Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/4.3
4.3 Uitgangspunt 1: Meerwaarde voor de gezamenlijke vermogensverschaffers
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192527:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van der Feltz II, p. 186: “Het akkoord dient om de schuldeischers de gelegenheid te geven om te beslissen over de vraag wat zij verkiezen: minnelijke liquidatie of gerechtelijke.”
Van der Feltz II, p. 151-152 en 165.
Van der Feltz II, p. 189.
Van der Feltz II, p. 146.
Kortmann & Faber 1995, p. 334.
Zie met name Jackson 1982; Baird & Jackson 1984; Jackson 1986. In de Nederlandse literatuur is deze theorie uitgebreid besproken door Tollenaar 2016, §2.2 en 2.5; Hummelen 2015, p. 23-36; Hoekstra 2005.
De creditors’ bargain theory gaat ervan uit dat crediteuren in de praktijk niet daadwerkelijk overeenstemming kunnen bereiken over een dergelijke collectieve procedure, vanwege de kosten die daarmee gepaard gaan. Bovendien is onzeker wie op het cruciale moment de crediteuren van de schuldenaar zullen zijn. Jackson 1982, p. 865-867.
Zie over dit probleem ook nr. 55.
Baird & Jackson 1984, p. 100; Jackson 1986, p. 16-18.
Baird & Jackson 1984, p. 107-108. Deze aanname is in recente literatuur in twijfel getrokken. Zie bijvoorbeeld Adler 2018 (met verdere verwijzingen); Tollenaar 2016, p. 28.
Baird & Jackson 1984, p. 104-105.
Baird & Jackson 1984, p. 100 en 103.
Zie hierover ook nr. 55. Hummelen betoogt in zijn dissertatie dat niet het common pool-probleem, maar het anticommons-probleem de normatieve verklaring en rechtvaardiging van een akkoordprocedure kan geven en dat daarom de creditors’ bargain theory aanvulling behoeft. Zie Hummelen 2015, p. 27-28; 210-211 en 244. Zie over anticommons in relatie met de totstandkoming van een akkoord ook: De Weijs 2012, p. 72-78; Tollenaar 2016, §2.4.
Jackson & Baird gebruiken de term ‘investors as a group’.
Baird & Jackson 1984, p. 104-106.
Baird & Jackson 1984, p. 100-101, 103-104.
Jackson 1982, p. 895; Hummelen 2015, p. 37.
Baird & Jackson schrijven: “[B]ankruptcy law is, and should be, concerned with the interests of those (from bondholders to unpaid workers to tort victims to shareholders) who, outside of bankruptcy, have property rights in the assets of the firm filing a petition”. Onder ‘property rights’ worden alle aanspraken jegens de schuldenaar verstaan. Vgl. Baird & Jackson 1984, p. 100.
Baird & Jackson 1984, p. 103.
Zie voor een bespreking van de ‘risk sharing theory’ (die het uitgangspunt van waardemaximalisatie onderschrijft maar een ander doel van het faillissementsrecht formuleert) en de ‘rehabilitation theory’ (waarin wordt bepleit dat de waarde van de onderneming wel degelijk mag worden herverdeeld): Hummelen 2015, p. 36-58.
Tollenaar verwoordt de rechtvaardigingsgrond voor een collectief systeem als volgt: “[A]lle betrokkenen moeten in beginsel kunnen worden geacht met het voorgestelde systeem erop vooruit te gaan ten opzichte van het alternatief (waarin het voorgestelde collectieve systeem afwezig is), althans er moet op voorhand geen deelgroep zijn aan te wijzen die er met het voorgestelde collectieve systeem materieel op achteruit kan gaan”. Hij koppelt deze rechtvaardigingsgrond aan het Pareto-criterium. Zie Tollenaar 2016, §2.6.4 en 2.6.5.
Vgl. Tollenaar 2016, §3.5; Jackson 1986, p. 2: “Bankruptcy law can and should help a firm stay in business when it is worth more to its owners alive than dead. That is a far cry, however, from saying that it is an independent goal of bankruptcy law to keep firms in operation. Not all business are worth more to their owners – or to society – alive than dead, and once one recognizes that, one has to identify which firms bankruptcy law should assist and why. Saying that bankruptcy law exists to keep firms in operation helps not at all in drawing that line.”
