Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/3.3.2.2.4
3.3.2.2.4 Proceskostenveroordeling
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652145:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Huydecoper 2007, p. 14, onder verwijzing naar HR 18 februari 2005 (r.o. 5.3.2), NJ 2005/216 (A/Aegon).
Parl. Gesch. Inv. Boek 3, 5 en 6, p. 36; HR 27 juni 1997 (r.o. 2.13), NJ 1997/651 (Vaston/Smith).
HR 26 januari 1933, NJ 1933/797, m.nt. P. Scholten; HR 28 november 1986 (r.o. 3.1), NJ 1987/380, m.nt. W.L. Haardt (RvdK/Milutinovic).
HR 12 juni 1936, NJ 1936/996 (Nederlandsche Trustmaatschappij/Paleis voor Volksvlijt); Hof ’s-Gravenhage 7 november 1940, NJ 1941/273 (Friesche Levensverzekeringsmaatschappij/Staat).
HR 22 januari 1993 (r.o. 3.2), NJ 1993/597, m.nt. H.J. Snijders (Windward Islands Bank/Jongsma).
Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/129.
Een matiging moet voldoende worden gemotiveerd, zie HR 28 januari 2000 (r.o. 4.3), NJ 2000/256 (Maduro/Jie-A-Swie); HR 24 september 2004 (r.o. 3.4.4), NJ 2006/200 (Dryade/Staat); HR 17 november 2006 (r.o. 4.3), NJ 2006/621 (Voedings Tuinbouw Nederland/The Greenery).
Vgl. Rapport Voorwerk II 2000, par. 8.2; Rapport BGK-integraal 2013, p. 16 (par. 8.2).
HR 30 september 2005 (r.o. 3.4), JOL 2005/228 (ECC/Cell One); Asser Procesrecht/Van Schaik 2 2016/125.
Compensatie is hiernaast mogelijk op grond van familie-, huwelijkse en soortgelijke betrekking. Ik laat dit hierna verder onbesproken.
HR 22 januari 1988 (r.o. 9.2), NJ 1988/415 (Aruba/Van Kessel).
Hof Arnhem 18 november 1936, NJ 1937/493; HR 11 juni 1937, NJ 1938/141, m.nt. E.M. Meijers (Expeditie te Winkel en Oomes/Zimmern).
Sluijter 2011, p. 49.
HR 19 december 1958, NJ 1959/129 (Winters/Winters).
HR 23 december 1955, NJ 1956/164 (Stroes/Van Dun).
HR 17 maart 2000 (r.o. 3.3.2), NJ 2000/353 (Arturo Riva/Zannis).
Het Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven, het Liquidatietarief kanton en de Aanbeveling tarieven kort gedingen kantonzaken en handelszaken zijn te raadplegen via www.rechtspraak.nl.
Het liquidatietarief is geen recht in de zin van art. 79 Wet RO, zodat over de toepassing daarvan in cassatie niet kan worden geklaagd, zie HR 3 april 1998 (r.o. 3.3), NJ 1998/571 (Lindeboom/Beusmans); HR 15 februari 2002 (r.o. 3.6), NJ 2002/197 (C/S).
Zie voor een overzicht bijv. Boot & Quist 2011; Sluijter 2011, p. 70 e.v. en p. 121 e.v.
Tuil 2010, p. 415.
Hierbij zij aangetekend dat bij de beoordeling van proceskosten wordt gebruikgemaakt van de Indicatietarieven in IE-zaken rechtbanken en Indicatietarieven in IE-zaken gerechtshoven, te raadplegen via www.rechtspraak.nl. Zie ook par. 3.3.4.7.
Zie hierover ook Kamerstukken II 2011/12, 33108, 3, p. 11.
De hoogte van het voorschot wordt bij voorkeur met partijen besproken, met name waar het een hoog voorschot betreft, of het voorschot in geen verhouding staat tot het belang van de zaak, zie HR 5 maart 1999 (r.o. 3.3), NJ 1999/382 (Zingstra/Land van Cuijk); Pitlo/Rutgers & Krans 2014/148. Met Krans meen ik dat HR 13 september 2002 (r.o. 3.2.3 sub a en sub d), NJ 2004/18, m.nt. H.J. Snijders (Uiterlinde/Van Zijp) ook toepassing kan vinden bij een deskundigenbericht: een verzoek van de eiser die het voorschot moet financieren om maximering van de kosten van het deskundigenbericht mag de rechter slechts afwijzen op grond van een toereikende motivering.
