsvermogen kon hebben. Anders dan Hof ’s-Gravenhage, verbond Hof Leeuwarden hieraan echter de conclusie dat in 1982, ingevolge artikel 44f, eerste lid, Wet IB 1964, afname van de gehele oudedagsreserve diende plaats te vinden.
Zowel in BNB 1988/43 als in BNB 1988/44 overweegt de Hoge Raad op het punt van de oudedagsreserve:
Ingevolge het bepaalde in artikel 44d, lid 2, [Wet IB 1964] geldt als oudedagsreserve bij het begin van het kalenderjaar de oudedagsreserve bij het einde van het voorafgaande kalenderjaar. Deze bepaling, welke is ontleend aan het in de winstsfeer gangbare beginsel van de balanscontinuïteit, strekt ertoe te bewerkstelligen dat een overeenkomstig beginsel ten aanzien van de oudedagsreserve toepassing vindt.
Dit betekent dat, indien in voorgaande jaren ten gevolge van een fout een oudedagsreserve is gevormd, het de inspecteur vrij staat bij het vaststellen van de aanslag over een volgend jaar uit te gaan van die aldus in voorgaande jaren ten onrechte gevormde reserve.
Het maakt daarbij geen verschil of de fout is gelegen in de omstandigheid dat de belastingplichtige in de voorgaande jaren geen winst uit onderneming had genoten, dan wel daarin dat andere omstandigheden een toevoeging aan de oudedagsreserve rechtens verhinderden.
Voor beide zaken geldt derhalve dat de inspecteur in 1982 mocht uitgaan van de (ten onrechte) opgebouwde oudedagsreserve en deze reserve in dat jaar – wegens het ontbreken van ondernemingsvermogen per 31 december 1982 – mocht opheffen. Daarbij plaatst de Hoge Raad echter de kanttekening dat opheffing van de oudedagsreserve, door het opnemen van het bedrag van die reserve in haar geheel in één jaar in het belastbaar inkomen, tot onredelijke gevolgen zou kunnen leiden1. Om die reden beslist de Hoge Raad dat de belastingplichtige de gelegenheid dient te worden geboden door vrijwillige betaling van belasting de in voorgaande jaren gemaakte fouten te herstellen, zo dit voor hem voordeliger zou zijn, dan wel hem op andere wijze een redelijke tegemoetkoming dient te worden geboden aan de bezwaren die hij ondervindt doordat de inspecteur in voorgaande jaren de vorming van een oudedagsreserve had toegestaan en het bedrag van deze reserve thans in haar geheel in één jaar in het belastbaar inkomen wil opnemen2.
A-G Verburg kwam – zoals hierna wordt besproken – in zijn conclusie tot een andere oplossing. Uitgangspunt voor Verburg is het cassatiemiddel van de staatssecretaris van Financiën, waarin wordt betoogd dat de voor de winstsfeer ontwikkelde foutenleer naar analogie toepassing behoort te vinden met betrekking tot de regeling van de oudedagsreserve3. Na een uiteenzetting van de systematiek van de oudedagsreserve en de foutenleer stelt Verburg zich de vraag: kan de inspecteur wel een beroep doen op artikel 44d, tweede lid, Wet IB 1964, nu de bepalingen van de oudedagsreserve in casu niet van meet af aan juist zijn toegepast? Deze vraag wordt door hem ontkennend beantwoord4:
Leest men immers het tweede lid in verbinding met het eerste lid van artikel 44d I.B. ’64, dan ligt het, mede gelet op de gehele opzet van de oudedagsreserve, voor de hand om aan het beginsel van de balanscontinuïteit slechts betekenis toe te kennen voor zover er een oudedagsreserve bestaat. Kan een oudedagsreserve niet bestaan (hebben), dan kan artikel 44d I.B. ’64 haar, in deze opvatting, ook niet in het leven roepen.
Uit de annotatie bij het latere arrest HR 1 maart 1995, BNB 1995/175, valt op te maken dat Slot op dit punt een andere mening is toegedaan. In zijn visie moet het evident worden geacht dat door, ten laste van het inkomen gebrachte, toevoegingen aan wat als oudedagsreserve wordt gepresenteerd, een oudedagsreserve tot stand komt of wordt vergroot, ongeacht het antwoord op de vraag of die toevoegingen in overeenstemming met de wet waren. Ook blijft een eenmaal gevormde reserve naar zijn mening bestaan zolang deze niet door toevoeging aan het inkomen is opgeheven5.
Omdat in het cassatiemiddel een verder strekkende betekenis aan het tweede lid van artikel 44d Wet IB 1964 wordt toegekend dan Verburg doet, gaat de A-G na of er voor die verdergaande interpretatie steun is te vinden. Na weergave van wetsgeschiedenis en literatuur op dit punt constateert hij:
De in de ontstaansgeschiedenis van artikel 44d, lid 2, Wet IB duidelijk aan de dag getreden analogie-gedachte, speelt tevens een belangrijke rol in het cassatiemiddel: bepleit wordt, het beginsel van de balanscontinuïteit naar analogie6 toe te passen voor de oudedagsreserve.