Zie over de reddingscultuur §3.5.2. Zie kritisch over de aanname dat een insolvente onderneming in beginsel levensvatbaar is en dus een tweede kans zou moeten krijgen: Verdoes 2016, p. 187; Verdoes & Verweij 2018.
De Europese Herstructureringsrichtlijn lijkt het crediteurenbelang niet te prioriteren, althans even zwaar te wegen als andere belangen die een herstructurering rechtvaardigen. In considerans 2 wordt overwogen dat preventieve herstructureringsstelsels “moeten helpen om te voorkomen dat banen, knowhow en vaardigheden verloren gaan, en leiden tot een zo groot mogelijke totale waarde voor schuldeisers – ten opzichte van wat zij zouden ontvangen bij vereffening van de activa van de onderneming of in het best mogelijke alternatieve scenario bij ontbreken van een plan -, alsmede voor de eigenaars en de economie in haar geheel.”
In dezelfde zin Tollenaar 2016, §3.5.
HR 24 februari 1995, NJ 1996/472 m.nt. Kleijn (Sigmacon II).
HR 19 april 1996, NJ 1996/727 m.nt. Kleijn; JOR 1996/48 m.nt. Kortmann (Maclou).
HR 19 december 2003, NJ 2004/293 m.nt. Brunner; JOR 2004/61 m.nt. Van Hees (Curatoren Mobell/Interplan).
Zie bijvoorbeeld Van Zanten 2012, §2.5; Verstijlen 1998, hoofdstuk IX; Huydecoper 2007; Wessels 2008, §3; Jongepier 2018. Vgl. ook het Voorontwerp Insolventiewet, p. 6(t): “Een reorganisatie dient evenwel niet ten koste te gaan van de belangen van het collectief van de schuldeisers. Een reorganisatie is bezwaarlijk te rechtvaardigen indien daarbij de gezamenlijke schuldeisers in betekenende mate minder ontvangen dan in geval van liquidatie.”
Zie over de vraag of het Nederlandse faillissementsrecht – mede gelet op de rol die maatschappelijke belangen daarin spelen – in lijn is met de creditors’ bargain theory Hummelen 2015, p. 137-140; Hoekstra 2005.
Vgl. 6(t) Voorontwerp Insolventiewet: “Niet alleen het belang van de schuldeisers, maar ook het algemeen belang vereist dat het insolventierecht is gericht op maximalisatie van de waarde van de boedel – ongeacht de wijze waarop dat in een concreet geval het beste kan worden gerealiseerd – en dat wordt voorzien in een tijdige en efficiënte afwikkeling van de insolventie. Veelal zal dit eveneens in het belang van de schuldenaar zijn. In de gevallen waarin reorganisatie van de onderneming van de schuldenaar vanuit economisch oogpunt mogelijk en wenselijk is – hetzij in de vorm van sanering van de schuldenpositie van de schuldenaar door middel van een akkoord (in of buiten insolventie), hetzij in de vorm van reorganisatie van de onderneming door middel van overdracht van (delen van) de onderneming aan een derde –, dient voortijdige ontmanteling van de onderneming van de schuldenaar te worden voorkomen. De wet dient derhalve meer dan thans het geval is instrumenten te bieden voor de reorganisatie van een onderneming of een deel daarvan, voor zover deze mogelijk en economisch verantwoord is zonder nadeel van betekenis voor de gezamenlijke schuldeisers.”
Zie ook Tollenaar 2017b, §2.2.2; Tollenaar 2016, §2.5, 3.2 en 3.5; Tollenaar 2017a, §3.1. Zie over de “basisrechtvaardiging” voor onteigening onder dwang ook: Jonkers & Van Moorsel 2019, p. 2.
Vgl. Jackson 1986, p. 212-213.
UNCITRAL Legislative Guide on Insolvency Law 2005, p. 11. Zie voor een soortgelijke benadering: Core Principles for an Insolvency Law Regime 2004, nr. 3.
