Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/4.6.4
4.6.4 Mandaat of zelfstandige bevoegdheid
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Voetnoten
Voetnoten
Sinds de inwerkingtreding van de Wet herziening regels betreffende de processtukken in strafzaken, Stb. 2011, 601.
Peijster 1964, p. 100-101; Walther 1987.
Peijster 1964, p. 100-101; Huls 1985; Van der Hoeven & Van Loon 1987.
Schalken 1984.
Scheltema 1975, p. 246.
Schalken 1984, p. 9.
’t Hart 1976, p. 17-19; De Doelder & ’t Hart 1976; De Doelder & ’t Hart 1985; ’t Hart 1994a, p. 126-128. Zie ook Simmelink & Baaijens-van Geloven 2001, p. 402.
HR 19 september 1989, NJ 1989, 379; Schalken 1989.
Zie over de politietransactie verder Osinga 1993.
Boksem 1998; De Doelder 2000.
Het politiesepot, dat dus is ontwikkeld op basis van een jurisprudentieel geaccepteerd gewoonterecht, is sinds 1 januari 2013 neergelegd in artikel 152 Sv.1 Daarvoor gingen al geruime tijd stemmen op dat het wenselijk was om het gewoonterecht van het politiesepot te codificeren.2 Omdat de wettelijke regeling geen inhoudelijke criteria kent waarmee de mogelijkheid van het sepot op het niveau van de politie moet worden ingevuld, is een duidelijk opsporingsbeleid van het om van belang.3
Schalken heeft, in aansluiting op het Broodjeswinkel-arrest, de invulling van de politiële beslissingsruimte gegrond op een mandaatconstructie. De bevoegdheid tot seponeren die de wet aan het om toekent zou bij mandaat aan de politie kunnen worden overgedragen, waarbij het om zowel de zeggenschap over de uitoefening ervan als de verantwoordelijkheid ervoor behoudt en aanspreekbaar blijft over de uitoefening ervan.4 Volgens Scheltema, op wie Schalken zich onder meer baseert, hangt de mogelijkheid van delegatie en mandaat onder andere af van de verandering die daardoor wordt aangebracht in de organisatie van het bestuur en de verantwoordelijkheid voor het beleid.5 In het licht van die criteria zou een politiesepot, onder mandaat van het om, juridisch wel mogelijk zijn zonder dat daarvoor de wet hoeft te worden aangepast om dat uitdrukkelijk mogelijk te maken.6
Een andere benadering kiezen De Doelder en ’t Hart. Volgens hen behoort de taak van de jurist niet het vaststellen van juridisch relevante feiten te zijn, maar het verrichten van feitelijk relevante juridisering. Daarmee wordt bedoeld dat het er bij de vraag of strafrechtelijk optreden geboden is, niet om gaat of iets eventueel kan worden gekwalificeerd als strafbaar feit, maar om wat er met een juridische kwalificering kan worden bereikt. Als verbalisering toch op een sepot zal uitlopen, kan dat beter achterwege blijven. In deze redenering is het niet nodig om, zoals Schalken doet, gebruik te maken van een mandaatconstructie om daarmee een zelfstandig politiesepot in het leven te roepen. Als een feitelijk gebeuren niet tot een strafrechtelijk gevolg zal leiden, kan een politieambtenaar dat immers evengoed constateren als een officier van justitie.7
Een sepot door een opsporingsambtenaar heeft overigens ook rechtsgevolg. Het vertrouwensbeginsel staat in de weg aan het vervolgen van een strafbaar feit dat eerder door een politieambtenaar is geseponeerd.8
Bij amvb aangewezen opsporingsambtenaren zijn ook bevoegd om onder strikte voorwaarden te transigeren (artikel 74c Sr). Het moet gaan om bij dezelfde amvb aangewezen overtredingen, of misdrijven waarop minder dan zes jaar gevangenisstraf is gesteld. In geval van zo’n misdrijf mag alleen een transactie worden aangeboden als de verdachte achttien jaar of ouder is, bij overtredingen mag dat vanaf twaalf jaar. De enige toegestane transactievoorwaarde is de betaling van een geldsom.9
Sinds de inwerkingtreding van de Wet om-afdoening is het ook voor opsporingsambtenaren mogelijk om strafbeschikkingen uit te vaardigen (artikel 257b Sv). Daarvan kan overigens slechts gebruik worden gemaakt met de inachtneming van richtlijnen die zijn uitgevaardigd door het College van procureurs-generaal. Zelfs directe dagvaarding door politiefunctionarissen zou mogelijk kunnen zijn. Dat de dagvaarding wordt opgesteld en uitgereikt door opsporingsambtenaren kan worden toegestaan. De beslissing om een dagvaarding uit te doen gaan, met de belangenafweging die daarbij hoort, mag echter niet door hen worden genomen. Die zorgvuldige afweging is immers aan de leden van het om opgedragen, die daarvoor beter zijn toegerust.10 De Wet op de Rechterlijke Organisatie geeft hierover in artikel 126 uitsluitsel: de uitoefening van bevoegdheden van de officier van justitie kan alleen worden opgedragen aan andere bij het parket werkzame ambtenaren.