Verburg gaat verder op de analoge toepassing van het beginsel der balanscontinuïteit en stelt vast dat de balanscontinuïteit in de sfeer van de winst uit onderneming slechts opgeld doet indien en zolang een onderneming bestaat:
Naar gevestigde jurisprudentie (onder andere H.R. 3 juni 1981, BNB 1981/192) behoort stakingswinst belast te worden in het jaar van staking. Het gaat niet aan, ook niet met een beroep op de balanscontinuïteit, die winst in een later jaar te belasten, indien verzuimd mocht zijn dat in het juiste jaar te doen, ook niet indien het (bijvoorbeeld ten gevolge van een verstreken navorderingstermijn) niet meer mogelijk zou zijn, de fout nog ongedaan te maken. Evenzo kan een beroep op de balanscontinuïteit de Inspecteur mijns inziens niet baten indien hij, naar later blijkt ten onrechte, het ondernemerschap van een belastingplichtige heeft erkend en in het latere jaar een door belastingplichtige ten laste van de winst gevormde voorziening (bijvoorbeeld wegens dubieuze debiteuren) aan de winst (of juister: aan het inkomen) zou willen toevoegen. Betrokkene heeft immers (naar het latere inzicht) juist géén winst genoten.
Het eerste gedeelte van de hiervóór geciteerde passage, betrekking hebbende op het belasten van stakingswinst, is naar mijn mening door de jurisprudentie van de Hoge Raad inmiddels (deels) achterhaald. Zo oordeelt de Hoge Raad in zijn arrest van 29 juni 1988, BNB 1989/1:
Het is evenwel niet aanvaardbaar dat de belastingheffing over enig bestanddeel van de winst van een onderneming, ingeval dit bestanddeel met miskenning van goed koopmansgebruik niet in het juiste jaar in aanmerking is genomen, geheel achterwege zou worden gelaten, en aldus het in artikel 7 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 neergelegde beginsel dat de winst alle voordelen omvat die uit onderneming worden verkregen, zou worden ter zijde gesteld.
Uitgaande van een analoge toepassing van het beginsel der balanscontinuïteit op de oudedagsreserve, meent Verburg dat dit beginsel zijn werking slechts kan doen gelden indien en zolang een oudedagsreserve bestaat, en rechtens kan bestaan. Voorzover dit laatste niet het geval is, mist het beginsel van de balanscontinuïteit zijns inziens betekenis. In het onderhavige geval is de belastingadministratie zijns inziens derhalve aangewezen op het herstel van de fout door middel van navordering:
Naar mijn mening ligt de mogelijkheid tot redres in de situatie die zich in casu met betrekking tot de ten onrechte toegelaten dotaties voordoet, wezenlijk niet anders dan wanneer een belastingplichtige een te hoge rente-aftrek heeft genoten of te veel buitengewone lasten heeft afgetrokken: steeds is de fiscus aangewezen op het middel van navordering. Het moge onbevredigend zijn, dat zekere gedeelten van de opbrengsten van belanghebbende aldus dreigen definitief buiten de belastingheffing te vallen, dit bezwaar moet mijns inziens wijken voor de rechtszekerheid welke in de vereisten voor navordering gestalte heeft gekregen.
Slot (BNB 1988/43) meent dat het trekken van een parallel met te hoge aftrek van rente of van buitengewone lasten niet opgaat, omdat boekwaarden hierbij geen rol spelen. Boekwaarden vormen een soort rekening-courant tussen belastingadministratie en contribuabele. Zo stelt een actiefpost voor wat nog eens een keer van de winst mag worden afgetrokken; voor een passiefpost geldt het omgekeerde. Naar de mening van Slot is het met de eisen van de rechtszekerheid niet in strijd, dat de belastingplichtige wordt gehouden aan een te lage actiefpost en de belastingadministratie aan een te hoge: beiden weten heel goed waar zij aan toe zijn7. Zo is ook de oudedagsreserve volgens Slot een tussen beide partijen vaststaand bedrag waarover nog belasting moet worden geheven.
In BNB 1988/43 en BNB 1988/44 is het bestaan van de oudedagsreserve, hoewel deze in strijd met de wettelijke bepalingen is opgebouwd, voor de Hoge Raad een gegeven. De Hoge Raad erkent dat ook ten aanzien van deze ten onrechte opgebouwde oudedagsreserve de in artikel 44d, tweede lid, Wet IB 1964, opgenomen continuïteitbepaling heeft te gelden en past de foutenleer naar analogie op deze reserve toe. Verburg heeft de analoge toepassing van het beginsel van de balanscontinuïteit op een oudedagsreserve die niet kan hebben bestaan, onderzocht. Hierbij heeft Verburg, ter beantwoording van de vraag of de in artikel 44d, tweede lid, Wet IB 1964 neergelegde continuïteitbepaling op deze oudedagsreserve kan worden toegepast, gekeken naar de werking van dit beginsel in de sfeer winst uit onderneming. De grenzen die – naar zijn mening – in die sfeer aan de werking van de balanscontinuïteit worden gesteld, past hij naar analogie toe bij de oudedagsreserve. Zo komt hij tot de conclusie dat het in artikel 44d, tweede lid, Wet IB 1964 neergelegde beginsel zijn werking slechts kan doen gelden indien en zolang een oudedagsreserve bestaat, en rechtens kan bestaan.
In deze paragraaf is aan de hand van BNB 1988/43 en BNB 1988/44 aandacht besteed aan de vraag of de foutenleer kan worden toegepast op een oudedagsreserve die weliswaar is gevormd, doch niet mocht worden gevormd, omdat de belanghebbende geen winst uit onderneming genoot. Hetzelfde dient echter te gelden indien andere omstandigheden toevoegingen aan de oudedagsreserve rechtens verhinderden8.