Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/4.4
4.4 Uitgangspunt 2: Individuele vermogensverschaffers mogen niet slechter af zijn dan in het alternatieve scenario
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192656:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ook Tollenaar 2016, §2.6.4 en 2.6.5, die deze norm in verband brengt met het Pareto efficiëntie-criterium.
Recommendation 152(b) van de UNCITRAL Legislative Guide on Insolvency law luidt: “Creditors will receive at least as much under the plan as they would have received in liquidation, unless they have specifically agreed to receiver lesser treatment”.
World Bank Principles for Effective Insolvency and Creditor/Debtor Regimes 2015, C.14.3: “Plan approval should be based on clear criteria aimed at achieving fairness among similar creditors, recognition of relative priorities, and majority acceptance, while offering opposing creditors or classes a dividend equal to or greater than they would likely receive in a liquidation proceeding” (onderstreping AM).
EU 7 april 2016, JOR 2016/179 m.nt. Tekstra (Degano Transporti). Het Hof van Justitie moest oordelen over de vraag of de BTW-richtlijn in de weg staat aan de (gedeeltelijke) kwijtschelding van fiscale vorderingen op grond van de Italiaanse pre-insolventieakkoordprocedure (‘concordato preventivo’). Lidstaten zijn ingevolge art. 2, 250 en 273 van de BTW-richtlijn verplicht alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen om te waarborgen dat de btw op hun grondgebied volledig wordt geïnd. Het Hof oordeelde dat deze verplichting, en het in art. 4 lid 3 VWEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking niet in de weg staan aan een dergelijke procedure, mits daarbij door een onafhankelijke deskundige wordt vastgesteld dat de staat in faillissement van de schuldenaar geen groter deel van die schuld zou ontvangen. Zie over dit arrest verder nr. 537 hierna.
Art. 3A:88 Wft.
De vereffening kan op verschillende manieren plaatsvinden, zie daarover nr. 35 en nr. 127 hierna.
De regel dat de rechter homologatie van het akkoord moet weigeren wanneer de baten van de boedel boedels de akkoordsom (aanmerkelijk) te boven gaan (art. 153 lid 2 sub 1 Fw, art. 272 lid 2 sub 1 Fw, art. 338 lid 2 Fw), zou ook als een klasse-brede best interests-test kunnen worden gezien. Zie echter Van Galen 2017, p. 233 die in deze bepalingen een individuele best interests-test lijkt te lezen.
De wetgever erkent dat hetgeen schuldeisers in het alternatieve scenario zouden ontvangen “per definitie ongewis is”. Daarom zal de vermogensvergelijking “noodzakelijkerwijs een globaal karakter dragen. Het gaat erom te bezien of er tussen bedoelde bedragen geen onaanvaardbaar grote verschillen te verwachten zijn”. Zie de Memorie van Toelichting bij de WSNP (Kamerstukken II 1992/93, 22 969, nr. 3, p. 55), waarnaar verwezen wordt bij de invoering van art. 146 en 268a Fw, vgl. Kamerstukken II 1999/2000, 27 244, nr. 3, p. 19.
Vgl. nr. 58.
Kamerstukken II 2017/18, 34 842, nr. 3, p. 54-56.
Considerans 50 BRRD-Richtlijn (Richtlijn 2014/59/EU); Considerans 62 SRM-verordening (Verordening 806/2014).
Sluysmans e.a. 2015, p. 396-398. Vgl. art. 40c Onteigeningswet dat bepaalt dat bij het bepalen van de schadeloosstelling wegens verlies van een onroerende zaak geen rekening wordt gehouden met voordelen of nadelen, teweeggebracht door 1) het werk waarvoor onteigend wordt; 2) overheidswerken die in verband staan met het werk waarvoor onteigend wordt en 3) de plannen voor de werken onder 1° en 2° bedoeld.
Wet bijzondere maatregelen financiële ondernemingen, Stb. 2014, 241.