Tollenaar 2016, §3.4.3.1; Jackson 1986, p. 211.
Hof Amsterdam (OK) 16 april 2019, JOR 2019/134 m.nt. Josephus Jitta.
Vgl. §2.3.5.
Vgl. §2.3.3.3.
Vgl. §2.3.6.
Jackson 1986, p. 215-216.
Tollenaar 2016, p. 62-63.
Tollenaar 2016, p. 63.
Zie uitgebreider over deze manier van herstructureren Tollenaar 2016, §3.4.3.2.
Jackson 1986, p. 214 (“The underlying justification for a reorganization process (…) must be that the assets are worth more to the claimants themselves than they would be to third parties”).
Crystal & Mokal 2006a, p. 64-65; Shleifer & Vishny 1992.
Tollenaar 2016, p. 61-62. Tollenaar vat de meerwaarde van een reorganisatie samen als het verschil tussen een distressed en een non-distressed verkoop van de onderneming als going concern, vgl. Tollenaar 2016, p. 63-64.
Het pre-insolventieakkoord moet voor de gezamenlijke vermogensverschaffers meerwaarde realiseren ten opzichte van het scenario dat waarschijnlijk zou volgen wanneer het akkoord niet tot stand zou komen.
118. De totstandkoming van een pre-insolventieakkoord heeft meerwaarde voor de schuldenaar, die immers een dreigend faillissement kan afwenden en zijn onderneming met een gesaneerde schuldenlast kan voortzetten binnen dezelfde rechtspersoon. Het belang van de schuldenaar bij de continuïteit van de onderneming prevaleert echter niet boven de belangen van de vermogensverschaffers. Er is mijns inziens slechts ruimte voor een akkoord voor zover de gezamenlijke vermogensverschaffers gebaat zijn bij de totstandkoming van het pre-insolventieakkoord. Het akkoord moet voor de vermogensverschaffers als groep meerwaarde creëren ten opzichte van het scenario dat waarschijnlijk zou volgen wanneer het akkoord geen doorgang vindt.
De notie dat het akkoord niet alleen de schuldenaar tot voordeel mag strekken is ook terug te vinden in de parlementaire geschiedenis van het faillissementsakkoord. Het akkoord biedt de schuldeisers de kans om voor een alternatief afwikkelingsmechanisme te opteren.1 De wetgever van 1893 beschrijft dat een akkoord een dubbel karakter heeft. Het is “een ‘beneficium’ voor de gefailleerde, maar strekt tevens ten behoeve van de schuldeisers”.2 Uit de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp van 1890:
“Verder houde men in ’t oog, dat het akkoord niet zoozeer is eene kwijtschelding als wel eene regeling van de wijze waarop de schuldeisers buitengerechtelijk voldaan zullen worden, altijd voor zoverre voldoening mogelijk is; eene minnelijke executie, waarbij de schuldeischers alleen afstand doen van hetgeen niet te verhalen is. Het akkoord wordt door de schuldeischers aangenomen, niet om rechten prijs te geven of een geschenk te doen, maar om zooveel te verkrijgen als onder de gegeven omstandigheden mogelijk is.”3
In het Verslag van de Tweede Kamer wordt nog het volgende opgemerkt:
“Een akkoord moet alleen dan worden aangegaan, wanneer de schuldeischers er besliste voordeelen uit trekken; de gefailleerde moet zich niet door het akkoord, dank zij allerlei kunstmiddelen, op weinig moeitevolle wijze van zijne verplichtingen in de toekomst kunnen ontslaan.”4
Ook bij de invoering van het surseanceakkoord stond het belang van de schuldeisers voorop:
“De regeling van het dwangakkoord moet zoodanig zijn, dat den schuldeischers zooveel mogelijk wordt gewaarborgd, dat het akkoord inderdaad in hun aller belang is.”5
Het akkoord moet dus in het voordeel van de gezamenlijke vermogensverschaffers zijn door hun zoveel als in de gegeven omstandigheden mogelijk is te doen toekomen. Populair gezegd dient het akkoord de taart te vergroten.