Parl. Gesch. Nieuw bewijsrecht, p. 340. De eisende partij maakt immers de procedure aanhangig ter handhaving van een eigen civielrechtelijk belang.
HR 30 juni 1995 (r.o. 3.1), NJ 1996/200, m.nt. H.E. Ras (Zingstra/Land van Cuijk).
Zoals in Hof Amsterdam 1 december 1988, NJ 1990/355 (Schijf/Metselaar).
HR 19 maart 2010 (r.o. 3.5), NJ 2011/237, m.nt. A.I.M. van Mierlo (N/Staat).
Haardt 1945, p. 115-116; De Groot & Hendrikse 2005, p. 47.
Art. 8 Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven, te raadplegen via www.rechtspraak.nl. Het Liquidatietarief kanton voorziet hier niet in.
Zie ook Parl. Gesch. Inv. Boek 3, 5 en 6, p. 36, met verwijzingen; HR 3 april 1987 (r.o. 3.2), NJ 1988/275, m.nt. C.J.H. Brunner (London Lancashire/Drenth); HR 14 januari 2005 (r.o. 3.9), NJ 2007/482, m.nt. Jac. Hijma (onder NJ 2007/481) (Van Rossum/Fortis).
De Groot & Hendrikse 2005, p. 16, met verwijzingen naar jurisprudentie; HR 14 januari 2005, NJ 2007/482, m.nt. Jac. Hijma (onder NJ 2007/481) (Van Rossum/Fortis); Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/134. Vgl. ook Hof Amsterdam 9 december 1993 (r.o. 4.6), NJ 1994/750 (Elvia/Ziekenfonds).
HR 7 mei 1993 (r.o. 3.5.2-3.5.3), NJ 1993/657, m.nt. Th.W. van Veen & H.E. van Ras (Bakker/Staat).
HR 26 maart 1993 (r.o. 3.5), NJ 1995/42, m.nt. C.J.H. Brunner (Roozen/Berger). Zie over de grondslag voor vergoeding van deze kosten ook De Groot & Hendrikse 2005, p. 18-25.
Hof Arnhem 26 maart 1996 (r.o. 4.40), VR 1997/133 (Levob/Ziekenfonds Oostnederland); HR 11 juli 2003 (r.o. 3.5), NJ 2003/566 (Stichting Vervroegd Uittreden Wonen/Stichting Sociaal Fonds Wonen). In Hof Leeuwarden 7 mei 1997 (r.o. 28-29), NJ 1998/292 (RZG/Savant) volstonden ook drie aanmaningsbrieven niet.
Rapport BGK-integraal 2013, p. 16 en p. 28 (par. 8.3). De bepaling stemt inhoudelijk overeen met het Rapport Voorwerk II 2000, par. 8.3.
Rapport BGK-integraal 2013, p. 18-19. Anders nog Rapport Voorwerk II 2000, par. 9.4 (Aanbeveling II).
HR 27 april 2012 (r.o. 3.4.2), NJ 2012/277 (Groenegeest/Proosdij).
Parl. Gesch. Inv. Boek 3, 5 en 6, p. 36, waarover ook HR 12 juni 2015 (r.o. 3.4.2), NJ 2016/380, m.nt. H.B. Krans; JOR 2016/17, m.nt. G.J.P. Molkenboer (K/Rabobank).
HR 29 juni 2007 (r.o. 4.5), NJ 2007/353 (Waterschap Regge en Dinkel/Milieutech Beheer); HR 6 april 2012 (r.o. 5.1), NJ 2012/233 (Duka/Achmea).
HR 15 september 2017 (r.o. 5.3.4), NJ 2018/165, m.nt. S.D. Lindenbergh (Vehmeijer/Janssens).
HR 12 juni 2015 (r.o. 3.4.2), NJ 2016/380, m.nt. H.B. Krans; JOR 2016/17, m.nt. G.J.P. Molkenboer (K/Rabobank).
HR 15 september 2017 (r.o. 5.3.5), NJ 2018/165, m.nt. S.D. Lindenbergh (Vehmeijer/Janssens). Zie voor een toepassing hiervan bijv. Rb. Amsterdam 2 mei 2018 (r.o. 4.38-4.42), ECLI:NL:RBAMS:2018:2948 (Sandcape/Kuwait Petroleum).
