Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement
Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/4.11:4.11 Uitgangspunt 9: Waardebehoud
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/4.11
4.11 Uitgangspunt 9: Waardebehoud
Documentgegevens:
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192772:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Gedurende de totstandkoming van het pre-insolventieakkoord moet de going concernwaarde van de onderneming zoveel mogelijk bewaard blijven.
173. Een pre-insolventieakkoordprocedure beoogt de totstandkoming van akkoorden te faciliteren in die gevallen waarin een akkoord tot meerwaarde voor de gezamenlijke vermogensverschaffers leidt (uitgangspunt 1). Gedurende de totstandkoming van het akkoord dient het afbrokkelen van de going concernwaarde van de onderneming zoveel mogelijk te worden voorkomen. Deze waarde kan onder meer afnemen doordat schuldeisers op de hoogte geraken van de financiële problemen van de schuldenaar en in reactie daarop maatregelen gaan nemen om hun eigen positie veilig te stellen. Daarbij kan gedacht worden aan individuele verhaalsacties, zoals het leggen van beslag of de uitoefening van het recht van parate executie door zekerheidsgerechtigden. Wanneer leveranciers overgaan tot het inroepen van hun eigendomsvoorbehouden of voorafgaande betaling eisen, kan dat de dagelijkse bedrijfsvoering van de onderneming onmogelijk maken. Ook het opzeggen of ontbinden van overeenkomsten kan in concrete gevallen leiden tot grote schade.
Een pre-insolventieakkoordprocedure dient daarom voorzieningen te bevatten om deze desintegratieschade te voorkomen of te beperken, en de schuldenaar de gelegenheid geven een akkoord te realiseren. Daarbij kan in het bijzonder gedacht worden aan een afkoelingsperiode, waarin individuele crediteuren hun verhaalsrechten tijdelijk niet uit kunnen oefenen. Ook zou een beperking kunnen worden gesteld aan beroepen op ‘ipso facto’-clausules, clausules die een contractspartij het recht geven de overeenkomst te wijzigen of op te zeggen enkel vanwege de (dreigende) insolventie. Een bepaling op grond waarvan de behandeling van een faillissementsaanvraag gedurende het akkoordproces wordt geschorst, kan eveneens bijdragen aan onnodige waardevernietiging. De genoemde maatregelen geven de schuldenaar de nodige ademruimte om een akkoord te realiseren.
Bij de vormgeving van deze maatregelen moet echter steeds een evenwicht gevonden worden tussen de belangen van de vermogensverschaffers die erdoor getroffen of in hun rechten beperkt worden, en het belang van het waardebehoud dat daar tegenover staat. De beperking van bepaalde schuldeisersrechten kan immers leiden tot regulering van hun eigendom. Daarom dient steeds een fair balance te bestaan tussen de inmenging en het algemeen belang dat daarmee gediend wordt. Voor de beoordeling van de proportionaliteit zijn onder meer de duur van de inmenging en de regels inzake de beëindiging van de inmenging relevant. In het tweede deel van dit onderzoek zal worden bezien of de op waardebehoud gerichte voorzieningen in de Nederlandse pre-insolventieakkoordprocedure een juiste balans bevatten.