Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.2.10
5.2.10 Procedurele aspecten: dekkingsgeschillen tussen verzekeraar en waarborgfonds
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS394795:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor alle duidelijkheid: het Nederlandse Waarborgfonds Motorverkeer kan niet worden aangesproken, omdat het ongeval buiten Nederland paatsvond.
Op zichzelf hebben slachtoffers van ongevallen in Nederland - voor zover daarbij verzekeraars zijn betrokken die aan de hiervoor gememoreerde schuldloze-derderegeling zijn gebonden - aan een dergelijke regeling voor verzekeraars onderling niet veel behoefte. Als het Nederlands Bureau en een verzekeraar van mening verschillen over de vraag wie van hen moet regelen, is er evenmin een probleem, omdat het NBM zich aan de schuldloze-derderegeling van het Verbond van Verzekeraars conformeert. In andere landen kan dat anders zijn.
De Richtlijn schrijft in art. 11 voor dat de lidstaten een regeling moeten treffen voor de situatie dat tussen de verzekeraar van een voertuig en het - hierna uitvoeriger te bespreken - waarborgfonds bedoeld in art. 10 van de Richtlijn onenigheid bestaat over de vraag wie van beide schadeplichtig is. De Richtlijn laat de inhoud van een dergelijke 'passende' regeling aan de lidstaten over. Elke oplossing lijkt goed, zolang de benadeelde maar niet van het kastje naar de muur wordt gestuurd. De tweede volzin van art. 11 vestigt een regresrecht van de regelende partij op de (eventueel mede) draagplichtige naar rato van die draagplicht.
In Nederland is ervoor gekozen de eerst aangesprokene 'regelingsplichtig' te maken, met regres op de andere partij. Inspiratiebron hiervoor was de zogenaamde schuldloze-derderegeling die binnen het Verbond van Verzekeraars door motorrijtuigverzekeraars reeds eerder tot stand was gebracht. Zie Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen nr. 930 en nader hierna paragraaf 5.5.10.2.
Problematisch is de situatie waarin de benadeelde bezoeker is en zich, na terugkeer in eigen land, tot de schaderegelaar - maar juridisch gezien tot de verzekeraar - kan wenden en deze meent dat de schade door het waarborgfonds (bedoeld in art. 10) van de lidstaat van het ongeval moet worden geregeld, bijvoorbeeld omdat de aansprakelijke niet verzekerd zou zijn.
Als voorbeeld dienen een ongeval in België, veroorzaakt door een Belgisch voertuig, waarbij een Nederlander schade lijdt. Het (Nederlandse) informatiecentrum voorziet de Nederlandse benadeelde van de naam van de Belgische verzekeraar en diens Nederlandse schaderegelaar. De (schaderegelaar van de) verzekeraar ontkent echter tot dekking gehouden te zijn en verwijst de Nederlander naar het Belgische waarborgfonds. De Nederlander wendt zich tot het Nederlandse Schadevergoedingsorgaan bedoeld in art. 24 en 25. Dat meent echter - op gezag van het Belgische waarborgfonds - dat de verzekeraar wel degelijk tot dekking gehouden is.1
Dan rijst de vraag of de benadeelde een beroep kan doen op de geschillenregeling van art. 11 in het dispuut tussen het - in het voorbeeld Nederlandse - schadevergoedingsorgaan en de (schaderegelaar van de) aangesproken maar dekking weigerende Belgische verzekeraar. Bovendien is dan de vraag welke geschillenregeling van toepassing zou moeten zijn: die van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde dan wel die van de lidstaat van het ongeval en (dus) van de vestiging van het betalende waarborgfonds of schadevergoedingsorgaan.
Ik neig ertoe hier aan te nemen dat art. 11 niet op deze situatie ziet. In de systematiek van de Richtlijn wendt de benadeelde zich immers tot het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van zijn woonplaats (en niet tot een waarborgfonds) en kan het van deze instantie zelf schadeloosstelling verlangen. Het regelende schadevergoedingsorgaan treedt naar het mij voorkomt niet op als vertegenwoordiger van het 'betalende' schadevergoedingsorgaan, maar regelt de schade met de benadeelde op grond van een eigen verplichting. Nu de benadeelde zich niet tot een waarborgfonds wendt en de Richtlijn geen geschillenregeling voorschrijft voor disputen tuissen verzekeraar en schadevergoedingsorgaan kan de benadeelde - op grond van de Richtlijn - geen beroep doen op enige geschillenregeling.
Te overwegen ware de werking van art. 11 van de Richtlijn uit te breiden tot de gevallen waarin de benadeelde een beroep op het schadevergoedingsorgaan kan doen als de verzekeraar zich op het standpunt stelt dat het waarborgfonds van de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald, zou moeten optreden. Daarbij zou de nationale geschillenregeling van de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald, toegepast kunnen worden.
Daarnaast is niet uit te sluiten dat een verzekeraar en het groenekaartbureau naar elkaar verwijzen. Ook daarvoor ontbreekt een regeling. Het Bureau is immers een andere figuur dan het waarborgfonds. Om een ook theoretisch sluitende bescherming van benadeelden in dit opzicht te verkrijgen, is te overwegen ook voor geschillen tussen verzekeraar en Bureau een Europeesrechtelijke regeling, analoog aan die voor geschillen tussen verzekeraar en waarborgfonds te treffen, ook al doen zich in de praktijk naar het lijkt weinig problemen voor.2
Voor de situatie dat twee verzekeraars naar elkaar verwijzen zou een dergelijke (Europese) regeling, alweer vanuit theoretische optiek, ook denkbaar zijn, al kan worden toegegeven dat de communautaire grondslag daarvoor erg mager is. Het gaat dan immers om zuiver 'nationale' ongevallen, waardoor de werking van de interne markt nauwelijks in het geding zal zijn.