HR 20 maart 2015, NJ 2015/361 m.nt. Van Schilfgaarde & Winter; JOR 2015/140 m.nt. Josephus Jitta (SNS), ro. 4.10-4.17.
Hof Amsterdam (OK) 11 juli 2013, JOR 2013/250 m.nt. Josephus Jitta (Minister van Financiën/VEB), ro. 5.15.
Conclusie voor HR 20 maart 2015, NJ 2015/361 m.nt. Van Schilfgaarde & Winter; JOR 2015/140 m.nt. Josephus Jitta (SNS), onder 2.12.
Zie Hof Amsterdam (OK) 16 april 2019, JOR 2019/134 m.nt. Josephus Jitta. Het waarderingsrapport en de beslissing van de Ondernemingskamer bieden interessante inzichten over de manier waarop de best interests-test zou moeten worden toegepast in geval van banken, zie hierover meer in nr. 121.
EHRM 20 juli 2004, 37598/97 (Bäck/Finland), §69, vgl. nr. 12 hiervoor.
Uitgangspunt 4 luidt dat de Nederlandse pre-insolventieakkoordprocedure een vrij strenge pre-insolventietest dient te bevatten, vgl. §4.6.
Vgl. nr. 110 hiervoor.
Vgl. uitgangspunt 4 in §4.6.
Vgl. nr. 34 en 65.
Codire-rapport 2018, aanbeveling 2.14 sub 5: “[T]he plan is in the best interests of dissenting creditors or equity holders, in that it provides them with at least as much as they would receive if the plan were not approved”.
Tollenaar acht echter toelaatbaar dat een minderheid met het akkoord slechter af mag zijn dan in geval van liquidatie: Tollenaar 2017a, p. 75. Deze opvatting hangt samen met zijn stelling dat de best interests-test vanwege haar speculatieve aard in de praktijk weinig bescherming kan bieden en daarom gemist kan worden, vgl. Tollenaar 2016, §8.9.3.3. Zie daarover verder nr. 533.
Vgl. over de twee scenario’s die vergeleken moeten worden om het effect van de herstructurering op de individuele vermogensverschaffer vast te stellen: Van den Berg 2019, §5.2.2.
Van den Berg 2019, p. 40.
Tollenaar betoogt dat “in de regel” bij de going concernwaarde moet worden aangeknoopt in Tollenaar 2016, §5.4; Tollenaar 2017b, p. 79. In het Codire-rapport wordt niet uitgesloten dat een stuksgewijze verkoop het relevante referentiekader kan zijn, vgl. Codire-rapport 2018, p. 44. De faillissementscurator die in het fictieve alternatieve scenario zou worden benoemd zou (moeten) kiezen voor het vereffeningsscenario dat tot de hoogste opbrengst zou leiden.
Zie over de vraag hoe dergelijke vermogenstitels moeten worden gewaardeerd nr. 574.
Zie bijvoorbeeld het Belgische §XX.73 Wetboek van Economisch recht, dat een minimumpercentage van 20% voorschrijft.
Van der Feltz II, p. 146-147. Enkele Kamerleden suggereerden een minimum-akkoordpercentage van 10% in de regeling van het faillissementsakkoord op te nemen. Andere Kamerleden wezen deze suggestie van de hand, omdat deze grens geheel willekeurig zou zijn. Zij merkten op dat de uitkering niet alleen in verhouding tot de schuld moet worden bekeken, maar ook in verhouding tot de baten van de boedel. Ook de regering wees de idee van een minimumpercentage af. Zij meende dat een dergelijk minimumpercentage liquidatie-akkoorden in de hand zou werken, hetgeen doorgaans niet in het voordeel van schuldeisers uit zou pakken. In zijn preadvies voor de NJV verdedigde Grosheide een minimumpercentage: Grosheide 1931, p. 27-28. De andere preadviseur, Star Busmann, achtte een dergelijke minimumuitkering niet wenselijk, zie Star Busmann 1931, p. 20, zie daarover ook nr. 47.