119. Deze passages uit de parlementaire geschiedenis zijn in verband te brengen met de ‘creditors’ bargain theory’, die ongeveer een eeuw later werd ontwikkeld. Deze door Thomas Jackson en Douglas Baird voorgestane leer is internationaal gezien de meest invloedrijke theorie over de rechtvaardiging en het doel van het faillissementsrecht.6 De kerngedachte van Jackson en Baird is dat het faillissementsrecht moet voorzien in een systeem waarmee crediteuren op voorhand en zonder te weten wat hun toekomstige positie zal zijn, zouden instemmen.7 De gedachte is dat crediteuren zullen instemmen met een collectief verhaalssysteem waarin zij er als groep op vooruit zouden gaan in vergelijking met de situatie dat zij allen individueel verhaal zouden nemen. De theorie veronderstelt dat in een insolventie-situatie bij gebreke van een collectieve procedure een ‘common pool’-probleem zal ontstaan.8 Crediteuren zouden op een ongecoördineerde wijze individueel verhaal nemen op de goederen van de schuldenaar en op deze wijze een suboptimale opbrengst genereren. Individuele crediteuren zouden alleen oog hebben voor hun eigen belang. Een stuksgewijze verkoop van de activa leidt doorgaans tot een lagere opbrengst dan wanneer de activa gezamenlijk worden verkocht. Als gevolg van deze ‘free-for-all’-situatie vervliegt de eventuele meerwaarde die een ‘going concern’ verkoop zou realiseren. Geen van de crediteuren heeft echter de mogelijkheid om de uitwinning door andere schuldeisers te verhinderen. Dit common pool-probleem leidt tot een suboptimaal gebruik van de goederen.
Volgens Jackson en Baird is het doel van het faillissementsrecht het voorkomen van het beschreven coördinatieprobleem.9 De ‘hypothetical creditors’ bargain’ houdt in dat crediteuren bereid zijn hun individuele verhaalsrechten op te laten gaan in een collectieve verhaalsregeling indien dat tot de hoogste opbrengst voor de groep leidt.10 Jackson en Baird brengen een scherp onderscheid aan tussen de vraag hoe de activa van de schuldenaar moeten worden gebruikt om zo de meeste waarde te realiseren en de vraag hoe de aldus gerealiseerde waarde moet worden verdeeld.11 De creditors’ bargain theorie formuleert drie beginselen waaraan het faillissementsrecht moet voldoen:
“(…) bankruptcy law to its core should be designed to keep individual actions against assets, taken to preserve the position of one investor or another, from interfering with the use of those assets favored by the investors as a group.”
“Bankruptcy law should change a substantive non-bankruptcy rule only when doing so preserves the value of assets for the group of investors holding rights in them.”
“Bankruptcy law should focus only on the interests of those who, outside bankruptcy, have property rights in the assets of the firm.”12
Op grond van het eerste beginsel moet het faillissementsrecht zodanig worden ingericht dat het coördinatieprobleem wordt verholpen. In de literatuur is opgemerkt dat in het kader van de totstandkoming van een akkoord niet zozeer het common pool-probleem, maar het anticommons-probleem het coördinatieprobleem is dat oplossing behoeft. In een anticommons-situatie heeft elke individuele schuldeiser de mogelijkheid om een optimaal plan te doorkruisen.13 Het faillissementsrecht moet faciliteren dat de activa van de schuldenaar op een zodanige manier worden ingezet dat daarmee een maximale opbrengst voor de vermogensverschaffers14 kan worden gerealiseerd. De vraag op welke manier de activa van de schuldenaar moeten worden ingezet om daarmee een maximale opbrengst te realiseren moet volgens Jackson en Baird beantwoord worden door te bezien welke beslissing zou worden genomen indien er slechts één eigenaar of crediteur zou zijn. Dit individu zou opteren voor een methode die tot waardemaximalisatie leidt.15