Asser/Sieburgh 6-II 2021/178 en 183.
Zo ook Rapport Voorwerk II 2000, par. 9.2. Vgl. HR 9 december 1994 (r.o. 3.3), NJ 1995/250 (Smit/De Moor).
Parl. Gesch. Boek 6, p. 450-451.
HR 28 mei 1999 (r.o. 3.3.2), NJ 1999/510 (G/H).
Zie ook Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 26.
Sluijter 2011, p. 262.
Naast zijn eigen proceskosten kan de onderzoeker als gedaagde in een civiele procedure worden veroordeeld in de proceskosten van de eiser. Art. 237-241 Rv bevat een regeling voor de proceskostenveroordeling in de civiele procedure. De verplichting van de ene partij de proceskosten van de andere partij te voldoen berust op een sui generis verplichting die de wet op billijkheidsgronden oplegt.1 Aansprakelijkheid voor proceskosten berust niet op een aan de verliezende partij toe te rekenen onrechtmatige gedraging.2 Ook als partijen geen proceskostenveroordeling vorderen, moet de rechter ambtshalve beslissen over de proceskosten.3 Dat is slechts anders als partijen uitdrukkelijk verklaren geen veroordeling van de wederpartij in de proceskosten te verlangen.4 Voor partijen bevat art. 237 Rv geen dwingend recht; zij kunnen een eigen verdeling van proceskosten overeenkomen.5 Zo kunnen partijen overeenkomen dat een van hen de proceskosten volledig voor zijn rekening neemt of ieder de eigen proceskosten draagt.6 Zegt de onderzoeker toe (een deel van) de proceskosten van de eiser te voldoen, dan is geen sprake van een proceskostenveroordeling die voor vergoeding op de voet van art. 2:350 lid 3 BW in aanmerking komt.
Wel komt de rechter steeds een matigingsbevoegdheid toe (art. 242 Rv).7 Matigt de rechter een overeengekomen proceskostenverdeling, dan is mijns inziens wel sprake van een proceskostenveroordeling die voor vergoeding op grond van art. 2:350 lid 3 BW in aanmerking komt. De rechter kan de overeengekomen proceskostenverdeling niet matigen tot onder het bedrag van de krachtens de wet te begroten proceskosten, of onder het bedrag van de buitengerechtelijke kosten die, gelet op de tarieven volgens welke zodanige kosten aan de opdrachtgevers gewoonlijk in rekening worden gebracht, jegens de wederpartij redelijk zijn. Wanneer van dit laatste sprake is, vergt in beginsel een beoordeling van de omvang van de verrichtingen en het gehanteerde uurtarief.8
Maken partijen geen afwijkende afspraken over de verdeling van de proceskosten, of acht de rechter een overeengekomen proceskostenverdeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (art. 6:248 lid 2 BW), dan staan de rechter de volgende mogelijkheden ten dienste. Wordt een van de partijen volledig in het (on)gelijk gesteld – het petitum van de dagvaarding is volledig (on)gelijk aan het dictum van het vonnis – dan wordt de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van de in het gelijk gestelde partij. De proceshouding van partijen speelt daarbij geen rol.9 Worden niet alle vorderingen integraal toegewezen of afgewezen – is met andere woorden sprake van wederzijds ongelijk, wat meestal het geval zal zijn – dan kan de rechter de proceskosten tussen partijen (deels) compenseren (art. 237 lid 1 Rv).10 De rechter wordt hier veel vrijheid in gelaten.11 Bij gedeeltelijk ongelijk kan de rechter compensatie van kosten ook achterwege laten, waartoe bijvoorbeeld aanleiding kan bestaan als een partij op een zeer ondergeschikt punt in het ongelijk is gesteld.12 Bij de beslissing al dan niet te compenseren, kan de rechter ook rekening houden met de proceshouding van partijen.13 De rechter mag bovendien – verplicht is hij daartoe niet14 – nodeloos aangewende of veroorzaakte kosten voor rekening laten van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte. Hiermee wordt voorkomen dat door de winnende partij gemaakte nodeloze kosten voor rekening van de verliezende partij komen.15 Een veroordeling van meer partijen in de proceskosten brengt met zich dat deze partijen voor het geheel aansprakelijk en dus hoofdelijk verbonden zijn.16 In het uitzonderlijke geval dat verschillende onderzoekers worden veroordeeld in de proceskosten van de eiser, zijn zij dus hoofdelijk verbonden.
