Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/12.3
12.3 Kwalificatie van het religieuze element in het gewetensbezwaar of het gewetensdrang
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS451609:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Remmelink 1995, p. 304, 305; Dolman 2006, p. 218; annotatie van D. Hazewinkel-Suringa bij HR 20 juni 1950, NJ 1951, 348; A.J. Machielse, ‘Commentaar art. 40 Sr, aant. 1’, in: Noyon-Langemeijer-Remmelink, Wetboek van Strafrecht (bijgewerkt tot 2 april 2013); Vermeulen 1989, p. 283. Zie anders: Holland 1989, p. 272.
HR 16 januari 1968, NJ 1969, 2.
HR 9 juni 1987, NJ 1988, 318. Zie voor een zaak die hier heel erg op lijkt: HR 3 maart 1987, NJ 1988, 7. Het betrof hier een zigeuner die ook werd verdacht van rijden onder invloed en omwille van zijn ‘zigeunergeloof’ geen bloed wilde geven. Ook hier hanteerde de Hoge Raad een culpa in causa-constructie. Zie voor een zaak waarin een verdachte omwille van zijn geloofsovertuiging stelde geen DNA-onderzoek te kunnen ondergaan: Rb. Rotterdam 21 augustus 1995, NJ 1996, 211.
Gerechtshof Arnhem 9 september 2005 (niet gepubliceerd), met dank aan Sackers. Zie Van Stokkom, Sackers & Wils 2006, p. 78.
Gerechtshof ‘s-Gravenhage 26 februari 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ2283.
HR 18 september 1989, NJ 1990, 291, m.nt. ‘t Hart.
In de literatuur heerst de opvatting dat in beginsel een beroep op psychische overmacht vanwege een gewetensbezwaar niet door de rechter zal worden erkend. Straffeloos is slechts hij die overrompeld wordt door een van buitenkomende kracht waartegen hij geen weerstand kan opbrengen. De dader treft dan geen verwijt. Indien echter niet een van buitenkomende kracht maar de vrije wil de oorzaak is van het strafbare feit, dan gaat deze redenering niet op. Dit punt is in het kader van dit onderzoek van belang. Over het algemeen treft men namelijk in de literatuur de opvatting dat gewetensbezwaren de wilsvrijheid niet aantasten. Een persoon zou kunnen kiezen om zijn geweten te volgen. De redenering is dan dat gewetensdaders kiezen voor het volgen van hun geweten, voor hun morele, zedelijke of godsdienstige normen in plaats van de wettelijke normen. Er is dan geen sprake van een van buitenkomende kracht, maar een keuze voor het volgen van innerlijke overtuigingen. Dit kan volgens deze auteurs geen overmacht opleveren.1
Ondanks de bedenkingen in de literatuur ten aanzien van religieuze gewetensbezwaren lijkt het uitgangspunt in het Alphense veehouder-arrest, dat werd bekrachtigd in het Quaker-arrest, namelijk dat een beroep op een religieuze kracht, drang of dwang kan worden opgevat als een beroep op een strafuitsluitingsgrond, meer in het bijzonder, als een beroep op psychische overmacht, nog steeds te gelden. Desondanks zijn er in de rechtspraak geen zaken geweest waarin een dergelijk beroep succes heeft gehad. In het navolgende van deze paragraaf bespreek ik een vijftal zaken. Uiteraard richt ik mij bij deze bespreking op de wijze waarop de rechter het betreffende gewetensbezwaar of -drang al dan niet als religieus heeft gekwalificeerd.
Eigenlijk past de rechter zowel in het Alphense veehouder-arrest als in het Quaker-arrest een subjectiverende kwalificatiewijze toe: de rechter neemt enkel op grond van de verklaring van de verdachte aan dat er sprake is van religieuze gedrevenheid. In het Alphense veehouder-arrest wordt zonder nadere toets op grond van de verklaring van de verdachte aangenomen dat er sprake is van een religieus gewetensbezwaar. In het Quaker-arrest kwalificeert de rechter het verweer van de verdachte als een beroep op psychische overmacht op grond van een religieuze gewetensdrang. Hij ging daarbij af op de volgende verklaring van de verdachte:
‘Wij, Quakers, willen hier op deze wereld opkomen voor de lijdende mensheid en ikzelf kan niet anders. Voor mij betreft het hier een soort processie of begrafenisstoet. Ik beroep mij ten deze op persoonlijke godsdienstige gedrevenheid waaraan ik geen weerstand vermag te bieden.’2
Uiteindelijk oordeelde de rechtbank dat de overtuigingen van de verdachte niet van een dermate dwingende aard waren dat ze konden gelden als een overmachtsituatie. Waarom de overtuigingen van de verdachte onvoldoende dwingend waren motiveert de rechtbank niet. De Hoge Raad onderschrijft het vonnis.