Op grond van het tweede beginsel moeten de vóór het faillissement bestaande rechten van crediteuren gerespecteerd worden. Wijzigingen van materiële rechten zijn slechts toegelaten indien dat tot waardemaximalisatie leidt. Wanneer vermogensverschaffers in een faillissement een andere positie zouden innemen dan daarbuiten kunnen immers prikkels ontstaan om het faillissement aan te vragen, ook al is dat geheel niet in het belang van de groep vermogensverschaffers als geheel.16 Uit dit tweede beginsel vloeit voort dat in faillissement geen herverdeling plaats zou mogen vinden.17
Het derde beginsel houdt in dat het faillissementsrecht alleen aandacht mag hebben voor de aanspraken van de vermogensverschaffers.18 Alle andere belangen, zoals belangen van maatschappelijke aard of het belang dat werkgelegenheid blijft behouden, moeten op een andere plaats dan in het faillissementsrecht worden geregeld.19
De beginselen dat in een faillissement louter de belangen van crediteuren centraal staan en dat in faillissement geen herverdeling plaats mag vinden, zijn bekritiseerd in de literatuur.20 De gedachte dat een collectief proces in geval van faillissement gunstiger is dan individuele ongecoördineerde verhaalsacties en dat het collectieve proces waardemaximalisatie moet faciliteren, wordt evenwel breed onderschreven en kan dan ook als uitgangspunt voor het pre-insolventieakkoord fungeren.21
120. Uit het voorgaande volgt dat het redden van ondernemingen geen doel op zich is, maar dat het behoud van een onderneming hoogstens een uitvloeisel kan zijn van de conclusie dat in een concreet geval het behouden van de onderneming als going concern in het belang is van de gezamenlijke crediteuren.22 In de zogenaamde reddingscultuur die sinds enige tijd wereldwijd haar opmars maakt in het insolventierecht dient dit niet uit het oog te worden verloren.23 Een akkoord is bovendien een mogelijke manier om de going concernwaarde van de onderneming te preserveren, maar niet de enige route. Het enkele feit dat met een akkoord werkgelegenheid kan worden behouden of de continuïteit van de onderneming kan worden veiliggesteld, rechtvaardigt dus niet dat crediteuren gedwongen kunnen worden mee te werken aan een plan. Dat plan kan en mag alleen tot stand komen en worden opgelegd aan crediteuren wanneer dat plan voor de gezamenlijke crediteuren het meest gunstige alternatief is.24 Wanneer dat het geval is, heeft de totstandkoming van het akkoord tot gevolg dat de onderneming binnen dezelfde rechtspersoon blijft voortbestaan, en dat als gevolg daarvan – behoudens een separate arbeidsrechtelijke reorganisatie van het personeelsbestand – werkgelegenheid behouden blijft.25
Deze conclusie is in lijn met de heersende leer over de verhouding tussen de belangen van de gezamenlijke crediteuren en maatschappelijke belangen die bij een faillissement een rol spelen. Sinds de jaren 80 hebben maatschappelijke belangen, zoals het behoud van werkgelegenheid en de continuïteit van de onderneming, een plek in het Nederlandse insolventierecht verworven. Uit de arresten Sigmacon II,26 Maclou27 en Curatoren Mobell/Interplan28 volgt dat een curator bij de uitoefening van zijn taak mede acht dient te slaan op maatschappelijke belangen. In een concreet geval mogen zwaarwegende maatschappelijke belangen prevaleren boven het belang van een individuele schuldeiser. Maatschappelijke belangen kunnen het belang van de gezamenlijke crediteuren echter niet opzij zetten. 29 Het belang van de gezamenlijke crediteuren staat aldus nog steeds voorop in het Nederlandse faillissementsrecht.30