Jonkers & Van Moorsel 2019, §6. De auteurs bepleiten invoering van een regel op grond waarvan tegenstemmende of ten onrechte niet tot de stemming toegelaten schuldeisers die onder het akkoord minder dan 25% op hun vordering krijgen uitbetaald beroep kunnen doen op een bijzondere weigeringsgrond voor homologatie. De rechter zou – in het voorstel van Jonkers & Van Moorsel – homologatie moeten weigeren wanneer niet “minimaal 50% van het verschil tussen de liquidatiewaarde van de onderneming enerzijds en de going concernwaarde van de onderneming anderzijds, toekomt aan de klasse(n) van schuldeisers die geen aanspraak maken op een voorrecht en of een zekerheidsrecht”.
Een individuele vermogensverschaffer mag als gevolg van een gehomologeerd akkoord niet in een slechtere positie geraken dan waarin hij zich had bevonden indien het akkoord niet tot stand was gekomen, tenzij hij instemde met deze verslechtering.
124. Uit het eerste uitgangspunt volgt dat een akkoord meerwaarde moet realiseren voor het collectief aan vermogensverschaffers. Zij moeten als geheel gebaat zijn bij de totstandkoming van het akkoord, omdat het akkoord tot waardemaximalisatie leidt. Het tweede uitgangspunt betreft een waarborg voor individuele crediteuren en aandeelhouders. Zij mogen onder het akkoord nooit slechter af zijn dan in het alternatieve scenario.1 Dit principe wordt ook wel het ‘no creditor worse off’ (‘NCWO’)-principe of de ‘best interest of creditors’-test genoemd. Veelal wordt het faillissement als referentiepunt voor de best interests-test genoemd. Dat is bijvoorbeeld het geval in de UNCITRAL Legislative Guide on Insolvency Law2 en in de World Bank Principles for Effective Insolvency and Creditor/Debtor regimes.3 Ook het Europese Hof van Justitie hecht waarde aan dit uitgangspunt in het Degano Transporti-arrest, waarin het oordeelde over de vraag onder welke voorwaarden een akkoord kwijtschelding van een omzetbelastingschuld mag behelzen.4 Het no creditor worse off-principe is ook onderdeel van het Europese afwikkelingsmechanisme voor kredietinstellingen5 en van het Nederlands herstel- en afwikkelingskader voor verzekeraars.6 De partijen die als gevolg van een ‘bail in’ hun rechten verliezen, mogen geen grotere verliezen lijden dan zij zouden hebben geleden wanneer de bank of verzekeraar in faillissement zou zijn geliquideerd.7
De vermogensvergelijking is ook in de bestaande Nederlandse akkoordprocedures een bekende exercitie. Zo speelt de verwachte uitkering in een faillissement een rol bij de beoordeling van de redelijkheid van het stemgedrag van crediteuren die tegen een akkoord stemden. Zoals in nr. 63 en 67 al aan de orde kwam, kan de rechter-commissaris8 op grond van art. 146 Fw en art. 268a Fw een verworpen insolventieakkoord vaststellen als ware het aangenomen. Bij de beoordeling van de (on)redelijkheid van het stemgedrag, dient de rechter blijkens de wettekst “in het bijzonder” acht te slaan op “het percentage dat de tegenstemmende schuldeisers, zou de boedel worden vereffend, naar verwachting aan betaling op hun vordering zouden ontvangen.”9 In de WSNP geldt een soortgelijke norm voor de beoordeling van het stemgedrag.10 Indien een schuldeiser op grond van een aangeboden akkoord minder ontvangt dan hij in een faillissementsscenario zou ontvangen, zal de rechter-commissaris of rechtbank oordelen dat hij in redelijkheid tot dat stemgedrag heeft kunnen komen. 11 Ook in de rechtspraak over dwangdeelname aan een buitengerechtelijk akkoord speelt de vermogensvergelijking een rol in de rechterlijke beoordeling van het verzoek.12
125. De best interests-test is in verband te brengen met het fair balance-vereiste van art. 1 EP EVRM. Zoals besproken in nr. 110 mag de inmenging in het eigendom geen buitensporige last voor de betrokken vermogensverschaffers behelzen. In de wetsgeschiedenis van het herstel- en afwikkelingskader voor verzekeraars wordt de no creditor worse off-test expliciet in verband gebracht met de door art. 1 EP EVRM vereiste fair balance.13 Ook in de considerans bij de SRM-richtlijn en de BRRD-richtlijn inzake het Europese herstel- en afwikkelingskader voor banken wordt het no creditor worse off-principe gelinkt aan de vereiste proportionaliteit bij inmenging in eigendom.14 Tot op heden is in Straatsburg niet getest of naleving van het NCWO- beginsel inderdaad een fair balance garandeert.