In de derde zaak uit 1987 ging het om een persoon die werd verdacht van het rijden onder invloed van alcohol (artikel 8 WVW 1994) en terecht moest staan omdat hij de zogenaamde bloedproef had geweigerd. Hij verweerde zich aldus: ‘Ik ben lid van de Halleluja Pinkstergemeente, op grond daarvan mag ik geen bloed geven.’ Dit beroep kon volgens de Hoge Raad niet slagen, omdat
‘de verdachte zich vrijwillig en welbewust in de situatie heeft gebracht die hem voor de keus stelde een zijns inziens moreel te veroordelen daad te stellen of het strafbare feit te begaan, in welk geval een beroep op overmacht niet kan slagen.’3
De Hoge Raad ging in deze zaak verder niet in op de vraag of er sprake was van een geloofsovertuiging. Volgens de Hoge Raad was dit niet nodig aangezien de verdachte de situatie dat hij een eventuele geloofsovertuiging zou moeten loochenen aan zichzelf te wijten had (culpa in causa).
De vierde zaak betreft een overtreding van de Opiumwet. Een verdachte werd vervolgd voor het telen van bio-wiet. Hij voerde als verweer dat hij de Sjamanistische levensovertuiging aanhing en dat hij voor zijn geloofsbelijdenis moest beschikken over heilige planten om (kort gezegd) te kunnen reizen in droomtijd of als hulp bij de voor meditatie benodigde concentratie. De politierechter in Almelo overwoog aan de hand van de foto’s in het dossier dat het lage zoldertje van de verdachte, door hem ter zitting aangeduid als een plaats waar hij zijn geloofsovertuiging in het bijzonder beleeft, zich, afgezien van de beeltenis van de godheid Shiva aan de wand, bar weinig onderscheidt van andere door de politie ontmantelde hennepplantages die in de afgelopen jaren aan het oog van de politierechter voorbij zijn gekomen. Om die reden verwierp hij het beroep van verdachte. De rechter oordeelde niet over de vraag of in de levensovertuiging van de man een grond zou zijn gelegen om de strafbaarheid van de overtreding van de Opiumwet geheel of gedeeltelijk weg te nemen, maar vond simpelweg het verhaal van de verdachte niet overtuigend: naar zijn oordeel was het religieuze bezwaar van de man ongeloofwaardig zodat het niet kon gelden als strafuitsluitingsgrond.4
De vijfde zaak is het arrest van het Gerechtshof Den Haag uit 2013 met betrekking tot een orthodoxe jood die werd vervolgd wegens het op een zaterdag niet kunnen voldoen aan de wettelijke verplichting om een identiteitsbewijs te tonen. Naar eigen zeggen mocht hij om religieuze redenen tijdens de sabbat niets anders dragen dan zijn kleding. Hij stelde verder dat hij bewust zijn religieuze plicht had laten prevaleren boven de wet. Voor de rechtbank beriep de verdachte zich ten eerste op de onverbindendheid van de wettelijke verplichting om een identiteitsbewijs te moeten dragen, wegens strijd met artikel 9 EVRM. Ten tweede beriep hij zich op psychische overmacht aangezien hij niet in staat zou zijn om weerstand te bieden aan zijn aandrift om de religieuze geboden strikt na te leven. Beide verweren worden door het hof verworpen. Het hof gaat ervan uit dat het niet dragen van een identiteitsbewijs op sabbat inderdaad opgevat kan worden als een vorm van religieus belijden. Het volgt daarmee de opvatting van de verdachte en huldigt een subjectiverende kwalificatiewijze. Het toetst deze opvatting namelijk niet aan opvattingen van derden of aan een algemeen toegankelijke bron. Ten aanzien van het beroep op psychische overmacht stelt het hof dat niet bewezen is dat er sprake was van een ‘zodanige van buiten komende druk, dat verdachte daaraan redelijkerwijs geen weerstand had kunnen en behoren te bieden’. Dit leidt het hof af uit de verklaringen van de verdachte tijdens zitting. Hieruit zou blijken dat de verdachte voornamelijk om praktische redenen heeft afgezien van het dragen van een identiteitsbewijs. Zo zou de verdachte er volgens het hof ook voor hebben kunnen kiezen om het identiteitsbewijs in zijn jas te naaien.5