Diverse kosten komen als proceskosten voor vergoeding in aanmerking. In de eerste plaats gaat het daarbij om het salaris en de verschotten van een advocaat, als partijen alleen bij advocaat kunnen procederen, of een gemachtigde (art. 238-239 Rv, waarover ook par. 3.3.2.2.3). Procedeert de wederpartij in persoon, dan komen wegens het bijwonen van de zitting noodzakelijke reiskosten, verblijfkosten en verletkosten van de wederpartij voor vergoeding in aanmerking (art. 238 lid 1 Rv). Het salaris van een advocaat of gemachtigde wordt in beginsel forfaitair begroot op het liquidatietarief, waarbij het salaris afhankelijk is van de verrichte werkzaamheden en het financiële belang van de zaak. In kantonzaken en kort geding wordt gebruikgemaakt van een afwijkend liquidatietarief.17 Het liquidatietarief is slechts een niet bindende richtlijn waarvan rechters mogen afwijken,18 maar in de praktijk gebeurt dit zelden.19 Volgens Tuil dekt het liquidatietarief in standaardzaken en incassozaken ongeveer 50-75% van de werkelijke kosten; in complexere zaken zou dit niet meer dan 10% zijn.20
Overigens kan in intellectuele eigendomszaken als bedoeld in art. 1019a Rv ook een ruimere of volledige proceskostenveroordeling worden uitgesproken (art. 1019h Rv).21 Ook bij toepassing van de deelgeschilprocedure – de aansprakelijkheidsprocedure voor schade geleden door dood of letsel – geldt een afwijkende kostenregeling (art. 1019aa Rv). Ik wijs verder op art. 1018l Rv, dat een bijzondere regeling betreffende de proceskostenveroordeling in collectieve procedures bevat. Met dergelijke geschillen zal de onderzoeker niet spoedig worden geconfronteerd. Ook niet-naleving van art. 21 Rv kan leiden tot een ruimere proceskostenveroordeling, waarover par. 5.3.3.
Als verschotten komen griffierechten, deurwaarderskosten, getuigentaxen en kosten van deskundigen voor vergoeding in aanmerking.22 Hoewel verschotten in art. 238 lid 1 Rv niet worden genoemd, komen de door de in persoon procederende partij gemaakte kosten voor verschotten ook voor vergoeding in aanmerking.23 Wordt een partij veroordeeld in de proceskosten van de wederpartij, dan kan de rechter bepalen dat het griffierecht tot betaling waarvan deze partij wordt veroordeeld niet hoger is dan het griffierecht dat van deze partij is geheven. Is deze partij verweerder in een kantonprocedure, dan is geen griffierecht verschuldigd.24 De rechter kan dan bepalen dat de veroordeling in het griffierecht van de wederpartij is beperkt tot het griffierecht dat deze partij verschuldigd zou zijn geweest als hij de eiser was geweest. De rechter kan hiertoe besluiten als hij meent dat veroordeling tot betaling van het hogere griffierecht, gelet op de proceshouding van de in het gelijk gestelde partij, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (art. 237 lid 5 Rv).25 Als deurwaarderskosten komen kosten voor verrichte ambtshandelingen in aanmerking (art. 240 Rv). Deze ambtshandelingen zijn omschreven in art. 1 sub b Gerechtsdeurwaarderswet jo. art. 2 Gerechtsdeurwaarderswet en uitgewerkt in het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders. Getuigentaxen, de vergoedingen voor getuigen, worden op grond van art. 182 Rv vastgesteld in het proces-verbaal van het getuigenverhoor. In een civiele procedure kan de rechter op verzoek van een partij of ambtshalve ook een bericht of verhoor van een deskundige bevelen (art. 194 lid 1 Rv). Het honorarium van de deskundige wordt door de rechter eerst bepaald bij voorschot. Daarbij kan de deskundige worden gevraagd zijn kosten te begroten.26 Uitgangspunt is dat de eisende partij het voorschot van de deskundige financiert.27 De rechter kan echter bepalen dat de wederpartij is of beide partijen zijn aangewezen tot financiering van het voorschot voor de deskundige (art. 195 Rv).28 Het gaat hierbij om een beslissing met een provisioneel karakter.29 De rechter kan ook afzien van het gelasten van een deskundigenonderzoek, indien de daartoe aangewezen partij het voorschot niet kan financieren.30 Na het uitbrengen van het deskundigenrapport, stelt de rechter de schadeloosstelling en het loon van de deskundige definitief vast (art. 199 lid 1 Rv).