In de literatuur is door Sluysmans e.a. betoogd dat het NCWO-beginsel spanning oplevert met art. 1 EP EVRM. Omdat het NCWO-beginsel aansluit bij de uitkering die de onteigende partijen in geval van een faillissement zouden verkrijgen, wordt aangesloten bij de liquidatiewaarde en niet bij de op grond van het EVRM vereiste marktwaarde. Volgens de auteurs zou het ‘Pointe Gourde’-principe, ook wel bekend als het eliminatiebeginsel, van toepassing moeten zijn op de waardering van de rechten van onteigende schuldeisers of aandeelhouders. Dit principe houdt in dat de (dreiging) van onteigening moet worden weggedacht bij de vaststelling van de marktwaarde.15
In de procedure over de schadeloosstelling van de aandeelhouders en de achtergestelde schuldeisers die onteigend werden door de nationalisatie van SNS-bank is aangevoerd dat het eliminatiebeginsel toegepast zou moeten worden. Indien een onteigening heeft plaatsgevonden op grond van de Interventiewet16 dient de schadeloosstelling de werkelijke waarde van het onteigende goed te vertegenwoordigen.17 De Hoge Raad verwierp de incidentele cassatieberoepen waarin werd gesteld dat het eliminatiebeginsel ook van toepassing is in geval van onteigening op grond van de Interventiewet. De Hoge Raad stelde voorop dat art. 6:9 Interventiewet een eigen (van de Onteigeningswet afwijkende) maatstaf kent voor de redelijke waardebepaling van het onteigende.18 Bij de vaststelling van de waarde wordt aangesloten bij het toekomstperspectief dat de onderneming zou hebben gehad als er geen onteigening had plaatsgevonden. De werkelijke waarde bestaat uit de prijs die bij een normale verkoop, met inachtneming van het toekomstperspectief, tussen een redelijk handelende verkoper en een redelijk handelende koper tot stand zou zijn gekomen.19 De Ondernemingskamer oordeelde dat de op grond van art. 6:9 Wft vereiste vergoeding van de werkelijke waarde in overeenstemming is met art. 1 EP EVRM, omdat deze werkelijke waarde de door het EHRM voorgeschreven fair market value behelst.20 A-G Timmerman merkt in zijn conclusie op dat het EHRM zich bij de beoordeling van de aangeboden compensatie beperkt tot de vraag of de toegekende vergoeding kennelijk onredelijk is. Hij stelt dat de maatstaven die de OK voor de vaststelling van de schadevergoeding hanteert op het eerste gezicht niet ‘kennelijk onredelijk’ zijn.21 De procedure over de vaststelling van de schadeloosstelling in de SNS-zaak loopt nog, waardoor de gedupeerden nog niet in Straatsburg hebben kunnen klagen over een vermeende “excessive burden”. De Ondernemingskamer heeft zich in april 2019 gebogen over het rapport van de waarderingsdeskundigen en een nader onderzoek bevolen.22
Het EHRM heeft zich dus nog niet uitgelaten over de specifieke vraag of naleving van het NCWO-principe leidt tot een proportionele inmenging in eigendom. Uit de bestaande rechtspraak van het EHRM over andere gevallen van inmenging volgt dat wanneer het akkoord leidt tot ontneming van eigendom, de vermogensverschaffers compensatie moet worden geboden ter hoogte van de marktwaarde van het onteigende. In Bäck v. Finland, de zaak over de Finse schuldsaneringsregeling, overwoog het EHRM: “[T]he ‘market value’, if any, of the applicant’s claim, that is, the amount which anyone willing to buy the claim would have been ready to pay for it, was much less than its nominal value.”23 De kernvraag is of de prijs die een derde op vrijwillige basis bereid zou zijn te betalen voor een vordering op een onderneming in serieuze financiële moeilijkheden, gelijk is aan de verwachte uitkering