Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/5.3.2
5.3.2 De (on)gegrondheid van de vordering
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS494630:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 november 2003, LJN AO1606, «JOR» 2004, 115, m.nt. E. Loesberg (Danilo Jordan/Scanimex).
Beslagsyllabus augustus 2012, p. 8, in ieder geval sedert de Beslagsyllabus mei 2007, noot 4.
Vzr. rb. Amsterdam 7 april 2011, LJN BQ3375, vzr. rb. Haarlem 29 juli 2011, LJN BR3950, gerechtshof Amsterdam 22 november 2011, LJN BV7108 (afwijzing beslagverlof), pres. rb. Rotterdam 16 maart 1993, LJN AH4178 en vzr. rb. Breda 29 augustus 2007, LJN BB3121, vzr. rb. Amsterdam 19 november 2010, LJN BT6524, vzr. rb. Arnhem 3 november 2011, LJN BU6612, vzr. rb. Amsterdam 25 november 2011, LJN BU 6172, gerechtshof Amsterdam, 10 januari 2012, LJN BV0477, vzr. rb. Haarlem 16 januari 2012, LJN BV3921, NJF 2012/210, (opheffing beslag in kort geding). Zie hieromtrent ook paragraaf 9.2.6.2.
Gerechtshof Amsterdam, 10 januari 2012, LJN BV0477. In dit geval informeerde de verzoeker de voorzieningenrechter niet over eerdere procedures tussen partijen en de afloop daarvan.
Beslagsyllabus juni 2011 en augustus 2012, p. 4-5.
De wijzigingen zijn door het LOVCK vastgesteld in vervolg op het rapport dat werd uitgebracht over het onderzoek naar conservatoir beslag (Meijsen & Jongbloed 2010a Research Memorandum), gehoord hebbende de NOvA en de KBvG.
Het tweede criterium van beoordeling betreft de gegrondheid van het recht dat door de verzoeker aan het verzoek tot het leggen van conservatoir beslag ten grondslag wordt gelegd. Van groot belang is hierbij de informatie die de voorzieningenrechter ter beschikking heeft om zich een beeld van het door de verzoeker ingeroepen recht te vormen. Het is met name dit criterium dat, mocht het tot een opheffingskortgeding komen, in veel gevallen weer een rol gaat spelen. Het betreft de in artikel 705 lid 2 Rv genoemde opheffingsgrond ‘summierlijk blijken van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht’. De voorzieningenrechter beoordeelt in het stadium van verlofverlening of de stellingen van de verzoeker, uitgaande van de juistheid hiervan, tot een vordering kunnen leiden. Ofwel: er moet een behoorlijke kans zijn dat de vordering, uitgaande van de juistheid van het gestelde, in een bodemprocedure wordt toegewezen. Deze benadering ligt in de lijn van met de interpretatie van Loesberg in diens annotatie bij het arrest Danilo Jordan/Scanimex,1 waarnaar in de Beslagsyllabus wordt verwezen:2
‘Ik vraag mij af op grond waarvan het verlof moet worden verleend dan wel moet worden geweigerd. In ieder geval zal aannemelijk moeten zijn dat de verzoeker een vordering op de gerekwestreerde (beoogd beslagene: MM) heeft. De President van één van de rechtbanken heeft in dit verband tijdens een cursus opgemerkt dat hij het verzoekschrift ‘toetst’ aan artikel 139 Rv. Zijns inziens is de vordering voldoende aannemelijk indien de vordering zou kunnen worden toegewezen in het geval niet sprake zou zijn van een verzoek om beslag te mogen leggen, maar van een vordering in een dagvaardingsprocedure waarbij aan de gedaagde verstek is verleend. Dit lijkt mij een juiste benadering’. (Curs.: MM).
Het bovenstaande houdt een beoordeling in als ware sprake van een verstekprocedure: de rechter wijst de vordering toe, tenzij deze hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Met andere woorden: toewijzing volgt in beginsel, tenzij het gevorderde in strijd komt met het objectieve recht of de aangevoerde gronden het gevorderde niet kunnen dragen. Ik meen dat deze benadering nog steeds valide is. De wijzigingen in de Beslagsyllabus juni 2011 leiden weliswaar tot meer informatie in het beslagrekest, maar deze veranderen de aard van de beoordeling van de (on)gegrondheid van de vordering niet.
In de praktijk betekent het voorgaande dat van de verzoeker wordt verwacht dat deze een plausibele, consistente en juridisch logische uiteenzetting op papier zet. Aan deze typologie is met de invoering van de Beslagsyllabus van februari 2011 nog een aspect (uitdrukkelijk) toegevoegd: de uiteenzetting dient daarbij de voor de beslissing (op het beslagrekest) van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Deze verplichting volgt uit het algemene, ook voor die tijd reeds op verzoekschriftprocedures van toepassing zijnde voorschrift van artikel 21 Rv. Voor beslagrekesten geldt in het bijzonder dat melding dient te worden gemaakt van alle in Nederland of in het buitenland lopende, doorlopen of beëindigde procedures, die relevant zijn voor een goede beoordeling van de zaak, waaronder mede begrepen eerder ingediende beslagrekesten. Het niet in acht nemen van deze bepaling kan vergaande consequenties hebben, zo blijkt uit lagere rechtspraak: schending van artikel 21 Rv werd gesanctioneerd met afwijzing van het verzoek om beslag te mogen leggen, respectievelijk opheffing van beslag in kort geding.3 Gerechtshof Amsterdam4 sprak zich begin 2012 in hoger beroep uit over de verplichting om de rechter juist en volledig te informeren in het geval van een beslagverzoek. Het gerechtshof overwoog:
‘Deze verplichting (…) klemt in dat geval des te meer aangezien toewijzing van een zodanig verzoek tot voor de wederpartij/beslagene zeer ingrijpende gevolgen kan leiden en de rechter na slechts summier onderzoek een beslissing ex-parte geeft’.
Het gerechtshof ging over tot opheffing van de gelegde beslagen.
In de periode voor de inwerkingtreding van de Beslagsyllabus juni 2011 werden weinig vereisten gesteld aan de onderbouwing van het beslagrekest met bewijs. Hierin is verandering gekomen met nieuwe bepalingen in de Beslagsyllabus van die datum. Vanaf 1 juli 2011 dient in verband met het vereiste van artikel 700 lid 2 Rv, dat het door de verzoeker ingeroepen recht in het beslagrekest dient te worden vermeld, aangegeven te worden of sprake is van:
een vordering uit overeenkomst – onbetaalde facturen
een vordering uit overeenkomst – overig
een vordering uit onrechtmatige daad of op andere grondslag.
De Beslagsyllabus beschrijft vervolgens welke specifieke informatie, afhankelijk van het type ingeroepen recht, dient te worden verstrekt.5 Dit varieert van een omschrijving van geleverde goederen en verrichte diensten, dan wel een voldoende feitelijke omschrijving van de vordering en de grondslag daarvan, het overleggen van facturen en (een overzicht van) aanmaningen, een ingebrekestelling of relevante bewijsstukken. In alle gevallen bestaat de verplichting om de door de beoogd beslagene aangevoerde verweren, en de gronden daarvoor, in het beslagrekest te vermelden.
De betreffende informatie dient om de beoordelend voorzieningenrechter in staat te stellen zich een beter beeld te vormen van de (on)gegrondheid van het door de verzoeker ingeroepen recht, dan voorheen door het vaak zeer summiere karakter van de door de verzoeker verstrekte informatie mogelijk was.6