Naast kosten gemaakt voorafgaand aan de uitspraak van de rechter, komen na de uitspraak ontstane kosten gemaakt om nakoming van de veroordeling te verkrijgen als onderdeel van een proceskostenveroordeling voor vergoeding in aanmerking.31 Nakosten zijn bijvoorbeeld het nasalaris van een advocaat en de kosten van betekening van een vonnis door de deurwaarder.32 De rechter kan later worden verzocht deze kosten te begroten (art. 237 lid 4 Rv), of kan deze kosten reeds begroten bij het uitspreken van de proceskostenveroordeling. De civiele rechter kan daarbij gebruikmaken van het hiervoor bestaande liquidatietarief.33
Tussen de wettelijke regeling van proceskosten in art. 237-241 Rv en art. 6:96 lid 2 sub b en sub c BW kan overlap bestaan, waar het de vergoeding van buitengerechtelijke, preprocessuele kosten betreft. Komt het tot een procedure, dan worden kosten ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak begrepen in de salarissen en verschotten. Komt het echter niet tot een procedure, dan komen deze kosten voor zover redelijk voor vergoeding op grond van art. 6:96 lid 2 sub b en sub c BW in aanmerking, zo volgt uit art. 241 Rv en art. 6:96 lid 3 BW.34 De redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (incassokosten), die nader worden gespecificeerd in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, zijn op grond van art. 6:96 lid 5 BW echter ook verschuldigd wanneer een procedure aanhangig is gemaakt.35
Onder de kosten ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak die voor vergoeding op grond van art. 237-241 Rv in aanmerking komen vallen besprekingen met de cliënt, de bestudering van het dossier en toepasselijke literatuur en rechtspraak, de verzameling van benodigde feiten en gegevens, het sturen van een sommatie en het concipiëren van de dagvaarding.36 Kosten gemaakt in een andere procedure, met de bedoeling zich in een civiele procedure een gunstige uitgangspositie te verschaffen, vallen hier niet onder.37 Gemaakte buitengerechtelijke kosten die niet kwalificeren als kosten ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, kunnen voor aparte vergoeding in aanmerking komen, mits gevorderd.38 Een enkele, eenvoudige aanmaning is daartoe in ieder geval onvoldoende.39 Het Rapport BGK-integraal 2013 bevat beleidsregels voor rechters dienaangaande, waaronder de volgende aanbeveling:
‘Wil er sprake zijn van afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komende kosten, dan zal het moeten gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een – niet aanvaard – schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op de gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Een combinatie van (een) aanmaning(en) en het doen van (een) schikkingsvoorstel(len) of het daadwerkelijk voeren van schikkingsonderhandelingen kan wel tot toewijzing van buitengerechtelijke kosten leiden.’40
Het Rapport BGK-integraal 2013 voorziet hierbij in een forfaitaire vergoeding, waarbij wordt aangesloten bij art. 2 Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.41 Gebruikmaking van dit forfaitair tarief ontslaat de rechter niet van de verplichting de buitengerechtelijke kosten aan een dubbele redelijkheidstoets te onderwerpen.42
Een proceskostenveroordeling omvat in beginsel een forfaitaire vergoeding. Partijen worden niet standaard veroordeeld in de werkelijke proceskosten van de wederpartij. Onder buitengewone omstandigheden kan de rechter echter een ruimere of zelfs volledige proceskostenveroordeling toekennen, bij misbruik van procesrecht (art. 3:13 BW jo. art. 3:15 BW) of onrechtmatig handelen (art. 6:162 BW).43 Hiervan is sprake als het instellen van een vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven, wanneer de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen hiervan past volgens de Hoge Raad terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede wordt gewaarborgd door art. 6 EVRM.44 Een gevoerd verweer kan op gelijke grond misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen opleveren.45 In theorie kan de onderzoeker als verweerder dus worden veroordeeld in de werkelijke proceskosten van de eiser.
