Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/3.3.8:3.3.8 Rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen; de rechtspraak versus de praktijk
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/3.3.8
3.3.8 Rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen; de rechtspraak versus de praktijk
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS296955:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
BR 12 augustus 2005, NJ 2005, 467 (JPO/CBB).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Deze vraag is in het kader van het in hfdst. 7 omschreven praktijkonderzoek uitvoerig aan de orde gekomen. Aan de respondenten is de vraag voorgelegd of zij willen aangeven wanneer rechtens relevant vertrouwen in de totstandkoming van de overeenkomst waarover wordt onderhandeld, geacht zou moeten worden post te vatten. Zij hadden daarbij de mogelijkheid om, op een schaal van 1 tot 9, aan te geven wanneer dit naar hun mening het geval zou moeten zijn, waarbij het verzoek was om daarbij niet uit te gaan van de vigerende jurisprudentie, maar van het uitgangspunt waarmee de rechtspraktijk volgens hen het meest gediend zou zijn. Uit de beantwoording van deze vraag kwam naar voren dat maar liefst 16% van de respondenten aangaf dat dit vertrouwen nooit of slechts bij zeer hoge uitzondering aanwezig zou moeten worden geacht (score 1). 64% van de respondenten kiest voor score 2 of score 3. Slechts 19% van de respondenten kiest voor score 5, 6, 7 of 8 (niemand was van mening dat het hier bedoelde vertrouwen "snel" zou moeten worden aangenomen). Dit beeld sluit aan bij de beantwoording van de opvolgende vraag van de vragenlijst, namelijk:
"Met welk uitgangspunt zou, zonder acht te slaan op de vraag naar de eventuele schadeplichtigheid als gevolg van het afbreken van de onderhandelingen, de praktijk het meest gediend zijn?"
Op deze vraag liet een m.i. verrassend hoog percentage van 18% van de respondenten (16% van de ondervraagde advocaten en 20% van de ondervraagde bedrijfsjuristen) weten dat wat hen betreft onderhandelingen altijd eenzijdig zouden moeten kunnen worden afgebroken, dat wil zeggen: tot het moment waarop tussen partijen wilsovereenstemming is bereikt. 73% van de respondenten liet weten dat de praktijk volgens hen het meest gediend zou zijn in de situatie waarbij slechts in zeer uitzonderlijke gevallen onderhandelingen niet meer eenzijdig zouden kunnen worden afgebroken. Slechts 3% van de respondenten is van mening dat de onderhandelingen al in een vroeg stadium niet meer eenzijdig zouden moeten kunnen worden afgebroken. In totaal is dus een substantieel gedeelte van de geënquêteerden (16% van de geënquêteerde advocaten en 20% van de geënquêteerde bedrijfsjuristen) van mening dat onderhandelingen altijd eenzijdig zouden moeten kunnen worden afgebroken terwijl nog geen wilsovereenstemming is bereikt, althans dat de praktijk daarmee het meest gediend zou zijn.
Grafisch weergegeven leidt de beantwoording van de vraag met welk uitgangspunt, volgens de respondenten, de praktijk het beste gediend zou zijn, tot het volgende beeld:
Tot zover de (wensen van) de praktijk, die — zo volgt uit het onderzoek — tot in een zo laat mogelijk stadium van de onderhandelingen de mogelijkheid lijkt te willen hebben om deze nog af te kunnen breken. De praktijk lijkt in die wens te worden gevolgd door de uitspraak van de Hoge Raad van 12 augustus 2005 in de zaak tussen Centraal Bureau Bouwtoezicht B.V. en PO Projecten B.V.1