Hoewel het redden van ondernemingen dus geen doel van faillissementsrecht zou moeten zijn, dient het faillissementsrecht voldoende efficiënte instrumenten te bieden om waardemaximaliserende reorganisaties te faciliteren.31
121. Waardemaximalisatie ten behoeve van de crediteuren is dus het uitgangspunt.32 De kernvraag is vervolgens hoe moet worden vastgesteld of het akkoord inderdaad tot een beter resultaat voor de gezamenlijke vermogensverschaffers leidt.33 Deze vraag dient beantwoord te worden door te onderzoeken welke reorganisatie- of liquidatiemethode tot waardemaximalisatie zal leiden. Reorganisatie door middel van een akkoord wordt wel gerechtvaardigd door te stellen dat het bijeenhouden van de activa van de onderneming in vergelijking met een stuksgewijze verkoop van de boedel tot waardemaximalisatie leidt, en daardoor in het belang is van de crediteuren. Zo meldt de UNCITRAL Legislative Guide on Insolvency Law:
“Insolvency law should include the possibility of reorganization of the debtor as an alternative to liquidation, where creditors would not involuntarily receive less than in liquidation and the value of the debtor to society and to creditors may be maximized by allowing it to continue. This is predicated on the basic economic theory that greater value may be obtained from keeping the essential components of a business together, rather than breaking them up and disposing of them in fragments.”34
Dat met een akkoord de going concernwaarde kan worden bewaard is op zichzelf echter geen voldoende reden om aan te nemen dat het akkoord meerwaarde realiseert. Zoals reeds bleek in §2.3.4 kan de going concernwaarde van een onderneming in veel gevallen ook gerealiseerd worden door middel van liquidatie.35 De (al dan niet voorbereide) doorstart uit faillissement illustreert deze mogelijkheid. Hoewel sprake is van liquidatie van het vermogen van de schuldenaar, is het resultaat daarvan dat (een deel van de) de onderneming kan voortbestaan en dat de going concernwaarde zoveel als mogelijk wordt gerealiseerd.
De vraag of een akkoord in een gegeven situatie tot waardemaximalisatie zal leiden moet dus beantwoord worden door een vergelijking te maken met de waarde die kan worden gerealiseerd in het scenario dat zich waarschijnlijk zal voltrekken wanneer het akkoord niet tot stand zou komen. Ik ga hieronder slechts van één alternatief scenario uit, maar het is mogelijk dat er meerdere scenario’s mogelijk zijn. In dat geval zou uit moeten worden gegaan van het meest realistische scenario. Illustratief is in dit kader de procedure omtrent de schadeloosstelling van de onteigende houders van SNS-effecten. De waarderingsdeskundigen meenden dat er twee mogelijke alternatieve scenario’s bestonden. De Ondernemingskamer oordeelt echter dat er slechts één realistisch alternatief scenario bestond voor de onteigening.36 Deze vergelijking zal zich doorgaans centreren rondom de vraag in hoeverre een going concern verkoop kan worden gerealiseerd, al dan niet vanuit surseance of faillissement. De centrale vraag is dus of een verkoop aan een derde of een verkoop aan de vermogensverschaffers de hoogste waarde realiseert.37
122. De vergelijking met het alternatieve scenario dient in concreto plaats te vinden. Bij de analyse van de waarde die in dit scenario kan worden gerealiseerd, moet dus acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen de in §2.4 besproken voor- en nadelen van de diverse wijzen van reorganisatie een rol spelen, alsmede de praktische en juridische belemmeringen van een bepaalde reorganisatieroute.
