Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.4.2
3.4.2 Algemene Eingriffskondiktion
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS501121:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een zeer uitvoerige bespreking van de Eingriffskondiktion: Linssen 2001.
De term ‘rechtspositie’ (een door het recht beschermd belang) is niet bijzonder scherp, maar wordt door de auteurs en het BGH gebruikt om aan te geven dat het bij de toepassing van de Nichtleistungskondiktion niet per se gaat om absolute rechten. In §816 lid 2 vindt men een bijzondere regeling voor een inbreuk op een rechtspositie, waarbij het niet gaat om een absoluut recht. In deze bepaling wordt aan de verrijkingsschuldeiser een aanspraak gegeven tegen iemand die onbevoegd een prestatie heeft aangenomen die de verrijkingsschuldeiser met uitsluiting van ieder ander toekwam maar waarbij de presterende partij bevrijdend heeft betaald.
BGHZ 107, 117.
BGH NJW 1981, p. 1602. 101
BGHZ 82, 299; Von Caemmerer 1954, p. 356-360. Reuter & Martinek 1983, p. 568; Medicus 2004, nr. 714; Lorenz 2007, nr. 23.
De Eingriffskondiktion is zowel in de literatuur als de praktijk de belangrijkste Nichtleistungskondiktion.1 De Eingriffskondiktion geeft recht op afdracht van behaald voordeel dat de verrijkingsschuldenaar heeft genoten door onbevoegd een inbreuk te maken op bepaalde rechten of rechtsposities van de verrijkingsschuldeiser.2 Volgens de heersende leer geeft niet elke inbreuk op een rechtspositie van de verrijkingsschuldeiser recht op afdracht van behaald voordeel. Het moet gaan om inbreuken op rechten of rechtsposities die de verrijkingsschuldeiser bepaalde exclusieve bevoegdheden toekennen (‘zuweisen’). Men spreekt van rechtsposities met ‘Zuweisungsgehalt’. Het gaat er niet om dat de inbreuk toerekenbaar onrechtmatig is, maar dat de verrijkingsschuldeiser exclusief bevoegd is tot de economische exploitatie van de rechtspositie.3 Rechtsposities die de rechthebbende een dergelijke exclusieve gebruiks- of exploitatiebevoegdheid geven zijn bijvoorbeeld het eigendomsrecht, het algemene persoonlijkheidsrecht en de intellectuele eigendomsrechten.
Uit het exclusieve karakter van een rechtspositie volgt dat de verrijkingsschuldeiser als enige bevoegd is tot exploitatie. Met andere woorden, bij exclusieve rechtsposities komen de voordelen uitsluitend aan hem toe. Deze rechten vloeien daarom uit zijn vermogen, ook als hij geen concrete schade heeft geleden.
Het vereiste van Zuweisungsgehalt zorgt voor een beperking van het bereik van de Eingriffskondiktion. Alleen voordelen die door de verrijkingsschuldenaar worden genoten, terwijl zij exclusief toekomen aan de verrijkingsschuldeiser, vloeien voort uit het vermogen van de verrijkingsschuldeiser. Andere verrijkingen die worden genoten als gevolg van gedrag waarvan de verrijkingsschuldenaar zich dient te onthouden, vormen geen verrijking ten koste van de schuldeiser in de zin van §812. Het vereiste van Zuweisungsgehalt voorkomt dat elke onrechtmatige gedraging die leidt tot een verrijking een recht op voordeelsafgifte doet ontstaan.
Verder volgt uit het Zuweisungsgehalt dat de verrijking zonder rechtsgrond is als daarvoor niet een bijzondere rechtvaardiging bestaat. Uit de exclusieve bevoegdheid tot gebruik en exploitatie volgt dat de verrijking zonder bijzondere rechtvaardiging niet bij de verrijkingsschuldenaar thuishoort. Hij geniet de verrijking dan zonder rechtsgrond.
Een verrijking kan worden gerechtvaardigd door een rechtshandeling, zoals de verschaffing van een licentie, door een wettelijke bepaling of door een rechterlijke uitspraak die kracht van gewijsde heeft.
In sommige gevallen is de verrijking de consequentie van een wettelijke bepaling, zoals bij verrijkingen die plaatsvinden wanneer een zaak van de verrijkingsschuldeiser wordt nagetrokken door een zaak van de verrijkingsschuldenaar. Niet altijd is een dergelijke verrijking gerechtvaardigd. Waar het om gaat is of de wetgever een nieuwe verdeling van de rechtsposities heeft gewild. Anders gezegd, het gaat erom of het wettelijke voorschrift dat in de verrijking resulteerde tegelijkertijd een rechtsgrond vormt voor het behouden van deze verrijking.4
Het komt daarmee aan op de uitleg van de wettelijke bepalingen die in een verrijking resulteren. In een enkel geval heeft de wetgever dit zelf duidelijk gemaakt. Zo heeft hij zelf bepaald in §951 dat verrijkingen ten gevolge van natrekking, vermenging en zaaksvorming niet worden gerechtvaardigd door de wet. Met de verwezenlijking van een bedoeling van de verrijkingsschuldeiser heeft dit alles niet zo veel te doen. Hieruit blijkt dat het begrip rechtsgrond bij Nichtleistungen een andere invulling heeft dan bij Leistungen. Daar vormt de verwezenlijking van de bedoeling immers de rechtsgrond.
Ten slotte wordt uit het ‘Zuweisungsgehalt’ afgeleid waar de verrijkingsschuldeiser aanspraak op maakt, met andere woorden, wat de inhoud van zijn vordering is. Aangezien de verrijkingsschuldeiser exclusief bevoegd was tot de exploitatie van de rechtspositie, heeft hij recht op een exploitatievergoeding.5 Gebruik en exploitatie moeten worden vergoed naar hun marktwaarde, die doorgaans wordt begroot op de waarde van een licentie. Als de verrijkingsschuldenaar een hogere opbrengst dan de waarde van de licentie heeft behaald, kan de schuldeiser daarvan geen afdracht vorderen. Een hogere opbrengst wordt beschouwd als een gevolg van omstandigheden die liggen in de sfeer van de verrijkingsschuldenaar.