in het alternatieve scenario. Dit zal mijns inziens samenhangen met de vraag hoe ernstig de financiële moeilijkheden zijn. Indien de kans op een faillissement reëel is, is onwaarschijnlijk dat kopers bereid zijn meer te betalen voor een vordering dan de verwachte uitkering die zij in een faillissement tegemoet zouden kunnen zien.24 Omdat het EHRM de verdragsluitende staten een ruime margin of appreciation toekent voor het formuleren van de wijze waarop de marktwaarde wordt vastgesteld,25 vermoed ik dat een vergelijking met de uitkering in het alternatieve scenario een juiste manier is om de marktwaarde van een vordering of aandeel te bepalen. Ik acht het aannemelijk dat een best interests-test die niet dwingt tot een vergelijking met de uitkering in geval van een stuksgewijze liquidatie, maar ruimte laat voor een uitkering op basis van een going concern-vereffening of een ‘run off-scenario’ (zie nr. 121 hiervoor), een toets aan het EVRM kan doorstaan.
126. Ook in het pre-insolventieakkoord dient de vermogensvergelijking een centrale rol in te nemen. Het referentiepunt voor de best interests-test zoals vervat in de huidige Faillissementswet en zoals aanbevolen door UNCITRAL en de Wereldbank is de uitkering die in geval van liquidatie in faillissement zou zijn verkregen. Bij een pre-insolventieakkoord ligt de vergelijking met het faillissementsscenario voor de hand, maar andere alternatieven zijn niet uitgesloten. De schuldenaar verkeert immers nog niet in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen.26 Het Nederlandse recht kent de surseanceprocedure. Hoewel succesvolle surseances zeldzaam zijn,27 moet niet worden uitgesloten dat na een mislukt preinsolventieakkoord een geslaagde surseance volgt. Zeker omdat de surseanceregeling in de toekomst mogelijk wordt opgevijzeld en daadwerkelijk als reorganisatieprocedure zou gaan functioneren, is het zuiverder om de best interests-test neutraler te formuleren. Het referentiekader zou dus moeten zijn de positie van vermogensverschaffers in het geval dat het akkoord niet tot stand komt. Deze neutralere formulering is in lijn met de Best Practices in European Restructuring.28
Het tweede uitgangspunt is dus dat individuele vermogensverschaffers als gevolg van een gehomologeerd akkoord niet – tegen hun wil – minder mogen ontvangen dan de uitkering die zij in het alternatieve scenario tegemoet hadden kunnen zien.29 Gelet op het hierna te formuleren uitgangspunt dat de financiële problemen van dien aard moeten zijn dat een faillissement waarschijnlijk moet zijn om dwangdeelname aan een akkoord te rechtvaardigen, zal in de praktijk doorgaans een vergelijking met het faillissementsscenario plaatsvinden.
Omdat het pre-insolventieakkoord anders dan de reeds bestaande insolventieakkoordprocedures óók de positie van de aandeelhouder moet kunnen wijzigen (vgl. nr. 134 en 135 hierna) is dit uitgangspunt niet geformuleerd als ‘no creditor worse off’ of ‘best interest of creditors’-test, maar als de ‘best interests-test’. Dit uitgangspunt kan uiteraard ook positief worden geformuleerd: vermogensverschaffers moeten onder het akkoord in ieder geval ontvangen wat zij in het meest waarschijnlijke alternatieve scenario zouden ontvangen. In een systeem dat een dergelijke regel bevat, kunnen partijen die in een faillissement geen enkele uitkering tegemoet zouden kunnen zien de totstandkoming van het akkoord niet blokkeren. Indien ze tegen het akkoord stemmen kunnen zij aan het plan gebonden worden, ook wanneer zij op basis van het akkoord geen enkele waarde krijgen toegekend.