Een akkoord kan – als wijze van reorganisatie binnen de rechtspersoon – voordelen bieden doordat bijvoorbeeld vergunningen, werknemers en belangrijke contracten behouden blijven (vgl. §2.3.4). Bovendien biedt een akkoord veel flexibiliteit: de aanbieder kan de vermogensverschaffers op diverse manieren een offer vragen. Een ander mogelijk voordeel van het pre-insolventieakkoord is dat het akkoord tot stand kan komen zonder dat de opening van een formele insolventieprocedure noodzakelijk is. Daardoor blijft een onderneming mogelijk desintegratieschade gespaard.38 Nadeel van een akkoordproces is dat medewerking of stemming van alle betrokken vermogensverschaffers noodzakelijk is hetgeen enige tijd in beslag neemt.39 Bovendien kunnen de onderhandelingen over het akkoord – in het bijzonder over de waarderingsvraagstukken – kostbaar zijn.40 Daarnaast kan een herstructurering ook een waardedrukkend effect hebben omdat ter zake van door het akkoord toegekende schuldinstrumenten en aandelen mogelijk een waarde-afslag plaatsvindt vanwege incourantheid en een gebrek aan controle.41
De in nr. 35 besproken doorstart kan ook een reële reorganisatiemethode zijn. Met een dergelijke doorstart wordt doorgaans een hogere opbrengst gerealiseerd dan in geval van stuksgewijze verkoop. Hoewel de continuïteit van de onderneming (gedeeltelijk) wordt veiliggesteld, leidt deze manier van reorganiseren wel tot de liquidatie van de vennootschap. Het moet mogelijk zijn de onderneming los te weken van de rechtspersoon waarin zij gedreven wordt. De koper moet belangrijke overeenkomsten overnemen of opnieuw sluiten. Ook licenties en vergunningen zal de koper doorgaans opnieuw moeten aanvragen. De doorstart is een paardenmiddel, dat pas in een zeer laat stadium van de financiële moeilijkheden kan worden ingezet. De opening van de formele insolventieprocedure leidt onvermijdelijk tot desintegratieschade, mede als gevolg van het stigma dat aan een faillissement kleeft. Deze schade drukt de waarde die in dit scenario kan worden gerealiseerd. Een doorstart heeft echter als voordeel voor de koper dat hij de waarde van de onderneming als geheel en als enige ter beschikking krijgt, terwijl bij een herstructurering de onderneming in zekere zin verkocht wordt aan een grote groep vermogensverschaffers. Dit voordeel heeft een prijsverhogend effect.42
Tollenaar heeft uiteengezet dat een onderneming ook aan een derde verkocht kan worden door middel van een akkoord. In een dergelijke constructie worden de aandelen in de vennootschap overgedragen aan de koper. Vervolgens worden de vorderingen van de schuldeisers (gedeeltelijk) voldaan met door de koper verstrekte financiering. Op deze manier zouden de belangrijkste nadelen van de huidige doorstartmethode kunnen worden ondervangen. Omdat de onderneming binnen dezelfde rechtspersoon blijft, blijven belangrijke contracten en licenties intact. Doordat er geen faillissement wordt geopend, zal de onderneming desintegratieschade grotendeels bespaard blijven.43
123. In de literatuur is wel geconcludeerd dat een akkoord slechts gerechtvaardigd is in die gevallen waarin een verkoop aan een derde minder zou opleveren dan de waarde die de crediteuren aan de onderneming toeschrijven.44 Dat de gepercipieerde marktwaarde niet in de markt kan worden gerealiseerd kan diverse oorzaken hebben. Zo is denkbaar dat er geen kopers te vinden zijn, bijvoorbeeld omdat de gehele bedrijfstak in financiële problemen verkeert of omdat de potentiële kopers de financiering niet rondkrijgen.45 Het verschil kan ook ontstaan wanneer de verkoop betrekking heeft op illiquide of incourante goederen.46
De vaststelling dat het akkoord in concreto waardemaximaliserend moet zijn ten opzichte van alternatieve scenario’s impliceert dat ook het feit dat een rechtsstelsel slechts inefficiënte juridische instrumenten kent waarmee een doorstart kan worden gerealiseerd, invloed zal hebben op de vraag of een verkoop aan een derde of een verkoop aan de vermogensverschaffers tot waardemaximalisatie leidt. Naarmate de technieken om naar Nederlands recht een going concern doorstart te realiseren verfijnder en efficiënter worden, zal er minder snel plaats zijn voor een akkoord. Wijzigingen van de Faillissementswet die een liquidatie-akkoord mogelijk maken, de surseance een facelift geven en/of de pre-pack een wettelijke basis geven, zullen invloed hebben op de beantwoording van de vraag of met een akkoord meerwaarde wordt gerealiseerd.
Resumerend: het akkoordproces strekt ertoe om in die gevallen waarin een akkoord de hoogste waarde voor de crediteuren zou realiseren, te faciliteren dat het ook daadwerkelijk tot stand kan komen. De pre-insolventieakkoordprocedure maakt het mogelijk het in nr. 55 en nr. 119 besproken gevaar van de anticommons onschadelijk te maken en daarmee te voorkomen dat enkele schuldeisers verhinderen dat de oplossing die in het belang van allen is, tot stand komt.