Wie heeft de leiding?
Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/6.4.1.4:6.4.1.4 Overige wet- en regelgeving?
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/6.4.1.4
6.4.1.4 Overige wet- en regelgeving?
Documentgegevens:
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS614948:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Eerder is al genoemd dat Gasunie in zijn overeenkomsten met grondeigenaren of gebruikers de zogenaamde `A.V.L.-voorwaarden' van toepassing verklaart.
Kamerstukken 11 2005/06, 30 096 en 26 213, nr. 24, p. 2.
Kamerstukken 12003/04, 28 851, F, p. 3.
BR 13 augustus 2004, NTFR 2004, 1309 m.nt. Van der Burg.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Buiten de hiervoor genoemde Tw en Bwp zijn in andere wetten weinig regels gegeven ten aanzien van het gedogen van activiteiten die te maken hebben met het aanleggen of in standhouden van netten in andermans grond. In de Gaswet is weliswaar geregeld dat de netbeheerder verantwoordelijk is voor het in werking hebben, onderhouden, ontwikkelen of repareren van zijn gastransportnet (artikel 10 e.v.), maar een gedoogplicht voor degene in wiens grond deze activiteiten plaatsvinden is niet opgenomen. Beheerders zullen voor aanleg e.d. met iedere betrokken (grond)eigenaar aparte afspraken moeten maken om bepaalde activiteiten ten behoeve van het gastransportnet uit te (kunnen) voeren.1 De bepalingen uit (bijvoorbeeld) de Tw analoog toepassen is derhalve niet mogelijk. Dit geldt ook voor aanleg van voorzieningen op basis van de Elektriciteitswet 1998 en de Waterleidingwet, met dien verstande dat voor de aanleg e.d. van elektriciteitskabels ook een gedoogplicht in de zin van de Bwp kan worden opgelegd. In artikel 20 van de Elektriciteitswet 1998 is bepaald dat een zodanig net voor de toepassing van de Bwp wordt aangemerkt als een openbaar werk van algemeen nut. De minister van BZK heeft in het kader van de afschaffing van de precariobelasting op netten in een brief aan de Tweede Kamer aangegeven dat onderzocht zou worden of de invoering van gedoogplichten in andere wetten dan de Gemeentewet niet een betere optie is:2
`In de Tw is al een gedoogplicht ingevoerd die inhoudt dat gemeenten kabels en leidingen voor telecommunicatie in haar grond moeten gedogen en er dus geen geld voor kunnen vragen. Ook overweeg ik een dergelijke gedoogplicht voor kabels en leidingen voor elektriciteit en water in te voeren in de respectievelijke wetten.'
Een ander verschil tussen de aanleg van telecomnetten en overige netten voor nutsvoorzieningen is nog dat voor de aanleg van telecomnetten en het hebben van die netten in andermans grond géén vergoeding verschuldigd is, terwijl voor aanleg van andere nutsleidingen dit doorgaans wel het geval zal zijn.3
Gemeenten hebben niet zonder meer en analoog aan de Tw een gedoogplicht ten aanzien van het hebben en houden van gas- en elektriciteitsnetten door netbeheerders van nutsvoorzieningen. Dit is bevestigd in het arrest van de Hoge Raad uit 2004.4 In dit arrest ging het om het volgende. Op grond van de Elektriciteitsverordening voor Zuid-Holland en de Gasverordening Zuid-Holland is aan beheerder vergunning verleend voor de levering van elektriciteit en uitoefening van het gasbedrijf in (onder meer) de gemeente Wateringen. Per 1 januari 1994 is als gevolg van een gemeentelijke grenswijziging een gebied dat voordien in de gemeente Wateringen lag, binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Den Haag komen te liggen. De grenswijziging heeft tot gevolg gehad dat de door de beheerder beheerde gasleidingen en elektriciteitskabels die voorheen in grond van de gemeente Wateringen lagen, met ingang van 1 januari 1994 zijn komen te liggen in grond van de gemeente Den Haag. In het kader van de grenswijziging heeft de beheerder van de vergunninghouder in de gemeente Den Haag het verzoek ontvangen om voor een overgangsperiode de energielevering te blijven verzorgen in het naar de gemeente Den Haag overgegane gebied. De beheerder ontving vervolgens van gemeente Den Haag aanslagen in verband met precarioheffingen ter zake van het hebben van leidingen en kabels in voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. De beheerder maakte hiertegen bezwaar met de stelling dat de gemeente Den Haag de gedoogverplichtingen ten aanzien van het hebben en houden van gas- en elektriciteitsleidingen in gemeentegrond van de gemeente Wateringen had over te nemen. Het Gerechtshof te Den Haag bevestigde de stelling van de beheerder. De Hoge Raad oordeelde echter dat de enkele omstandigheid dat de beheerder op grond van de haar door de provincie verleende vergunning gehouden was in de gemeente Wateringen (later Den Haag) gas en elektriciteit te leveren, evenwel voor die gemeente(n) niet de verplichting meebracht te gedogen dat de haar toebehorende grond zou worden gebruikt om daarin de voor die leveringen nodige leidingen en kabels te laten liggen. Voor zover 's Hofs weergegeven gevolgtrekking steunt op de opvatting dat de bedoelde omstandigheid wel zonder meer een gedoogverplichting als hiervoor bedoeld meebracht, berust 's Hofs oordeel op een onjuiste rechtsopvatting. De gemeente Den Haag hoefde dan ook niet zonder meer de leidingen van de beheerder in gemeentegrond te gedogen op basis van het feit dat de beheerder over een (provinciale) vergunning beschikte voor levering van gas en elektriciteit.