Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes
Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/7.1:7.1 Inleiding
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/7.1
7.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS949740:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 11 januari 2007, ECLI:CE:ECHR:2007:0111JUD005506600 (Russian Conservative Party of Entrepreneurs and Others/Russia), par. 71.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het EHRM verstaat onder het beginsel van vrij kiesrecht dat de kiezer, zowel bij het bepalen van zijn voorkeur als bij het uiteindelijk uitbrengen van zijn stem, door niemand – zij het de overheid of een ander individu – onder druk mag worden gezet om op een bepaalde kandidaat te stemmen. Het Hof noemt vrij kiesrecht de ‘hoeksteen’ van de door artikel 3 Protocol 1 EVRM geboden bescherming, zoals ook tot uitdrukking komt in de zinsnede ‘de vrije meningsuiting van het volk bij het kiezen van de wetgevende macht’.1 Dit hoofdstuk gaat in op de inhoud en reikwijdte van het beginsel van vrij kiesrecht en op het beginsel van geheime stemmingen, dat in het kader van het vrije kiesrecht een belangrijke rol speelt.
Allereerst behandel ik het belang van het stemgeheim, dat op nationaal niveau is vastgelegd in artikel 53 lid 2 Gw (paragraaf 7.2). Vervolgens wordt de parlementaire geschiedenis van dat artikel kort besproken (paragraaf 7.3). Daaruit zal blijken dat het beginsel van ‘vrije verkiezingen’ – de afwezigheid van ongeoorloofde beïnvloeding – geen grondwettelijke grondslag heeft gekregen, ondanks het feit dat de grondwetgever het beginsel wel als wezenskenmerk van democratische verkiezingen beschouwt. In de daaropvolgende paragrafen wordt onderzocht waaruit ongeoorloofde beïnvloeding in de verschillende fasen van het verkiezingsproces kan bestaan. Allereerst wordt daarbij gekeken naar vrije verkiezingen in de engste zin van het woord: de stemvrijheid (paragraaf 7.4). Vervolgens zet ik uiteen in hoeverre het beginsel een rol speelt in de daaraan voorafgaande fase van de kandidaatstelling (paragraaf 7.5). In paragraaf 7.6 doe ik nog een stap verder terug en bezie ik in welke mate het beginsel van vrije verkiezingen betekenis heeft voor het verloop van de verkiezingscampagne. In paragraaf 7.7 maak ik enkele afsluitende opmerkingen. Het zal duidelijk worden dat zowel de Grondwet als artikel 3Protocol 1 EVRM slechts een beperkte waarborg vormen voor het vrije kiesrecht.