Gesteld kan worden dat hoewel het hof het niet willen dragen op sabbat van een identiteitskaart kwalificeert als een religieuze uiting en daarmee een subjectiverende kwalificatie toepast, het om praktische redenen oordeelt dat niet is voldaan aan de voorwaarden psychische overmacht. In bovengenoemde zaak beriep de verdachte zich ten eerste op de onverbindendheid van de wettelijke plicht om een identiteitsbewijs te dragen met de godsdienstvrijheid. Ten tweede deed hij een beroep op psychische overmacht omdat hij zich vanwege zijn religieuze plicht om zijn religieuze voorschriften na te volgen gedwongen voelde de wettelijke plicht te overtreden. Op grond van artikel 350 Sv (volgorde materiële vragen) ging de rechter eerst in op het eerste verweer (of het feit strafbaar is in het licht van de godsdienstvrijheid) en vervolgens ging hij in op het tweede verweer (of de dader strafbaar is in het licht van het beroep op psychische overmacht). Ten aanzien van de kwalificatie van de betreffende gedraging als religieus in het kader van de psychische overmacht betekent dit dat de rechter de kwalificatie volgt die hij eerder heeft gedaan in het kader van de vraag of het grondrechtsobject van de godsdienstvrijheid aan de orde is. Met andere woorden, de rechter heeft in deze zaak eerst bepaald dat er in het kader van artikel 9 EVRM sprake is van een godsdienstige gedraging en vervolgens neemt hij deze kwalificatie mee in zijn oordeel over het beroep op psychische overmacht.
Zoals gezegd wordt in de meeste gevallen waarin religie als verweer naar voren wordt gebracht de strafuitsluitingsgrond psychische overmacht aangevoerd. Een enkele keer wordt op andere strafuitsluitingsgronden een beroep gedaan. Een curieus voorbeeld hiervan is een arrest van de Hoge Raad uit 1989 waarin een beroep werd gedaan op noodweer (artikel 41 Sr).6 De verdachte had zijn slachtoffer met het leven bedreigd (artikel 285 Sr) omdat hij dacht dat zij een tovenaar was met de macht om andere mensen ‘dood te bidden’. De verdachte die, naar zijn eigen uitleg, bevreesd zou zijn geweest voor magische, zwarte krachten die het slachtoffer – zijn nicht – op hem zou kunnen overbrengen door hem aan te raken, uitte de bedreiging om haar van hem weg te houden. De verdachte beriep zich op zijn recht om zijn eigen lijf te verdedigen tegen wederrechtelijke aanranding. De Hoge Raad oordeelde dat er het hof had kunnen oordelen dat er geen sprake was van een ‘ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding’ en dus ook niet van noodweer. Het hof had geoordeeld dat het gestelde ‘in redelijkheid’ niet zodanig bedreigend was voor de verdachte dat het beroep op artikel 41 Sr kon opgaan.
Zoals ook annotator ‘t Hart opmerkt is de kernvraag daarbij om wiens redelijkheid het gaat en welk redelijkheidsoordeel mag prevaleren. Het hof oordeelde dat de vermeende religieuze dreiging die de verdachte ervoer in redelijkheid niet een ernstig te noemen situatie was. Het hof vond kennelijk de situatie niet bedreigend genoeg. Waarom de situatie niet bedreigend genoeg was, zegt het hof niet. Waarschijnlijk neemt het hof het verhaal van de verdachte niet serieus.