Indien sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen, is sprake van een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad, die is onttrokken aan de exclusieve en limitatieve regeling van art. 237-240 Rv.46 In dat geval moet volgens de Hoge Raad aan de hand van de ‘gewone regels’ worden beoordeeld of en in hoeverre de voor rekening van de wederpartij gekomen proceskosten een gevolg zijn van de aan de onrechtmatig handelende partij toerekenbare onrechtmatige daad.47 Tot de ‘gewone regels’ behoort bijvoorbeeld ook de matigingsbevoegdheid van de rechter uit art. 6:109 BW. Art. 6:109 lid 1 BW bepaalt dwingendrechtelijk:
‘Indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden, kan de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding matigen.’
De in art. 6:109 lid 1 BW genoemde factoren zijn enuntiatief.48 Ook andere omstandigheden kunnen van belang zijn. Zo kan de omvang van de toegewezen hoofdsom een rol spelen bij de matiging van een proceskostenveroordeling.49 Matiging kan ook plaatsvinden ten behoeve van een rechtspersoon.50 De rechter dient terughoudend gebruik te maken van zijn matigingsbevoegdheid.51 De matiging mag op grond van art. 6:109 lid 2 BW bovendien niet geschieden tot een lager bedrag dan waarvoor de schuldenaar zijn aansprakelijkheid door verzekering heeft gedekt.
Wordt een rechtsmiddel aangewend tegen een vonnis, dan geldt in de procedure die hierop volgt eveneens het bepaalde in art. 237-241 Rv. Enkel voor cassatie geldt een afwijkende regeling. Op grond van art. 418a Rv is de regeling van art. 237-241 Rv ook in cassatie van toepassing, maar art. 419 lid 4 Rv geeft de Hoge Raad de mogelijkheid hiervan af te wijken. De Hoge Raad geeft omtrent de kosten van het geding immers ‘zodanige uitspraak als hij vermeent te behoren’.
Volgens de minister moet een proceskostenveroordeling ook worden gerekend tot de kosten van verweer:
‘Het risico om veroordeeld te worden in de proceskosten van de eiser, hangt zodanig samen met het voeren van verweer door de onderzoeker, dat ook deze kosten voor rekening van de rechtspersoon moeten komen. De desbetreffende kosten reken ik tot de <<kosten van verweer>>.’52
De redengeving van de minister overtuigt mij onvoldoende. Een proceskostenveroordeling is een verplichting tot vergoeding van een doorgaans slechts forfaitair tarief. Zou de onderzoeker worden veroordeeld in de proceskosten van de eiser, dan betreft dit een in beginsel beperkte vergoeding. Die proceskostenveroordeling valt niet buiten het normaal beroepsrisico van de onderzoeker. De onderzoeker wordt ook slechts in de proceskosten van de wederpartij veroordeeld als hij ten minste deels in het ongelijk wordt gesteld. Dat zal zijn in gevallen waarin de onderzoeker aansprakelijk is vanwege de uitvoering van het onderzoek of het verslag van de uitkomst van het onderzoek (art. 2:351 lid 5 BW; par. 3.2.3.2.2). De onderzoeker treft dan enig verwijt en het lijkt redelijk hem daarvoor te laten betalen. Ook bij compensatie van proceskosten vanwege gedeeltelijk (on)gelijk past een correctie uit billijkheidsoverwegingen.53 Wanneer de onderzoeker misbruik maakt van procesrecht, onrechtmatig of in strijd met art. 21 Rv handelt, kan hij zijn gehouden een ruimere dan een forfaitaire of zelfs volledige proceskostenveroordeling te voldoen. In dergelijke situaties is dat echter een passend gevolg van de opstelling van de onderzoeker.
Hierbij komt dat een mogelijke proceskostenveroordeling kan worden verzekerd door een aansprakelijkheidsverzekering (tot een bepaald maximumbedrag, afhankelijk van de polis).54 Die kosten van verzekering beschouwt de minister ook als kosten van verweer (par. 3.3.2.2.5). Wordt de onderzoeker veroordeeld in de proceskosten van de eiser, dan hoeft hij enkel deze kosten te dragen voor zover deze niet worden gedekt door zijn aansprakelijkheidsverzekering. Ik zou de veroordeling van de onderzoeker in de proceskosten van de eiser dan ook niet willen kwalificeren als kosten van verweer van de onderzoeker in de betekenis van art. 2:350 lid 3 BW.