Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/3.3.1
3.3.1 Het begrip groep als element van de groepsvrijstellingsregeling van artikel 2:403 BW
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648865:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 5.8 en in het bijzonder par. 5.8.3.
Krol 2015.
Aan concernvorming kunnen ook nadelen kleven. Hierbij dient te worden gedacht aan fiscale nadelen, benadeling van (minderheids)aandeelhouders en crediteuren, tegenstrijdige belangen, problemen op het vlak van bestuursautonomie. Zie o.a. Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 815 en de daar opgenomen verwijzingen.
Gedacht kan worden aan een divisie die gereed is gemaakt om overgenomen te worden door middel van een aandelenoverdracht.
Zie Sanders & Westbroek 2005, p. 662.
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 815.
Zie uitgebreid hierover: Bartman, Dorresteijn & Olaerts 2016, hoofdstuk I.4.
De term groep is in de Nederlandse wetgeving geïntroduceerd ter gelegenheid van de invoering van de structuurregeling voor grote vennootschappen bij de Wet van 6 mei 1971 (Stb. 1971/289; Kamerstukken II 1970/71, 10751); zie onder meer artikel 52c WvK (oud) en artikel 52e WvK (oud), en de invoering van de WOR 1971 (Stb. 1971/54; Kamerstukken II 1970/71, 10335); zie artikel 1 lid 5 WOR 1971 (oud).
Bij de Wet van 10 november 1988 is de tekst van het huidige artikel 2:24b BW aangenomen. In de toelichting wordt vermeld dat het antwoord op de vraag of sprake is van centrale leiding een wezenlijk onderdeel vormt van het groepscriterium. Zie Stb. 1988/517; Kamerstukken II 1986/87, 19813; aanpassing aan zevende EEG-richtlijn; geconsolideerde jaarrekening.
Zie Kamerstukken II 1979/80, 16326, nr. 3, p. 42 en Kamerstukken II 1986/87, 19813, nr. 3, p. 1 en nr. 5, p. 4.
Zie Maeijer Bundel NV en BV, p. IXq-art. 24b-1 en Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015, nr. 261.
Beckman 1995, voetnoot 222.
Zie uitgebreider over de Europese vrijstellingsregeling: hoofdstuk 8 en meer in het bijzonder par. 8.2.
De Vierde Richtlijn sprak in artikel 57 nog van dominant company. Sinds de invoering van de Zevende Richtlijn wordt gesproken van parent company, zie artikel 43 van de Zevende Richtlijn en artikel 37 van de Europese Jaarrekeningenrichtlijn.
Zie artikel 2:24a BW.
Het behoeft geen betoog dat de keus van de Nederlandse wetgever voor een ander begrip dan het begrip dat de Zevende richtlijn voorschrijft, complicaties kan opleveren.
Zie over de implementatie van Europese regelgeving par. 8.2.2.5.
Het begrip groep speelt een centrale rol binnen de vrijstellingsregeling. Artikel 2:403 BW vereist voor de toepassing van de vrijstellingsregeling dat de consoliderende rechtspersoon en de vrijgestelde rechtspersoon tot dezelfde groep behoren. Daarnaast speelt het begrip ‘groep’ een cruciale rol bij de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid.1 De beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid is uitsluitend mogelijk wanneer de groepsband tussen de voorheen vrijgestelde rechtspersoon en de groep waartoe de consoliderende rechtspersoon behoort, is verbroken.2
Bij een groep is in de regel sprake van een (top)holding die leiding geeft aan de groep. Deze holding wordt in de praktijk vaak als ‘moeder’ aangeduid en de groepsmaatschappijen die daaronder zijn gepositioneerd worden vaak ‘dochters’ en ‘kleindochters’ genoemd.3 Aan het gebruik van een groepsstructuur kunnen verschillende motieven ten grondslag liggen.4 Dit kunnen organisatorische motieven zijn, commerciële motieven,5 de behoefte om risico’s te spreiden,6 het behalen van schaalvoordelen, het genieten van fiscale voordelen7 of het vormgeven van beschermingsconstructies.8
Het begrip groep is in de Nederlandse wet nader gedefinieerd in artikel 2:24b BW. Artikel 2:24b BW geeft de volgende omschrijving van het begrip groep:9
Artikel 2:24b BW
Een groep is een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden. Groepsmaatschappijen zijn rechtspersonen en vennootschappen die met elkaar in een groep zijn verbonden.
Vennootschappen die met elkaar verbonden zijn in een groep, worden aangeduid als groepsmaatschappijen. Op basis van artikel 2:24b BW kan worden gesproken van een groep wanneer wordt voldaan aan twee elementen. Er moet sprake zijn van een economische eenheid en van organisatorische verbondenheid. Uit de parlementaire geschiedenis valt nog een derde element af te leiden dat wezenlijk wordt geacht om te kunnen spreken van een groep.10 Naast een economische eenheid en organisatorische verbondenheid, dient sprake te zijn van een centrale leiding.11
Een wijdverbreid misverstand is dat sprake moet zijn van een aandeelhoudersrelatie om van een groep te kunnen spreken. In artikel 2:24b BW wordt een aandeelhoudersrelatie niet als voorwaarde gesteld. Hoewel een groepsrelatie in veel gevallen gepaard zal gaan met een deelneming in het kapitaal,12 meestal middels aandelen, is een deelneming in het kapitaal niet vereist om uiteindelijk van een groepsmaatschappij te kunnen spreken.13
De Europese vrijstellingsregeling14 noemt het begrip groep of groepsrelatie niet. De Europese vrijstellingsregeling knoopt aan bij de begrippen subsidiary en parent undertaking.15 Dat betekent dat de groepsvrijstelling naar Europees model (slechts) mag worden toegepast op dochterondernemingen. Hoewel de Nederlandse wet een definitie kent van het begrip dochtermaatschappij16 – welke redelijk overeenstemt met de omschrijving die de Zevende richtlijn geeft voor het begrip dochteronderneming – heeft de Nederlandse wetgever er niet voor gekozen om in artikel 2:403 BW aansluiting te zoeken bij het begrip dochtermaatschappij of dochteronderneming. De Europese regelgeving kent het Nederlandse groepsbegrip niet. Toch heeft de Nederlandse wetgever ervoor gekozen om in de vrijstellingsregeling het groepscriterium te hanteren. De Nederlandse vrijstellingsregeling kan aldus worden toegepast op rechtspersonen die tot een groep behoren17 en een moeder/dochterrelatie is niet vereist.
Het groepscriterium onderscheidt zich van de moeder/dochterrelatie. Onder het Nederlandse groepsbegrip kunnen wel dochterondernemingen worden geschaard, maar een dochteronderneming hoeft niet tot een groep te behoren. Te denken valt aan een situatie waarin slechts een aandelenbelang wordt gehouden als investering maar geen sprake is van enige verdere bemoeienis. Het element centrale leiding ontbreekt in dat geval.
Aangezien het groepsbegrip een ruimer toepassingsbereik heeft dan het begrip dochteronderneming, is de Nederlandse vrijstellingsregeling ruimer toepasbaar dan het Europese model. Er kan om die reden getwijfeld worden of de Nederlandse groepsvrijstellingsregeling op dit punt in lijn is met het Europese recht omdat het Europese recht een dergelijke ruime toepassing van de vrijstelling om jaarstukken op te stellen en te publiceren strikt genomen niet toestaat.18