127. Om vast te stellen of een akkoord ten aanzien van een individuele vermogensverschaffer de best interests-test kan doorstaan dienen drie stappen te worden gezet.30
Bepaling van het meest waarschijnlijke alternatieve scenario en de waarde die in dat scenario te verdelen valt
Deze eerste stap behelst een exercitie die reeds op grond van het eerste uitgangspunt plaats zou moeten vinden. De opbrengst of waarde die gerealiseerd zou kunnen worden in het meest waarschijnlijke alternatieve scenario moet worden vastgesteld. Vanwege de in §4.6 te bespreken pre-insolventietest is bij het meest waarschijnlijke alternatieve scenario, gelet op de huidige stand van het recht, de opening van het faillissement waarin het vermogen van de vennootschap wordt geliquideerd. Zoals beschreven in nr. 45 kan deze vereffening op twee manieren plaatsvinden: er kan een (gedeeltelijke) going concern-verkoop of een stuksgewijze verkoop plaatsvinden. Doorgaans levert een going concern-verkoop meer op, maar dat is niet altijd het geval.31 Er dient te worden aangesloten bij het meest waarschijnlijke scenario dat in het concrete geval tot de hoogste opbrengst leidt.32
Bepaling positie individuele vermogensverschaffers ten aanzien van de voor verdeling vatbare waarde in het alternatieve scenario
Nadat te verdelen waarde in het meest waarschijnlijke alternatieve scenario is vastgesteld, moet er per individuele vermogensverschaffer worden bekeken wat diens positie zou zijn bij de verdeling van de beschikbare waarde. Bij de bepaling van die positie moet acht worden geslagen op de eventuele bijzondere verhaalspositie van de individuele vermogensverschaffer. In wezen is dus een virtuele afwikkeling van de hypothetische boedel noodzakelijk.
Vergelijking positie in alternatieve scenario met de waarde van de aangeboden aanspraak op basis van het akkoord
Indien het akkoord een uitkering in contanten behelst, is het eenvoudig een vergelijking te maken tussen de verwachte uitkering in het meest waarschijnlijke alternatieve scenario (stap 2) en de uitkering op basis van het akkoord. Indien een vermogensverschaffer op basis van het akkoord recht heeft op een uitkering in natura dient eerst de waarde van deze vermogenstitel te worden vastgesteld, vooraleer de vermogensvergelijking kan worden gemaakt.33
De best interests-test biedt een absolute minimumwaarborg voor individuele vermogensverschaffers. De toets waarborgt dat de positie van vermogensverschaffers niet tegen hun wil verslechtert ten opzichte van de positie die zij op basis van hun rechten zouden innemen in het alternatieve scenario.
Sommige rechtsstelsels kennen een minimum-akkoordpercentage.34 Ook in Nederland is in het verleden nagedacht over een dergelijke bodem.35 Recent hebben Jonkers & Van Moorsel nog opgeroepen om een minimumpercentage op te nemen in de Nederlandse pre-insolventieakkoordregeling.36 Een minimumpercentage kan echter tot herverdeling leiden. Indien de groep concurrente crediteuren in het alternatieve scenario geen enkele uitkering tegemoet zou kunnen zien, zou hun positie immers verbeteren wanneer de wettelijke pre-insolventieakkoordregeling (bijvoorbeeld) een 10%-minimum zou voorschrijven. Deze herverdeling gaat ten koste van hoger gerangschikte crediteuren. In uitgangspunt 3 komt aan bod hoe de met het akkoord te realiseren waarde wél op een eerlijke manier onder de vermogensverschaffers moet worden verdeeld. Uitgangspunt is dat daarbij de rangorde wordt gerespecteerd.